De oogst

Openbaring 14:14-20

‘En ik zag en zie, een witte wolk en op de wolk zat Iemand als een Mensenzoon, met op Zijn hoofd een gouden kroon en in Zijn hand een scherpe sikkel’ 14.

Johannes ziet en hoort. Men moet gedoopt zijn in de Geest van God om deze visioenen te verstaan. Wij zijn blij dat er nog gezichten en profetieën zijn en dat wij vanuit deze ervaringen het Woord van God herkennen. Ook in onze dagen spreekt de Geest tot de gemeente en het is zaak om de profetieën niet te verachten. De visioenen van de drie engelen, waarvan de eerste het eeuwig evangelie verkondigde en de twee anderen het oordeel toonden over Babylon en het rijk van de antichrist, maken plaats voor een nieuw en heerlijk gezicht. Johannes ziet een witte wolk. Bij dit beeld denken wij aan de zilverkleurige of opalen morgenwolken in het Midden-Oosten. Men ziet de toppen van de bergen als rotsgevaarten en als eilanden in deze schuimende zee. De rijzende zon doortintelt de drijvende dampmassa, die spoedig verdwijnt onder de hitte van zonnestralen. Op de bodem blijft de verkwikkende nachtmist achter, die het gewas leven en vruchtbaarheid schenkt. Deze wolkenmassa is een wolk of nevel van dauw in de hitte van de oogsttijd (Jes.18:4). De witte wolk waarover hier gesproken wordt, verschijnt ook in de oogsttijd, namelijk in die van de aarde. In dichterlijke taal spreekt David over deze schitterende wolkengevaarten als over vleugels van de dageraad (Ps.139:9).

De terugkomst van de Heer wordt meermalen getekend als een komen op (met of in) de wolken van de hemel. In Palestina leert men begrijpen dat de lichtende zilveren cumulus, die vroeg in de morgen de lucht vervult, het beeld is van deze heerlijkheid. De bedoeling is duidelijk. Vanuit de zee is een damp opgestegen en heeft er zich een wolk gevormd. De zee is in de Bijbel het beeld van het dodenrijk en de geestelijke wereld, zoals de aarde dat is van de zienlijke of stoffelijke wereld. Zoals een waterdruppel uit de zee verdampt en opstijgt in de lucht, zo wordt een mens bij zijn nieuwe geboorte overgezet in de hemelse gewesten. Hij wordt ernaar overgeplaatst en begint daar in het Koninkrijk van God te functioneren (Ef.2:6). Het beeld is duidelijk. De waterdruppel, het onzichtbare hart van de mens, stijgt op door de kracht van Gods Heilige Geest, als hij bewerkt wordt door de Zon van de gerechtigheid, God. Het water vormt in de hemelse gewesten een wolk. Deze bestaat uit miljoenen waterdruppels en is het beeld van de gemeente van Jezus Christus. De wateren (de geesten) zijn in de onzienlijke wereld gescheiden. Alle godsdiensten op de aarde zijn van beneden. Alleen zij die Jezus toebehoren, zijn van boven. Tot de religieuze leiders van zijn dagen sprak de Heer:

  • ‘U bent van beneden, Ik ben van boven; u hoort bij deze wereld, Ik hoor niet bij deze wereld’ (Joh.8:23).

