De nieuwe hemel en de nieuwe aarde – Het nieuwe Jeruzalem

Openbaring 21:1-14

‘En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan. En de zee was er niet meer’ 1.

Nu ziet Johannes het eindresultaat van het plan en het werk van God. De aarde en de hemel functioneren weer naar de wetten die God gegeven had. De mens echter heeft zich ontplooid tot een volkomen geestelijk wezen en het sekseverschil is opgeheven. Het opstandingslichaam past volkomen bij; en wordt ook bestuurd door de inwendige mens, waarbij geen sprake is van man of vrouw: ‘In de opstanding huwen zij niet en worden zij niet ten huwelijk genomen, maar zij zijn als engelen in de hemel’ (Matth.22:30). In het duizendjarige rijk kregen alle dieren hun oorspronkelijke natuur terug. Naar Gods bevel hebben in de voorbijgegane tijdperken, de vissen de watermassa’s van de zee vervuld en de vogels zijn talrijk geworden op de aarde (Gen.1:22). In het duizendjarige rijk was er een biologisch evenwicht ontstaan. Er was geen kwaad noch verderf op heel ‘Gods heilige berg’, omdat de aarde vol was van kennis van de Heer. Dit inzicht berustte natuurlijk bij de mensen die met grote wijsheid en kracht de aarde onderwierpen, heersten over de vissen in de zee, over de vogels in de hemel en over alle dieren die over de aarde kruipen (Gen.1:28).

Hoe op de vernieuwde aarde de levende wezens zich zullen gedragen, hoe het evenwicht bewaard zal blijven, of zij zich nog zullen vermenigvuldigen of niet, of de dieren zullen sterven (weerkeren tot de aarde), daarover licht de Schrift ons niet in. Wat de vernieuwde hemel betreft, deze is vol lichtdragers, heilige engelen van God, die zich nu ongehinderd ten dienste kunnen stellen van de herschapen mens, van wiens taak in de eeuwigheid wij ons ook geen voorstelling kunnen vormen. Er wordt eerst gesproken van een nieuwe hemel en daarna van een nieuwe aarde. Eerst zijn immers de onzienlijke dingen hersteld en dan volgt de zichtbare wereld. De eerste hemel, dat is het Koninkrijk der hemelen, waar goed en kwaad samen waren, heeft plaats moeten maken voor het Koninkrijk van God. De eerste hemel, het toneel van de geestelijke strijd, wordt gevolgd door de nieuwe of tweede hemel waar de strijd voorbij is en waar onder gerechtigheid, blijdschap en vrede, de mensheid geheel tot haar voltooiing komt. Wanneer dit proces beëindigd is, volgt de derde hemel waar God zal zijn alles in allen. Paulus getuigde dat hij in zinsverrukking in de toekomst had gezien tot de tijd, dat ook de derde hemel werkelijkheid zal zijn:

  • ‘Maar ik weet dat deze man – in zijn lichaam of zonder zijn lichaam, dat weet ik niet, dat weet God alleen, werd weggevoerd tot in het paradijs en dat hij daar woorden hoorde die door geen mens mogen worden uitgesproken’ (2 Cor.12:3-4).

Ook op de eerste aarde was vermenging van zonde en gerechtigheid, maar in het visioen is zij volkomen onderworpen aan de wetten van de herstelde, geestelijke wereld. Vervuld zijn de beloften uit Jesaja 65:17 en 66:22 over het scheppen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, die tot in eeuwigheid zullen blijven bestaan.

Merkwaardig is dat in 2 Petrus 3:13 niet gesproken wordt over een nieuwe hemel, maar over nieuwe hemelen, die wij te verwachten hebben. De apostel volgt daarin het onderricht van Jezus, die altijd sprak over het Koninkrijk der hemelen en zijn leerlingen de verborgenheden daarvan openbaarde. Er is geoordeeld in gerechtigheid: er is een poel van eeuwig afgrijzen, waar het vuur niet geblust wordt en er is een rijk dat geheel functioneert naar het recht van God en waarin de nieuwe aarde begrepen is. De zee beeld het geestelijke leven op aarde uit en de dood. Alleen zij, die bij het nieuwe verbond horen, zijn naar de innerlijke mens overgezet in de hemelse gewesten in het Koninkrijk van God en vormen daar een wolk. Na de tweede opstanding zijn de dood en het dodenrijk als laatste vijanden teniet gedaan en heeft dus de zee als beeld zijn betekenis verloren. Natuurlijk moeten wij bij de woorden: ‘De zee was niet meer’ niet denken aan de zichtbare oceanen. Een aarde zonder zee is een planeet zonder water en onbewoonbaar voor mens en dier en ongeschikt voor iedere plantengroei. Wij achten een aarde zonder water in strijd met de oorspronkelijke schepping van God, die dan hersteld is. Er staat immers, dat de watermassa’s onder de hemel op één plaats moesten samenvloeien en God noemde deze samengestroomde watermassa’s, zeeën en Hij zag dat het goed was (Gen.1:9,10).

