Een rivier met water dat leven geeft – Slot

Openbaring 22:1-21

‘En hij liet mij een zuivere rivier zien, van het levenswater, helder als kristal, die uit de troon van God en van het Lam kwam. In het midden van haar straat en aan de ene en de andere zijde van de rivier bevond zich de levensboom (levenshout), die twaalf vruchten voortbrengt, van maand tot maand geeft Hij Zijn vrucht. En de bladeren van de boom zijn tot genezing van de heidenvolken’ 1,2.

Voor het laatst wordt de gemeente aan Johannes in een visioen getoond. Het beeld is nu niet meer een tempel, maar een paradijs. Gods Woord begon met een aards paradijs en eindigt met een hemelse lusthof. Op het tempelplein ziet Johannes nu geen tempel, maar de hof van Eden. Hier wordt de gemeente dus als een tuin voorgesteld. Paulus was ook eenmaal in geestverrukking in dit paradijs en hij zag daar onuitsprekelijke dingen. Het accent valt nu op de laatste functie van de gemeente in de voltooiing van het nieuwe Jeruzalem. In het vorige gezicht werd de gemeente uitgebeeld door het stralende licht waarbij de volken wandelden. Nu valt de aandacht op de gemeente als het levensgeboomte. Er staat letterlijk ‘het levenshout’. Hier kunnen één of meer bomen mee worden bedoeld, maar de uitdrukking ‘aan weerszijden’ doet denken aan een verzamelnaam, dus aan ‘geboomte’. Dit komt dan overeen met het visioen in Ezechiël 47:12, waar staat:

  • ‘Aan de oevers van de rivier zullen allerlei vruchtbomen opkomen, waarvan de bladeren niet zullen verwelken en de vruchten niet zullen opraken; elke maand zullen ze vrucht dragen. Het water stroomt immers uit het heiligdom. De vruchten zullen eetbaar zijn en de bladeren geneeskrachtig.’

De priesterprofeet had deze tempel niet beschreven omdat hij eenmaal op aarde zou worden gebouwd, maar zodat het volk van de Heer, wáár het zich ook bevond, zich voortdurend met dit model zou bezighouden, om zo de geestelijke betekenis en de geestelijke realiteit ervan tot zijn eigendom te maken. Juist omdat deze tempel nooit op aarde zou worden gebouwd, werden de gelovigen gedwongen tot het bedenken van de dingen die boven waren. Zij moesten: ‘nameten’ of ‘naspeuren op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde’ (1 Petr.1:10). De nieuwtestamentische christenen horen op dezelfde wijze Christus te zien als de Hogepriester van de toekomende goederen en de schaduwachtige zaken van een tempel, die op de aarde nooit gezien zou worden, te transponeren naar de hemelse gewesten. Het levensgeboomte draagt rijpe vruchten en deze dienen tot geestelijk voedsel van de volken en hun bladeren tot genezing.

Het levensgeboomte komt overeen met de Levensboom die in het paradijs van God is’ (2:7). De gemeente van overwinnaars is immers gelijkvormig aan het beeld van de Zoon. Haar leden zijn aan Hem gelijk (1 Joh.3:2). De vruchten wijzen op het eeuwig evangelie dat door hen ook nog op de nieuwe aarde wordt gebracht en de bladeren op de ontplooiing van de geestelijke gaven, waardoor allen die beschadigd ingingen, volkomen zullen herstellen. Een voorname plaats in de hof neemt de stroom van levend water in, een beeld van de Heilige Geest die uitgaat van de Vader en de Zoon. Dit wordt voorgesteld door het ontspringen van deze rivier uit de troon van God en het Lam. Het is leven verwekkend, helder water dat de hof besproeit en deze tot groei en volheid brengt. De Heilige Geest voedt en bekrachtigt de gemeente, zodat deze een gezond en krachtig geboomte is. Voor iedere zoon van God geldt: ‘Hij zal zijn als een boom, geplant aan stromend water. Op tijd draagt hij vrucht, zijn bladeren verdorren niet. Alles wat hij doet komt tot bloei’ (Ps.1:3). Alle bomen zijn het hele jaar groen en alle dragen voortdurend vrucht, wat in het beeld voorgesteld wordt door niet eenmaal per jaar, maar eenmaal per maand, dus twaalf keer per jaar, vrucht voort te brengen.

‘En geen enkele vervloeking zal er meer zijn. En de troon van God en van het Lam zal daar zijn en Zijn dienstknechten zullen Hem dienen en zullen Zijn aangezicht zien en Zijn Naam zal op hun voorhoofd zijn’ 3,4.