Wanneer een kind van God sterft, wordt hij naar de uitwendige mens van de aardse sfeer losgemaakt, maar zijn ziel en geest, de inwendige of onzienlijke mens, zijn eeuwig. Deze inwendige mens blijft in het lichaam van de Heer, dat is in de wolk. De Mensenzoon is met de wolk verbonden, zoals Hij in een ander beeld, als het hoofd verbonden is met zijn lichaam. Op Zijn hoofd is nog altijd de gouden levenskroon, waarvan in hoofdstuk 6:2 gesproken werd. Als gezegd wordt, dat Jezus in de eindtijd met de wolken van de hemel terug komt, betekent dit dat Hij met zijn gemeente terugkeert. Zoals bij het aanbreken van een nieuwe dag de morgenwolk op aarde neerdaalt als een dauw van de hemel, zo keert in de eindtijd onze Heer met zijn gemeente terug naar de aarde. Dit neerdalen beeldt uit, dat de inwendige mens van de gelovige weer een lichaam ontvangt, waarmee hij in de zichtbare wereld kan functioneren. In 1 Corinthiërs 15:44 staat, dat een geestelijk lichaam opgewekt wordt. Onder opwekken verstaat men, dat een aanwezige persoon door een impuls van buiten af in de aardse sfeer teruggebracht wordt. Bij de opstanding tussen de doden uit (Fil.3:11), worden geest en ziel (het geestelijke lichaam) opgewekt en in staat gesteld zich te manifesteren in de natuurlijke wereld. Bij zijn verschijning neemt het geestelijke lichaam de menselijke gestalte aan, gevormd uit de elementen van de aarde. Kracht wordt dan overgezet in stof. Zo kan het geestelijke lichaam of de inwendige mens opstaan, om zijn taak in de zichtbare wereld opnieuw te aanvaarden.

Een zelfde gedachte vinden wij ook, wanneer het hemelse Jeruzalem uit de onzienlijke wereld neerdaalt naar de aarde, de zichtbare wereld. In onze tekst zien wij het ogenblik, dat de ontslapenen op het punt staan verenigd te worden met hen die nog op aarde zijn in een sterfelijk lichaam en die in een ondeelbaar ogenblik zullen veranderen. Het is de tijd van de zevende of de laatste bazuin. Zij die levend overblijven, zullen nu in een ondeelbaar ogenblik getransformeerd worden:

  • ‘Wij zeggen u met een woord van de Heer: wij, die in leven blijven tot de komst van de Heer, zullen de doden in geen geval voorgaan. Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen. Dan zullen eerst de doden die Christus toebehoren opstaan en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen op de wolken worden weggevoerd en gaan we in de lucht de Heer tegemoet. Dan zullen we altijd bij Hem zijn. Troost elkaar met deze woorden’ (1 Thess.4:15-18).

Wanneer iemand echter niet ‘in Christus’ ontslaapt, dat wil zeggen niet hoort bij de gemeente, dan blijft hij bij zijn sterven verbonden met de zee. Zijn geest is immers niet vanuit de zee opgestegen naar de wolk. Zijn geest en ziel blijven dan in het dodenrijk waarin de mens ook al op aarde verbleef (Ef.2:1). Bij de opstanding lezen wij niet, dat de aarde zijn doden teruggeeft, maar de zee: ‘En de zee gaf de doden, die in haar waren en de dood en het dodenrijk gaven de doden, die in hen waren’ (20:13). Zee en dodenrijk zijn dus synonieme begrippen, terwijl de dood meer ziet op de macht, die dit dodenrijk beheerst. Wij kunnen nu ook begrijpen dat eenmaal, wanneer deze wolk neergedaald is van de hemel naar de aarde, de zee niet meer zal zijn, zomin als de nacht, of de bergen die niet meer gevonden worden. Het zijn de demonen, die de ziel en de geest van de mens naar de diepte van het dodenrijk voeren, terwijl de kracht van de Heilige Geest de kinderen van God naar de wolk voert.

‘En een andere engel kwam uit de tempel en riep met luide stem tegen Hem Die op de wolk zat: Zend Uw sikkel en maai, want het uur om te maaien is nu gekomen, omdat de oogst van de aarde geheel rijp is geworden. En Hij Die op de wolk zat, zond Zijn sikkel op de aarde en de aarde werd gemaaid’ 15,16.