‘En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdalen van God uit de hemel, gereedgemaakt als een bruid die voor haar man sierlijk gemaakt is. En ik hoorde een luide stem uit de hemel zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen en zij zullen Zijn volk zijn en God Zelf zal bij hen zijn en hun God zijn’ 2,3.

Op de nieuwe aarde ziet Johannes nu ook de hele nieuwe, herstelde en herstellende mensheid. Haar getal is vol en ieder krijgt zijn plaats en zijn bestemming. Zij wordt uitgebeeld als een heilige en nieuwe stad. Had Abraham al niet gezocht naar een stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is (Hebr.11:10)? Deze plaats wordt een nieuw Jeruzalem genoemd, omdat het oude, aardse Jeruzalem een schaduwbeeld was. In de onzichtbare wereld, de hemel, heeft God vanaf de opstanding van Jezus Christus tot aan het laatste oordeel aan deze stad gebouwd. In het nieuwe Jeruzalem bevindt zich ook de tent van God, dat is de gemeente van God, die vervuld is met Gods Geest. Jezus sprak over de gelovige van het nieuwe verbond:

  • ‘Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen’ of volgens de Leidse vertaling ‘bij hem onze intrek nemen’ (Joh.14:23). In dit verband zegt de Heer tot het oude verbondsvolk: ‘Mijn woning zal in jullie midden staan en Ik zal nooit een afkeer van jullie krijgen. Ik zal in je midden verkeren; Ik zal uw God zijn en u mijn volk’ (Lev.26:11,12). Ezechiël profeteerde: ‘Bij hen zal Ik wonen; Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. En de volken zullen beseffen dat Ik, de Heer, Israël heilig doordat mijn heiligdom voor altijd in hun midden is’ (Ez.37:27,28). Herinnerende aan deze teksten, schreef Paulus aan de gemeente: ‘Wijzelf zijn de tempel van de levende God, zoals God heeft gezegd: ‘Ik zal bij hen wonen en in hun midden verkeren, Ik zal hun God zijn en zij mijn volk’ (2 Cor.6:16).

Een luide stem maakt de ziener er opmerkzaam op, dat de woonplaats van God, de gemeente, bij de mensen of tussen de volken op aarde is. De aarde is Immanuëlsland geworden, want God is bij de mensen. God woont al in de gemeente, maar nog niet bij alle volken van het nieuwe Jeruzalem, want God is nog niet alles in allen (1 Cor.15:28). Deze volken moeten namelijk nog tot volmaaktheid komen (Openb.21:24-26). Zij zijn rechtvaardigen, bevrijd van iedere macht van de duisternis, maar zij werden behouden als door vuur heen (1 Cor.3:15). Zij gingen beschadigd in. Alleen van de overwinnaars van het nieuwe verbond wordt gezegd: ‘Wie overwint, zal van de tweede dood geen schade lijden’ (2:11). Zij, die deel hadden aan de eerste opstanding, waren onbeschadigd. Nu gaat de Heer God de tranen van de ogen afwissen, dit wil zeggen dat alle wonden en geestelijke wonden geheeld worden. Hoe doet God dit? Vanuit en door zijn gemeente, die de volken van de gerechtigheid tot de volmaaktheid en onberispelijkheid zal brengen. De belofte, toegezegd aan de gelovigen van het oude verbond, wordt volkomen vervuld:

  • ‘Al deze mensen, die van oudsher om hun geloof geprezen worden (namelijk dat zij rechtvaardig waren), hebben de belofte niet in vervulling zien gaan, omdat God voor ons iets beters had voorzien en Hij hen niet zonder ons de volmaaktheid wilde laten bereiken’ (Hebr.11:39,40).