In het hemels paradijs is geen slang, want deze hof ligt binnen de poorten van het nieuwe Jeruzalem. Naar de voorspelling van Zacharia 14:11 zal er geen ban meer in deze stad zijn. Vervloeken betekent: overleveren aan de machten en invloeden van het rijk van de duisternis. In dit paradijs is niets meer dat aan de duivel toebehoort of aan boze geesten herinnert. Alleen God zal er zijn en het Lam, dat is Christus met zijn gemeente. Want ook zij zitten op dezelfde troon als het Lam, zoals gezegd werd: ‘Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon’ (3:21). Het eigenlijke heiligdom van de stad is de troon van God. Hier is Hij zichtbaar tegenwoordig onder zijn uitverkorenen. De dienaars zijn de rechtvaardigen uit de volken. Zij zijn met God en het Lam door een band van eeuwige liefde en verering verbonden. De naam van God is op hun voorhoofden als teken, dat zij Hem voor eeuwig toebehoren. In het oude verbond kon niemand Gods aangezicht zien en leven, maar nu zijn zij in eeuwigheid als geestelijke mensen in zeer nauw contact met Hem, ziende zijn Aangezicht, wat de hoogste graad van geluk betekent.

Waarschuwingen en beloften

‘En daar zal geen nacht zijn en zij hebben geen lamp en ook geen zonlicht nodig, want de Heer God verlicht hen. En zij zullen als koningen regeren in alle eeuwigheden’ 5.

Opnieuw wordt gezegd dat de tijd van de duisternis voorgoed voorbij is. De eindeloze eeuwen zijn aangebroken, waarin God alles in allen is. De rechtvaardige volken zijn hersteld en in bezit genomen door de Geest van God, want er staat: ‘God, de Heer, zal hun Licht zijn.’ De volken zullen dan van buitenaf niets meer nodig hebben om licht en leven te bezitten. Iedere rechtvaardige zal als koning heersen over de werken van Gods handen. De uitdrukking ‘tot in alle eeuwigheden’ staat ook in hoofdstuk 20:10, waar vermeld wordt dat het beest en de valse profeet dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheden. Er is geen vernietiging in de geestelijke wereld en geen alverzoening. Er is een eindeloos geluk en een eeuwig ‘wee hen!’ Eindelijk is de voltooide mens van God tevoorschijn gekomen, een geestelijk mens, een koning en heerser over de werken van Gods handen. Het Woord van God (Gods Logos, Joh.1:1), dat uitging, overwinnende en om te overwinnen heeft Zijn loop voleindigd om het herstelplan volledig uit te voeren. De uitverkorenen zijn zelfs meer dan overwinnaars geworden, want ze zijn nu meeregeerders op de troon van God.

‘Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis’

Eenmaal sprak de Schepper tot de engelen: ‘Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis’. God werkte met zijn goede engelen als medewerkers met wie Hij zijn plan ten uitvoer kon brengen en daarna met de mens zelf. De eerste Adam was alleen medewerker van God in zoverre hij mensen voortbracht. Maar van ‘naar ons beeld en als onze gelijkenis’ kwam niet veel terecht. Op zijn best kwamen er goede, natuurlijke mensen naar het beeld van Adam, die niet al te zeer bezet gebied werden en die nog ‘van nature dingen deden, die de wet gebiedt’, dus hun ingeschapen geweten werkte nog (Rom.2:14). Opnieuw schiep God één mens, de laatste Adam. Hij deed dit door Maria heen. Tot haar werd gezegd: ‘Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis’. Maria werd in deze zaak een vrijwillige medewerkster, zij sprak immers: ‘Mij geschiede naar uw (overwinnend) woord’. Jezus was het beeld van God en ook was Hij in de gestalte van een mens. God was echter niet klaar met één mens die door ontwikkeling het doel had bereikt. Hij sprak immers in het begin over ‘mensen’. De ene mens zou de mensheid uit de macht van de satan loskopen, om zo de mogelijkheid te scheppen dat er veel zonen tot heerlijkheid zouden worden gebracht. Er zou bloed moeten vloeien als losprijs, zodat vervuld zou worden: ‘Wanneer Hij zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal Hij nakomelingen zien’ (Jes.53:10).