Toen Jezus naar de hemel voer, ontving Hij alle macht in hemel en op aarde. In Openbaring 6 staat, dat de Heer als ruiter op het witte paard een kroon ontving, het teken van koninklijke waardigheid. Hij zond Gods Heilige Geest uit en van dat ogenblik ging deze ruiter door de wereld, overwinnende en om te overwinnen. In zijn handen is een boog, zoals ook zijn grote tegenstander satan er een heeft. Bij de laatste is sprake van brandende pijlen, die door hem op het volk van God gericht worden om dit dodelijk te kwetsen. Maar er bestaat voor de gelovigen ook een doeltreffende verdediging, waarover Zacharia schrijft: ‘Dan zal de Heer hun verschijnen en zijn pijl zal als de bliksem uitschieten’ (9:14). Het Woord van God hoort in de wereld vergezeld te worden door de kracht van de geestelijke gaven, waardoor de gelovigen de vijand kunnen onderscheiden, binden, weerstaan en overwinnen.

Ook lezen wij van het scherpe zwaard van de Geest, dat uit de mond van de Mensenzoon komt (1:16). Dit zwaard is het woord van God, waardoor het goede van het kwade gescheiden wordt, de gerechtigheid van de ongerechtigheid. Het is het zwaard van het oordeel. In Hebreeën 4:12 staat: ‘Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door tot op de scheiding van ziel en geest, van gewrichten en merg en het oordeelt de overleggingen en gedachten van het hart’. De bedoeling van deze woorden is niet dat de ziel van de geest gescheiden zou worden, of het merg van de gewrichten, maar dat het Woord van God diep in het mensenleven dringt en daar de scheiding veroorzaakt. In geest, ziel en lichaam wordt een kloof gemaakt tussen wat uit God is en wat Hem niet toebehoort, zodat heel onze geest, ziel en lichaam bij de komst van onze Heer Jezus Christus mag blijken in alle opzicht onberispelijk bewaard te zijn. Het Woord van God (dat is het woord van Jezus) is dus als een zwaard om te oordelen en scheiding te maken. In de eindtijd is deze scheiding voltooid. De gelovigen zijn volmaakt heilig geworden en de zonen van het verderf volkomen wetteloos.

Er komt nu een ander beeld. In de hand van de Mensenzoon is het zwaard vervangen door een scherpe sikkel. Over de geschiedenis van de gemeente sprak de Heer: ‘De grond brengt vanzelf vrucht voort; eerst een halm, daarna een aar, daarna het volle koren in de aar. Wanneer dan de vrucht rijp is, laat hij er direct de sikkel in slaan, omdat de oogsttijd aangebroken is’ (Marc.4:28,29). De halm en de aar geven het leven door, maar zij zijn geen doel. Zo heeft de gemeente als halm en aar gefungeerd. In de eindtijd wordt het koren rijp. De vrucht komt dan overeen met wat de zaaier in de grond bracht. De zonen van God zullen dan het beeld van de Zoon van God gelijkvormig zijn. ‘Dit zijn de dagen van het rijpe, gouden graan’.

Om de oogst binnen te halen, is geen zwaard nodig dat oordeelt, maar een sikkel waarmee het koren van de aarde losgemaakt wordt. Uit de tempel komt een engel. De tempel is het huis van God, de gemeente van Jezus Christus, die de voltooiing bereikt heeft. Deze engel van de gemeente brengt als dienende geest het gebed over: ‘Kom Heer Jezus! De vrouw van het Lam heeft zich gereedgemaakt’ (19:7). Zij is zonder vlek en rimpel. De tijd is aangebroken om het rijpe koren in de hemelse schuur te brengen. Deze schuur is de verheerlijkte gemeente. Dan zendt de Mensenzoon zijn sikkel uit op de aarde. De sikkel is het woord van God, dat uitgaat met de roep: ‘Kom hierboven!’ (11:12). In een ondeelbaar ogenblik wordt de gemeente veranderd. Haar leden hadden al een volmaakte, inwendige mens. Nu wordt ook het sterfelijke lichaam veranderd in een onsterfelijk lichaam. Paulus schreef in 1 Corinthiërs 15:51-53:

  • ‘Ik zal u een geheim onthullen: wij zullen niet allemaal eerst sterven – toch zullen wij allemaal veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, wanneer de bazuin het einde inluidt. Wanneer de bazuin weerklinkt, zullen de doden worden opgewekt met een onvergankelijk lichaam en zullen ook wij veranderen. Want het vergankelijke lichaam moet worden bekleed met het onvergankelijke, het sterfelijke lichaam met het onsterfelijke.’