Duidelijk spreekt hier de schrijver van de Hebreeënbrief van een volmaakt worden van de gelovigen van het oude verbond na hun dood; niet automatisch, maar dit wordt bewerkt door de gemeente van het nieuwe verbond. Wij zien opnieuw dat nooit en te nimmer de verlossing, de genezing en volmaking ‘vanzelf’ gebeuren, maar dat voor al dit geluk een weg gegaan moet worden, waarin het plan van God voorziet. Deze confrontatie van de gemeente van God met de gelovigen van alle eeuwen wordt voorgesteld als een ontmoeting tussen bruid en bruidegom. De mantel van de gerechtigheid en haar lofprijzing maken de volken tot een versierde bruid, maar ook de innerlijke mens, de ziel en de geest, moeten de volkomenheid bereiken:

  • ‘Ik verblijd mij zeer in de Heer, mijn ziel juicht in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de kleren van heil, met de mantel van gerechtigheid heeft Hij mij omhuld’ (Jes. 61:10). ‘Zoals een jongeman een meisje tot vrouw neemt, zo zullen jouw zonen (de gemeente) jou (het nieuwe Jeruzalem) ten huwelijk nemen en zoals de bruidegom zich verheugt over zijn bruid, zo zal je God (wonende in zijn gemeente) zich over jou verheugen’ (Jes.62:5).

Wij wijzen erop dat tussen Christus en zijn gemeente een verhouding is als van man en vrouw:

  • ‘Maar die zich aan de Heer hecht, is één geest met Hem’ (1 Cor.6:17). ‘Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn. Dit geheimenis is groot, maar ik spreek met het oog op Christus en op de gemeente’ (Ef.5:31,32).

Hier is echter sprake van de verhouding tussen de gelovigen van het oude verbond (bruid) tot de gemeente, waar God in woont (bruidegom). Deze bruid moet ook tot de volmaaktheid en de volle gemeenschap komen door Gods Heilige Geest, zodat God ‘alles in allen’ zal kunnen zijn. Werd eenmaal van Jezus Christus gezegd, dat Hij zich voor de gemeente, die Hij verworven had, overgaf om haar voor zich te plaatsen: stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zodat zij heilig is en onbesmet (Ef.5:26,27), zo kan nu ook van God de Vader, wonende in de gemeente, gezegd worden, dat Hij zich tot taak stelt zijn bruid, de rechtvaardigen van het oude verbond, te volmaken. Wij moeten hierbij nog opmerken dat degenen van het nieuwe verbond die zich gerechtvaardigd weten door het bloed van het kruis, maar die niet zijn gedoopt in Heilige Geest, dus geen woonplaats van God in de geestelijke wereld zijn, wel in het nieuwe Jeruzalem wonen, maar niet zijn ingevoegd in de tempel. Zij worden dus behouden op dezelfde wijze als de oudtestamentische rechtvaardigen.

‘En God zal alle tranen van hun ogen afwissen en de dood zal er niet meer zijn; ook geen rouw, jammerklacht of moeite zal er meer zijn. Want de eerste dingen zijn voorbijgegaan’ 4.

De dood en zijn satanische aanhang – die rouw, geween en lijden in mensenlevens gebracht hebben – zijn voor eeuwig in de vuurpoel en kunnen geen kwaad meer veroorzaken. Het vroegere is voorbij! De eerste dingen, dus de oude schepping die door de demonen beschadigd en onderdrukt was, zijn weggegaan. Duidelijk springt naar voren dat ziekte, pijn en lijden niet van God zijn, maar van de vijand en dat de tijdelijke dood nooit een herstel teweegbrengt en zeker geen doorgang is tot leven, laat staan tot eeuwig leven zoals de Heidelberger betoogt. Het herstel van de gerechtvaardigde mensheid gebeurt op aarde, zowel in het duizend jarige rijk voor degenen die nog niet gestorven zijn, als op de nieuwe aarde voor degenen die deel hebben aan de tweede opstanding. Bij hen die gestorven waren, vindt de geestelijke bevrijding plaats, wanneer de dood en zijn rijk in de vuurpoel geworpen worden. Zij ontvangen dan een onverderfelijk opstandingslichaam, maar in het nieuwe Jeruzalem volgt op aarde het herstel van de beschadigingen van de innerlijke mens.

Wanneer het Jeruzalem bij de opstanding op aarde komt, dus van de onzienlijke wereld, de hemel, naar de zichtbare aarde, heeft het de mantel van de gerechtigheid omgeslagen, maar uit de tranen van zijn inwoners blijkt, dat hun inwendige mens nog geheeld moet worden. De Heer bekleedt hen met de kleren van verlossing en redding, dat is met die van de genezing (Jes.61:10), waarmee ze zich ongehinderd tot volmaakten kunnen ontwikkelen: ‘Dan noemt men hen ‘Het heilige volk’, ‘Volk dat door de Heer is vrijgekocht’ en jij zult ‘Geliefde’ heten, ‘nooit verlaten stad’ (Jes.62:12).