Nadat Christus de mens vrijgekocht had, begon het herstel van alle dingen. De Vader geeft dit in handen van Zijn Zoon, want ‘het Lam is waardig de boekrol te openen’, waarin over de hernieuwde oprichting van alle dingen staat geschreven. Dit programma draagt de Vader over aan de Zoon als uitvoerder en deze wacht op de leden van zijn Lichaam, de gemeente, als medewerkers. Wanneer wij ons opstellen en demonen gaan weerstaan en uitwerpen, begint ook door ons het herstelproces en kan de beschadigde schepping geheeld worden. De zuchtende schepping ziet uit naar deze geopenbaarde zonen van God. Ook het opstaan tot een nieuw leven en het toetreden als medewerker van de nieuwe mens gebeuren op vrijwillige basis. Ook bij ons moet de gezindheid zijn: ‘Ons geschiede naar Uw (overwinnend) Woord’. Maria stelde zich vrijwillig beschikbaar voor de werking van de Heilige Geest om een Zoon voort te brengen, die Gods Zoon zou worden genoemd. Het offer van Jezus was vrijwillig en onze keuze is ook vrijwillig. Niemand kan een mens dwingen om tot een geestelijk wezen te worden omgevormd, dus tot een zoon van God. God sprak tot de engelen: ‘Laat ons mensen maken’. Deze mensen ontstaan, als wij het evangelie van het Koninkrijk der hemelen prediken en dit woord in geloof wordt aangenomen en het in de inwendige mens gaat doen wat Hem behaagt en waartoe Hij het heeft gezonden.

In Openbaring 12 lezen wij dat er een vrouw is, de ware gemeente, die een mannelijk wezen baart, beeld van de zonen van God. Op de uitspraak: ‘Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis,’ heeft ook deze medewerkster dus haar inzet gegeven. Ook zij spreekt: ‘Mij geschiede naar Uw (zegevierend) Woord’. Johannes heeft ons laten zien, dat het Lam op de berg Sion stond, omringd door de 144.000, die gekocht zijn uit de mensen als eerstelingen voor God en het Lam. In hun mond is geen leugen gevonden en ze zijn onberispelijk. Ze zijn dit geworden na hun herstel door een ontwikkelingsproces. Dit symbolische aantal zal in staat worden gesteld om in het vrederijk en op een nieuwe aarde de herschepping tot volkomenheid te brengen. Er zijn vele miljarden mensen nodig om de rijkdom van de menselijke geest te openbaren. Daarom moest de mens zich vermenigvuldigen. Maar er is ook een ontelbare menigte nodig om de Geest van God een plaats te geven. Dan kan de Allerhoogste die woning in hen heeft gemaakt, Zich ten volle kwijt aan de mensheid. Deze moet zich daartoe niet alleen vermenigvuldigd hebben, maar ook tot ontzaglijke hoogte in de geestelijke wereld zijn gestegen om dit mogelijk te maken. Miljoenen jaren zullen voorbijgaan voordat God alles in allen is. Wat een opdracht hebben deze koningen, met wie Johannes zijn visioenen over de herschepping besluit. Nadat zijn herstelplan in hen, met hen en door hen beëindigd is, blijven zij in alle tijdperken koningen om de gedachten van de eeuwig creatieve Schepper over te nemen en uit te voeren. Wat een toekomst, wat een heerlijkheid, wat een onvoorstelbaar geluk wacht allen die volharden tot het einde!

Slot

‘En hij zei tegen mij: Deze woorden zijn betrouwbaar en waarachtig. En de Heer, de God van de heilige profeten, heeft Zijn engel gezonden om Zijn dienstknechten te laten zien wat met spoed moet gebeuren’ 6.

Het slot van de Openbaring sluit aan bij het begin. Hij die eerst tot Johannes gesproken had, wendt Zich opnieuw op dezelfde manier tot zijn dienstknecht. De spreker is Jezus Christus, die tussen de gouden kandelaars wandelt. Hij is als het Woord van God trouw en waarachtig en dit geldt ook voor de visioenen die Johannes op zijn bevel neerschreef. De Heer, de God van de geesten van de profeten is Jezus zelf. Hij is de God van de profeten, zoals Mozes voor zijn broer tot een god was, want er staat: ‘Hij zal in jouw plaats het volk toespreken: Hij zal jouw mond zijn, jij zult zijn god zijn’ (Ex.4:16). De gedachten van Jezus worden in de geest van de profeten gelegd en deze spreken zijn woorden in de wereld, want het getuigenis van Jezus is de geest van de profetie (19:10). Dit spreken is het bewijs dat Jezus leeft en zijn volk inspireert en leidt. Opnieuw wordt gesproken over de engel van Jezus. Wij schreven hierover bij hoofdstuk 10:1. Deze engel wordt uitgezonden ten dienste van de dienaars van Jezus. Hij moet de toekomende dingen tonen, want deze zullen binnenkort gebeuren. Wij denken bijvoorbeeld aan de vier apocalyptische ruiters uit hoofdstuk 6, die de ontwikkeling van de gemeente en haar strijd in de voorbijgegane eeuwen voorstellen. Al in de tijd van de apostel gingen zij uit.