De sikkel – dat is Gods bevel – gaat over de aarde, gehanteerd door de engelen, want: ‘de maaiers zijn de engelen’ (Matth.13:39). Ook toen het lichaam van Jezus in een onsterfelijk lichaam veranderd werd, waren engelen in en bij het graf aanwezig. Wij weten niet welke functie de engelen bij dit gebeuren hebben, zomin als wij hun taak begrijpen, wanneer er staat dat Israël de wet ontvangen had ‘op beschikking van engelen’ (Hand.7:53), of ‘door bemiddeling van engelen gesproken’ (Hebr.2:2). De eerste tarweoogst wordt nu geheel binnengehaald. Deze eerstelingen vormen de ‘feestelijke vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen’ (Hebr.12:23). Later zullen na het zogenaamde duizendjarige rijk en na het eindoordeel de anderen volgen. Wij hebben hier te doen met de eerste opstanding. ‘Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding’ (20:6).

‘En een andere engel kwam uit de tempel, die in de hemel is, en ook hij had een scherpe sikkel. En weer een andere engel kwam bij het altaar vandaan en die had macht over het vuur. En hij riep met luide stem tegen hem die de scherpe sikkel had en zei: Zend uw scherpe sikkel en oogst de trossen van de wijnstok van de aarde, want de druiven ervan zijn rijp’ 17,18.

Een andere engel komt uit de tempel van de hemel. Hij is ook een engel van de gemeente. In Openbaring 2 en 3 wordt telkens van zo’n engel van de gemeente gesproken. Hij staat voor de gemeente in de onzienlijke wereld. De tempel, het beeld van de gemeente, is in de hemel, omdat daar de verblijfplaats en de wandel van Gods volk is. Ook hier is de sikkel weer het woord van God, waardoor vanuit de gemeente het oordeel voltrokken wordt. Paulus schreef al: ‘Weet u niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen?’ (1 Cor.6:2). De engel wacht echter nog op een bevel om het vonnis te voltrekken. In zijn visioen ziet Johannes een andere engel uit het (brandoffer)altaar komen. Wij zagen al dat dit altaar met het offer het beeld is van Jezus Christus: ‘Wij hebben een altaar, waarvan zij, die de dienst voor de tabernakel verrichten, niet mogen eten’ (Hebr.13:10). In dit stadium heeft het altaar geen functie op aarde. Er worden geen zielen meer gered: ‘Niemand kon de tempel binnengaan, voordat de zeven plagen van de zeven engelen voleindigd waren’ (15:8). De gemeente van Jezus Christus wordt immers opgenomen en daarmee het orgaan, waardoor het evangelie van de verzoening bekend gemaakt kan worden, van de aarde verwijderd.

De engel die uit het altaar tevoorschijn komt en met een geweldige stem zijn commando geeft, is dus ongetwijfeld de engel van de Heer. Daarom heeft hij macht over het vuur. Toen Christus leed, werd Hij door de Vader overgeleverd aan de machten van de duisternis, dat is aan het vuur. Na zijn opstanding sprak de Heer: ‘Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde’ (Matth.28:18). Hij heeft dus niet alleen de macht over de heilige engelen van God, maar ook over de boze geesten. Hij draagt deze macht zelfs aan zijn volgelingen over en beveelt hen om slangen en schorpioenen te vertrappen en onderwerpt het hele leger van de vijand aan hen (Luc.10:19). De engel van de Heer beschikt dus namens Jezus over de macht om Gods woede over de aarde te storten. Jezus is ook de doper met vuur! ‘De wan is in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer geheel zuiveren en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur’ (Matth.3:12). In de zeven laatste plagen zien wij dan op welke wijze de demonen hun opdracht volvoeren. Alles wat rijp is, wordt geoogst. De gemeente van Jezus Christus is het rijpe tarwegraan en de gemeente van de antichrist vormt de trossen van de wijngaard van de aarde, die geheel rijpe druiven heeft. Deze druiven zijn vol van ‘de wijn van haar hoererij’ (17:2), dus vol van ongerechtigheid. Er is in deze verzen dus sprake van de oogst van de zonen van God en die van de zonen van het verderf.