‘En Hij Die op de troon zit, zei: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zei tegen mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en betrouwbaar’ 5.

Nogmaals horen wij de stem van Hem die op de troon zit, dat is Christus, wonende in de gemeente die als een eenheid functioneren als bruidegom ten opzichte van de bruid, het nieuwe Jeruzalem, bestaande uit de rechtvaardigen van het oude verbond en uit hen die gerechtvaardigd waren door het geloof in het bloed van Christus, maar die de Heilige Geest niet hadden ontvangen. Tot het einde toe maakt de Heer gebruik van de gemeente om de totale vernieuwing tot stand te brengen. Steeds gaat het over herstel en niet over het scheppen van nieuwe dingen. Jeruzalem moet herstellen, zodat het uiteindelijke doel bereikt zal worden, namelijk God alles in allen. Ook de laatste hoofdstukken van de Openbaring horen nog bij het herstel of de nieuwe geboorte van alle dingen. Zij spreken nog over het Lam, wiens offer de grondslag en het begin was van alle regeneratie. De ziener wordt opgewekt deze visioenen en woorden op te schrijven en deze zo te bewaren voor hen wier ogen voor deze ontwikkeling geopend zijn. De stem betuigt, dat deze woorden betrouwbaar en waar zijn, dat zij dus het plan van God nauwkeurig weergeven. In deze eindtijd zal Gods Heilige Geest in de gelovigen opnieuw betuigen, dat de visioenen van Johannes, Gods plan voor de gemeente, de mensheid en de schepping onthullen en dat zij zeker vervuld worden.

‘En Hij zei tegen mij: Het is gebeurd. Ik ben de Alpha en de Omega, het Begin en het Einde. Wie dorst heeft, zal Ik gratis te drinken geven uit de bron van het levenswater. Wie overwint, zal alles erven en Ik zal voor hem een God zijn en hij zal voor Mij een zoon zijn. Maar wat betreft de lafhartigen, ongelovigen, verfoeilijken, moordenaars, ontuchtplegers, tovenaars, afgodendienaars en alle leugenaars: hun deel is de vuurpoel die van vuur en zwavel brandt. Dit is de tweede dood’ 6-8.

Weer klinkt de stem van God in de geest tot de apostel. Zij betuigt dat alles voltooid is. De tijd breekt aan dat alles hersteld is en de eeuwen der eeuwen beginnen. God is het begin (Alpha) zowel van de oude als van de nieuwe schepping. Hij is ook de voltooier (Omega) van zijn gemaakt bestek, dat in eeuwigheid zal rijzen. Buiten het Woord van God, dat is Christus, is er vanaf het begin niets gebeurd en ook het einde is uit en door Hem. De profetie houdt zich niet bezig met wat er na dit herstel zal gebeuren. Wij weten dat de Heer met ons is tot het einde van de wereld, dat is tot de voleinding van de eeuwen. Nu herhaalt de Heer de belofte, waarover Jesaja al gesproken had, dat voor de dorstige het Levenswater zal stromen. Alleen zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, krijgen deel aan het geluk. Jezus sprak: ‘Gelukkig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.’ Hij die gelooft in God en het kwade overwint, heeft een erfdeel in het Koninkrijk van God. De gelovigen van het oude en het nieuwe verbond zullen allen hersteld worden en in de juiste verhouding tot God staan, maar ook degenen die uit het dodenrijk zijn gekomen en van nature dingen deden die overeenkomstig de wet van God waren (Rom.2:14). Zij zullen niet meer door boze geesten geïnspireerd worden, maar alleen beïnvloed worden door onze goede God. Hij zal hun God zijn, betekent: Hij zal hen inspireren, leiden door zijn Geest, zijn woorden in hun hart en mond leggen en: ‘Waar tegen hen gezegd is: Jullie zijn mijn volk niet, zullen ze kinderen van de levende God worden genoemd’ (Rom.9:26). De eerste schepping begon met Adam, die de zoon van God werd genoemd en die koning was op de aarde. De herschepping eindigt met een ontelbare menigte die allen zonen van de Allerhoogste zijn en die koningen zijn in hemel en op aarde.