‘En zie, Ik kom spoedig. Zalig is hij die de woorden van de profetie van dit boek in acht neemt. En ik, Johannes, ben het die deze dingen gezien en gehoord heb. En toen ik ze gehoord en gezien had, viel ik neer om te aanbidden voor de voeten van de engel die mij deze dingen liet zien. En hij zei tegen mij: Pas op dat u dat niet doet! Want ik ben een mededienstknecht van u en van uw broeders, de profeten en van hen die de woorden van dit boek in acht nemen. Aanbid God’ 7-9.

Herhaaldelijk wordt betuigd, dat Jezus spoedig komt (vers 12 en 20). Ook Jacobus zegt: ‘De komst van de Heer is nabij’ (5:8). Maar de Heer wacht totdat de vroege en de late regen gevallen is. Wanneer wij overtuigd zijn, dat wij in de tijd van de late regen leven, kan de komst van de Heer niet ver meer zijn. Voor ons menselijk denken is 2000 jaar lang, maar God rekent met eeuwigheden en bij Hem zijn duizend jaar als één dag. De woorden van de profetie in de Openbaring zijn die van Jezus. Hij sprak: ‘Waarachtig, Ik verzeker u: als iemand mijn woord bewaart zal hij de dood nooit zien’ (Joh.8:51). Een waar kind van God heeft dus eeuwig leven en is nu al gelukkig. Wat Johannes gezien had, was zo machtig, dat het hem geheel overweldigd had. Hij staat in het geloof van de waarachtigheid van deze dingen en is er als apostel zeker van. Het is als het ware de ondertekening met zijn naam: ‘En ik, Johannes’. Johannes weet dat zijn fantasie hem geen parten speelde, maar dat zijn innerlijke mens in de hemel opgetrokken was geweest. In het begin viel Johannes als dood aan de voeten van zijn Heer. Dat was geoorloofd; hij werd toen niet terechtgewezen, maar Jezus legde de rechterhand, de kracht van de Heilige Geest, op hem en sprak hem toe. Nu valt hij aan de voeten van de engel met de bedoeling te aanbidden. Deze aanvaardt geen hulde, maar stelt zich op één lijn met de apostel als dienaar van God en met diens broeders, de profeten, die de woorden van God ook spreken, net als de engel.

Van de engelen is geschreven, dat zij het woord van God uitvoeren ‘luisterend naar de klank van zijn woord’ (Ps.103:20), dus dat zij net als de profeten door de Heer geïnspireerd worden. De engel is ook de mededienstknecht van hen die de woorden van God die in de Openbaring geschreven zijn, bewaren, dat wil zeggen: deze woorden opnemen en zich ernaar richten. Alleen God mag aangebeden worden, want Hij zal alles in allen zijn. Zijn voltooid plan is ter ere van zijn Naam en tot vergroting van zijn Heerlijkheid. Toen de gemeente de volkomenheid bereikt had en als overwinnaar gereed stond de schepping te herstellen werd gezegd: ‘Dit zijn de waarachtige woorden van God’ (19:9). Daarna wierp Johannes in diepe bewondering voor het plan van God zich aan de voeten van de engel om te aanbidden. Ook toen werd dit afgewezen. Nu is er echter een nog veel groter geluk geopenbaard, want niet alleen de gemeente is tot volheid gekomen, maar het hele nieuwe Jeruzalem heeft de volheid van de Geest bereikt. Ook deze profetische toezeggingen zijn getrouw en worden vervuld. De rechtvaardigen van het oude en nieuwe verbond zijn nu allen volkomen. Wat een vooruitzicht en geluk voor allen die God in waarheid dienen! Daarom klinkt bij de openbaring van de gemeente:

  • ‘Aanbid God!’ (19:10) en bij de voltooiing van het hele rijk van God, waar oud en nieuw verbond samen gevoegd worden, ook: ‘Aanbid God!’ ‘Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen’ (Rom.11:36).

Dan is er één herder en één kudde.

‘En hij zei tegen mij: Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet, want de tijd is nabij’ 10.