‘En de engel zond zijn sikkel op de aarde en oogstte de druiven van de wijnstok van de aarde en wierp die in de grote wijnpersbak van de toorn van God. En de wijnpersbak werd getreden buiten de stad en er kwam bloed uit de wijnpersbak, tot aan het bit van de paarden, zestienhonderd stadiën ver’ 19,20.

Na de tarweoogst, waarin de gemeente wordt opgenomen (Matth.24,25), is het nu tijd voor de druivenoogst. De engel oogstte van de wijngaard van de aarde, of zoals er letterlijk staat: ‘sneed de wijnstok van de aarde af.’ Niet alleen de vruchten, maar de wijnstok zelf wordt weggenomen. Wanneer het beest uit de afgrond met de valse profeet levend in de vuurpoel geworpen wordt, houdt daarmee ook de kracht van de dwaling op. Deze dwaling tierde welig op de aarde, maar haar voedingsbodem had zij in de afgrond. De antichrist met zijn gemeente vormt de valse wijnstok met zijn ranken en zijn trossen en staat tegenover de ware wijnstok Jezus Christus met zijn gemeente, die zijn voedingsbodem heeft in het Koninkrijk van God. Alles wat bij de wijnstok van de wetteloosheid hoort, wordt in de grote persbak van Gods woede geworpen. Johannes ziet ook hoe deze druiventrossen met voeten vertrapt worden om de wijn eruit te persen. En de ongerechtigheid kwam eruit:

  • ‘Zij kauwden op hun tong van pijn en zij lasterden de God van de hemel vanwege hun pijnen en vanwege hun gezwellen en zij bekeerden zich niet van hun werken’ (16:11). Bij de vraag wie degene is, die deze wijnpersbak vertrapt, vinden wij het antwoord in Jesaja 63:3,4: ‘Ik heb de perskuip alleen getreden, geen van de volken hielp me daarbij. Ik trad hen in mijn woede, vertrapte hen in mijn toorn. Hun bloed bespatte mijn kleren, al mijn kleren werden besmeurd. Ik had besloten tot een dag van wraak, het jaar van vergelding was aangebroken.’
  • De profeet Joël beschreef deze oorlog in de onzienlijke wereld met de woorden: ‘Slaat de sikkel erin, want de oogst is rijp. Kom, vertrap, want de perskuip is vol; de wijnbakken stromen over. Want hun boosheid is groot’ (3:13).

Nogmaals wordt erop gewezen dat deze laatste serie oordelen Gods volk niet treffen: deze persbak wordt buiten de stad van God, het hemelse Jeruzalem, vertrapt. Wanneer Johannes het druivensap scherper beziet, merkt hij dat het bloed is. De gemeente van de antichrist wordt volkomen een prooi van het vuur, dat is van de boze geesten. Het bloed, beeld van het natuurlijke leven, vloeit weg. Deze kerk is nu volkomen ‘begeesterd’ door de duivel en een absolute prooi van de wetteloosheid. Haar leden kunnen zelfs niet meer als natuurlijke mensen leven. Enorm is de omvang van deze serie plagen. Het beeld spreekt van een ontzaglijk slagveld, waar de paarden tot aan de koppen in het bloed waden. Het is een zee van bloed, van driehonderd kilometer lengte. Miljoenen slachtoffers zijn een totale prooi van de geestelijke dood. Er is sprake van zestienhonderd stadiën, een volheid van veertig maal veertig. Zoals bij de zonen van God de Geest die in hen woonde hun sterfelijke lichaam levend maakte, zo zijn de zonen van het verderf dermate gedemoniseerd, dat ook hun lichamen de doorwerking ervan ervaren en tenslotte een prooi worden van de laatste vijand, de dood.