Opnieuw spreekt Jezus tot Johannes. Of dit gaat door middel van zijn engel of dat hier sprake is van directe inspiratie door de Heilige Geest, wordt niet vermeld. Bovendien weten wij zeer weinig van de taak van de goede engelen m.b.t. profetie en gezichten. Zo gaf God eenmaal de wet aan Israël om hen als weerspannig volk aan de hand, verder te leiden. In het Nieuwe Testament wordt vermeld, dat dit gebeurde door bemiddeling van engelen. (Hand.7:38 en Hebr.2:2). Wie door de Heilige Geest spreekt, ontvangt de woorden van God niet van buitenaf, maar van binnenuit: ‘Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart’ (Rom.10:8). Wanneer een engel spreekt, komt de boodschap van buitenaf tot de mens. In hoofdstuk 1:3 was gezegd: ‘Gelukkig is wie dit voorleest en gelukkig zijn zij die deze profetie horen en zich houden aan wat hier gezegd wordt, want de tijd is nabij.’ Daarom mogen de profetieën niet verzegeld worden, dat wil zeggen dat zij gelezen en verstaan moeten kunnen worden door de gemeente van Jezus Christus. Want de tijd dat zij in vervulling gaan, is niet ver meer. Al in de dagen van Johannes begon het woord van God uit te gaan ‘overwinnende en om te overwinnen’ en moest al geschreven worden dat de geest van de antichrist, dat is die van de dwaling, al in de wereld was (Joh.4:3,6). De profetieën mogen niet geheim worden gehouden of alleen aan een elite toevertrouwd, maar ter kennis van alle gemeenten worden gebracht, zodat de gelovigen er leiding, kracht en troost uit zouden kunnen putten.

‘Wie onrecht doet, laat hij nog meer onrecht doen. En wie vuil is, laat hij nog vuiler worden. En wie rechtvaardig is, laat hij nog meer gerechtvaardigd worden. En wie heilig is, laat hij nog meer geheiligd worden’ 11.

Hoe meer het einde nadert, des te feller de tegenstelling wordt tussen het goede en het kwade. Het oordeel of de scheiding wordt steeds groter. In het einde wordt duidelijk zichtbaar wie van God is en wie de satan toebehoort. Dan is het verschil tussen tarwe en onkruid aanwijsbaar. Ook de profeten van het oude verbond spraken over de verdieping van deze kloof. Joël profeteerde over de uitstorting van Gods Geest aan de ene zijde en van bloed, vuur en rookwalm aan de andere zijde. Jesaja sprak over dit uiteengaan van de geesten:

  • ‘Sta op en schitter, je licht is gekomen, over jou schijnt de luister van de Heer. Duisternis bedekt de aarde en donkerte de naties, maar over jou schijnt de Heer, zijn luister is boven jou zichtbaar’ (Jes.60:1,2).

De beslissing die iedere christen door een vrij wilsbesluit genomen heeft, komt in de eindtijd tot volledige uitwerking. Het zaad dat gestrooid is, hetzij tarwe of onkruid, komt tot volle rijpheid, zodat de rechter zijn oordeel kan vellen. Hier zegt de profetie op welke wijze dit proces zich in ieder mens persoonlijk voltrekken zal. Wie onrecht doet, wie niet handelt naar de wetten en het ingeschapen geweten van God, zal op dat pad voortgaan en zich hoe langer hoe verder van het recht en van de wet van God verwijderen. Zijn einde is de wetteloosheid. Wie vuil is, dus besmet door de demonen van de duisternis, zal van kwaad tot erger vervallen en de boze geesten zullen zich steeds meer in hem en door hem openbaren. Wie rechtvaardig is, dat wil zeggen gereinigd door het bloed van het Lam van God door het geloof, zal hoe langer hoe meer rechtvaardige werken tonen. Hij zal voortgaan op de weg van de gerechtigheid. Wie heilig is, dus afgezonderd van het kwaad en geheeld of genezen, zal steeds meer door de inwoning van de Heilige Geest losgemaakt worden van de beïnvloeding van de onreine geesten en opgroeien naar het beeld van Jezus Christus, het heilig model.

Christus bevestigt Zijn Woord

‘En zie, Ik kom spoedig en Mijn loon is bij Mij om aan ieder te vergelden zoals zijn werk zal zijn’ 12.

Opnieuw zegt de Heer dat Hij spoedig komt en Hij zal dan vergezeld zijn van de wolken (de gemeente). De voltooide gemeente is zijn loon, zoals er staat:

  • ‘Na het lijden dat Hij moest doorstaan, zag Hij het licht en werd met kennis verzadigd.’ of: ‘Ziehier God, de Heer! Hij komt met kracht, zijn arm (Gods Heilige Geest) zal heersen. Zijn loon heeft Hij bij zich, zijn beloning gaat voor hem uit’ (Jes.53:11 en 40:10).

In het oude verbond was Israël Gods erfdeel. In het nieuwe verbond is het Israël van God, de gemeente, Gods erfdeel en Christus heeft dit erfdeel verworven als loon op het werk van zijn ziel. Hij heeft dit erfdeel in de wereld voor God gekocht met Zijn Bloed. Voor zijn moeitevol lijden heeft de Vader loon uitgekeerd, zoals er staat: ‘Ik heb uw Naam geopenbaard aan de mensen, die U Mij uit de wereld gegeven hebt’ (Joh.17:6). Jezus nam het kruis op om veel zonen tot heerlijkheid te brengen. Dit was de vreugde ‘die vóór Hem lag’ (Hebr.12:2). Ook Jezus zag, net als Mozes, op de vergelding voor zijn loon. Er staat niet, dat ons loon bij Hem is, maar er is sprake van zijn loon! Jezus komt terug met zijn gemeente om de levenden en de doden te oordelen. Met zijn gemeente zit Hij op de troon en iedereen wordt geoordeeld op grond van wat in de boeken geschreven staat (20:12). Vervuld wordt: ‘Of weet u niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen?’ (1 Cor.6:2).

‘Ik ben de Alpha en de Omega, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste’ 13.

Jezus spreekt aan het begin van de Openbaring en aan het einde, dat Hij de Alpha en de Omega is, het begin en het einde van alles. Deze betuiging dient als waarmerk van de echtheid van de profetie en van de gezichten die Hij aan Johannes geschonken had. Als het (vleesgeworden) Woord van God (en niét God zelf, Joh.1:1) is Hij het begin en het einde van de herschepping. Wanneer in hoofdstuk 1:8 staat, dat de Heer God de Alpha en de Omega is en deze uitspraak hiervoor Jezus geldt, is er een verschil te constateren als tussen Schepper en Herschepper, of van Spreker en Woord. De Heer God is van eeuwigheid het begin en het einde. Jezus Christus is het begin van de nieuwe schepping en wanneer deze voltooid is, zal Hij alles aan de Vader overgeven, opdat Deze alles is in allen (1 Cor.15:28). Natuurlijk was het Woord van eeuwigheid in de schoot van de Vader en daardoor ook actief in de eerste schepping. Als de schepping voltooid is, zal vervuld worden:

  • ‘Zo geldt dit ook voor het woord dat voortkomt uit Mijn mond: het keert niet vruchteloos naar Mij terug, niet zonder eerst te doen wat Ik wil en te volbrengen wat Ik gebied’ (Jes.55:11).

‘Gelukkig zijn zij die Zijn geboden doen, zodat zij recht mogen hebben op de Levensboom en opdat zij door de poorten de stad mogen binnengaan. Maar buiten bevinden zich de honden, de tovenaars, de ontuchtplegers, de moordenaars, de afgodendienaars en ieder die de leugen liefheeft en doet’ 14,15.

Behalve de gemeente is er een tweede categorie. Het zijn de rechtvaardigen van alle tijden, die de volmaaktheid nog niet bereikten. Hun kleren zijn gewassen, dat wil zeggen dat ze rechtvaardigen zijn en opgeschreven werden in het Levensboek. Daarom hebben zij recht op de bladeren van het levensgeboomte voor genezing, zodat zij gelukkig zullen zijn, volkomen behouden en volmaakt. Ze hebben deel aan de heerlijkheid van het nieuwe Jeruzalem. Buiten de stad is de vuurpoel. Daar bevinden zich de onrechtvaardigen: de honden of onreinen, in het bijzonder de kwade arbeiders, die het Israël van God weer terugbrachten tot het Joodse zuurdesem, dus die de kinderen van God hun vrijheid in Christus ontroofden (Fill.3:2); de tovenaars, die in gemeenschap met de boze geesten leefden; de hoereerders, die het beeld van Christus en zijn gemeente schonden. Johannes schreef: ‘Er is een zonde tot de dood; daarvoor zeg ik niet dat hij moet bidden. Lieve kinderen, wees op uw hoede voor de afgoden’ (1 Joh.5:16,21). Ook Paulus waarschuwt dat het aanbidden van voorwerpen tot afgoderij brengt omdat daarachter zich de demonen verschuilen (1 Cor.10:20). Afgodendienaars, de hoereerders in de geestelijke wereld en de leugenaars, die gemeenschap hadden met dwaalgeesten en leringen van boze geesten aanvaardden en er naar handelden. Zij waren geboren uit de vader van de leugen, de duivel.

‘Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om bij u in de gemeenten van deze dingen te getuigen. Ik ben de Wortel en het Nageslacht van David, de blinkende Morgenster’ 16.

Opnieuw volgt een waarmerk van de echtheid van de profetie. Net als in het begin van de Openbaring richt de Heer Zich tot de voorgangers van de gemeenten. Hij zegt dat Hij dit doet door middel van zijn engel. Het woord ‘betuigen’ draagt het karakter van een eedsformule, als bewijs dat alles wat Johannes zag en hoorde, vast en zeker is. In de volgende uitspraak bepaalt Jezus de plaats die Hij in het reddingsplan heeft, als Degene in wie de profetie is geconcentreerd en vervuld. Wanneer Hij zegt: ‘Ik ben het geslacht van David’, of Ik ben de nakomeling van David, komt dit overeen met wat in Galaten 3:16 staat, dat Hij ook het geestelijke zaad van Abraham is en daarom erfgenaam van de beloften. De troon van David was verbonden met de troon van de Heer, zoals er staat: ‘Zo besteeg Salomo de troon van de Heer en volgde hij zijn vader David als koning op’ (1 Kron.29:23; 28:5). God was koning over Israël en niet Saul bezette de troon van Israël in zijn Naam, maar David. Het koningschap van Saul wortelde niet in de eeuwigheid, maar dat van David wel. Daarom staat er:

  • ‘Hij zal een huis bouwen voor mijn Naam en Ik zal ervoor zorgen dat zijn troon nooit wankelt.’ Jou stel ik in het vooruitzicht dat je koningshuis eeuwig zal voortbestaan en je troon nooit zal wankelen’ (2 Sam.7:13,16).

De wortel van het koningschap van David, waaraan hij zijn recht en zijn kracht ontleende, was het koningschap van God. Omdat Christus als Woord van eeuwigheid in God verborgen was, bezette Hij deze troon in de onzienlijke wereld. Als zoon van David is Hij nu koning over het Israël van God, de gemeente, eerst vanuit de hemel en later op de herschapen aarde. Jezus noemt zichzelf de blinkende Morgenster, omdat zijn komst een nieuwe dag aankondigde en er een nieuw tijdperk inging. De glans van Jezus Christus rust op alle zonen van God en daarom wordt tot de overwinnaars van de strijd in de hemelse gewesten gezegd: ‘Ik zal hem de morgenster geven’, dat is de gelijkvormigheid aan het beeld van de Zoon (2:28). De lang verwachte redding en verlossingstijd werd aangeduid door Bileam, toen deze sprak: ‘Een ster gaat op uit Jacob’ (Num.24:17).

‘En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen en laat hij die wil, het Levenswater nemen, voor niets’ 17.

De Geest woont in de gemeente. Door Hem hebben de Vader en de Zoon woning gemaakt. Jezus Christus wordt daarom met de man van de gemeente vergeleken. Voor wie Gods Geest ontvangen heeft, geldt: ‘Zijn geest met onze geest’. De bruid is niet de gemeente, want deze is de vrouw van het Lam, maar zij vertegenwoordigt de rechtvaardigen van het nieuwe Jeruzalem, die net als Abraham naar de komst van Jezus uitzagen (Joh.8:56). Abraham zag deze komst eerst in de geestelijke wereld en op de nieuwe aarde zal hij met de andere rechtvaardigen Jezus ook in de stoffelijke wereld zien. In de gemeente en in deze rechtvaardigen is één groot verlangen, dat uitgedrukt wordt in het woord: Kom! Degenen die nu nog op de aarde zijn en die deze profetie lezen en horen, worden ook opgewekt om in hetzelfde verlangen te zeggen: Kom! De laatste groep leeft nog in het tijdperk van de genade. Wie dorst heeft naar de gerechtigheid mag tot Jezus komen en als hij dit begeert, kan hij zich verzadigen aan de bronnen van redding en geluk, waar het water dat leven geeft, beeld van Gods Heilige Geest, opspringt.

‘Want ik getuig aan ieder die de woorden van de profetie van dit boek hoort: Als iemand iets aan deze dingen toevoegt, zal God hem de plagen toevoegen die in dit boek geschreven zijn. En als iemand afdoet van de woorden van het boek van deze profetie, zal God zijn deel afdoen van het Levensboek en van de heilige stad, van de dingen die in dit boek geschreven zijn’ 18,19.

Weer staat van Jezus, dat Hij betuigt, dus onder ede verklaart, dat wat volgt, waarachtig is en zeker gebeuren zal. Hij waarschuwt ieder die de woorden van de profetie van de Openbaring hoort, dat hij met deze gezichten en woorden maar niet naar eigen goeddunken handelen kan. Ook deze profetie is niet van eigen uitlegging. Wie bijvoorbeeld deze ontsluiering van de hemelse gewesten op het natuurlijke vlak brengt, voegt er betekenissen aan toe, die God niet bedoelde. Hij komt dan aan de verkeerde kant van de scheidslijn terecht en niet aan de zijde van hen die het geluk van God ervaren en zijn heerlijkheid leren kennen. Hij komt aan de zijde waar de veroordelingen zijn en waar de plagen gebeuren. Door verkeerde toevoegingen komt men tot dwalingen en deze voeren de mens in het Babylon van de verwarring. Wie de woorden van de profetie niet serieus neemt, er van afdoet, ze onverschillig laat liggen, zal ook de gevolgen daarvan ondervinden. Dit laatste Bijbelboek geeft immers inzicht in de volle raad van God en voert de mens in de geestelijke wereld en op de hoge weg.

Zonder kennis gaat ook het volk van het nieuwe verbond verloren en wordt het een prooi van de ontbindende demonen. Zonder kennis kan men niet tot de volmaaktheid komen en gelijkvormig worden aan het beeld van de Zoon. Dan heeft men geen deel aan het levensgeboomte, dat gelijkvormig is aan de Levensboom. Dan valt zelfs het deel aan de heilige stad, weg. Wie in de eindtijd niet de geestelijke weg bewandelt, mist zelfs de zegen van de rechtvaardigen uit het oude verbond. Hij is dan niet bestand tegen de aanrukkende machten van de duisternis en hem wordt nog ontnomen wat hij heeft.

‘Hij Die van deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen. Ja, kom, Heer Jezus! De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u allen. Amen’ 20,21.

Opnieuw spreekt de Heer. Als een laatste getuigenis zegt Hij nogmaals: ‘Ik kom spoedig’ en dit wordt voorafgegaan door de bevestiging: ‘ja’. Wij geloven dat het ‘Amen’ bij deze woorden van Jezus hoort als een bevestiging dat het waar en zeker zal zijn: ‘Want hoeveel beloften van God er ook zijn, in Hem is het: ja; daarom is ook door Hem het: Amen’ (2 Cor.1:20). Het antwoord van de apostel en van de gemeente is: ‘Kom, Heer Jezus!’ Het is het antwoord naar de wil van de Heer, die hen daartoe opwekte in vers 17. Het is een effectieve afsluiting van het boek, dat begint met het profetische getuigenis: ‘Zie, Hij komt met de wolken’. Het is de uitdrukking van een hartstochtelijk verlangen naar de parousia, dit is het tijdperk dat onze Heer Jezus komt, om op die dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen.

Ook de zuchtende schepping ziet met de heilige engelen reikhalzend uit naar dit openbaar worden van de zonen van God. Dan zal immers de gemeente zonder vlek en rimpel zijn en met haar Heer heersen van zee tot zee. Dan is de roede van de drijver voorgoed verbroken en zal Zijn heerschappij over de herschepping groot zijn en eindeloos Zijn vrede.

Het laatste woord uit de mond van Jezus is, dat zijn Koninkrijk komt. Het gebed ‘kom, Heer Jezus’ doet denken aan de Aramese formule van de eerste christelijke gemeente, namelijk ‘Maranatha’. Deze exclamatie bevat een waarschuwing voor allen die onze Heer Jezus niet van harte liefhebben, maar zij is ook een gebed dat opstijgt, om de verschijning van de zalige en enige Heerser, de Hoogste Koning en Heer, te bespoedigen.

De Openbaring van Jezus Christus aan Johannes is hiermee ten einde, maar in de tempel van God en in het nieuwe Jeruzalem zullen door Gods Heilige Geest steeds nieuwe woorden van God worden beluisterd. Nooit zal zijn spreken ophouden, want Hij zal doorgaan nieuwe geheimenissen te openbaren, ook wanneer Hij door zijn Geest alles in allen is.

De apostel eindigt zijn boek met een afsluitende zegegroet aan allen die deze woorden lezen, verstaan en bewaren. Zoals in de brieven van Paulus neemt dit gebed van redding en geluk, de plaats in van een eigenhandige ondertekening door de schrijver. Dat de genade van de Heer Jezus ook met ons allen mag zijn, dat wil zeggen dat de hele samenvatting van de geopenbaarde Redding, verlossing en geluk of het hele pakket van zijn gunstbewijzen ons rijk bezit zal zijn.