Er wordt ook gewezen op de scheiding die God zal maken tussen hen en de kinderen van de satan. Allen die de ongerechtigheid hebben liefgehad ontvangen géén deel in het Koninkrijk van God. Wie dergelijke dingen doen, zullen het Koninkrijk van God niet erven (Gal.5:21). Allereerst wordt dan gesproken over lafaards of bange mensen, dat zijn zij die de strijd in de hemelse gewesten ontvluchtten en voor de boze geesten bezweken. Hun angst stelde zich tussen God en hen, zodat zij niet tot gemeenschap met de Heer konden komen. Dan volgen de ongelovigen, waar de twijfel en de gerichtheid op het natuurlijke leven, belangrijker waren dan het eeuwige geestelijk leven. De gruwelbedrijvers, moordenaars en ontuchtigen zijn zij die de demonen vrij in hun leven lieten werken bij het bewust afslachten van de onschuldige medemens, terwijl de tovenaars en afgodendienaars contact onderhielden met de geesten uit de afgrond van het dodenrijk. Als laatste groep in deze climax wordt gesproken over alle leugenaars, die geestelijk voortkwamen en rechtstreeks geïnspireerd werden door de vader van de leugen, de duivel. Onder hen zijn ook degenen die valse leringen verkondigden en de Waarheid niet hebben liefgehad. Het lot van hen eindigt in de vuurpoel. Wie niet gescheiden wil worden van de onreine geesten, gaat met deze demonen ten onder. Hij wordt overgegeven aan de concentratie van haat, leugen, onreinheid en ontbinding: dat is de tweede dood.

Het nieuwe Jeruzalem

‘En een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, vol van de zeven laatste plagen, kwam naar mij toe en hij sprak met mij en zei: Kom, ik zal u de bruid, de vrouw van het Lam, laten zien’ 9.

De engel die spreekt, is hoogstwaarschijnlijk de laatste van de zeven die de schalen met de zeven plagen hadden. Nadat deze zijn schaal uitgegoten had, klonk een stem uit de tempel van de troon: ‘Het is gebeurd’ (16:17). Dit was het teken dat Babylon en de hele antichristelijke kerk ondergegaan waren. Deze zelfde engel toont nu de voltooiing van het rijk van God en de laatste taak van de gemeente m.b.t. het herstel van de mens. Johannes ziet een tijdperk waarin de gelovigen uit de hele mensheid, wier namen geschreven waren in het Levensboek en die deel hadden aan de tweede opstanding, hun volmaaktheid bereiken. Daarna zal God ‘alles in allen zijn’. De engel zegt ‘ik wil je de bruid laten zien, de vrouw van het Lam.’ Bruid en vrouw zijn elkaar uitsluitende begrippen. Zij wijzen daarom niet op één partij, maar op twee partijen. Wij zagen al bij vers 2, dat de bruid de gelovigen van alle eeuwen voorstelt. De vrouw van het Lam is de gemeente, want tussen Christus en zijn volk is een verhouding als die van man en vrouw. Het woord Lam herinnert ons eraan, dat Jezus zijn volk als een vrouw kocht en betaalde met zijn bloed (Op.5:10). In dit visioen wordt de eenwording beschreven van de gemeente, waarin God woont, met de andere gelovigen.

‘En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en liet mij de grote stad zien, het heilige Jeruzalem, dat neerdaalde uit de hemel, bij God vandaan. Zij had de heerlijkheid van God en haar uitstraling was als een zeer kostbare edelsteen, als een kristalheldere steen jaspis’ 10,11.

Johannes zag de openbaring van de bijna voltooide stad van God in al haar glorie. Zij ligt op de berg Sion, waarvan de profeet sprak: ‘Dan zal de berg van het huis van de Heer vaststaan als de hoogste berg, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen’ (Jes.2:2). De engel voerde Johannes in geestverrukking naar deze hoge berg, een beeld van de Heilige Geest. Immers geen kracht in de hele schepping is groter en sterker dan de Heilige Geest, waarop de gemeente rust. Johannes ziet hoe dit Jeruzalem zijn volledige gestalte krijgt. Het daalde neer of werd zichtbaar vanuit de onzienlijke wereld om zich op de nieuwe aarde te manifesteren. Naar deze stad had Abraham al uitgezien. In Hebreeën 11:10 wordt in dit verband opgemerkt dat de geestelijke blik van de aartsvader werd verruimd van het zichtbare naar het onzichtbare, van de schaduw naar de werkelijkheid:

  • ‘Want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is’. Daarom beleed hij met de zijnen ‘dat zij vreemdelingen en gasten op aarde waren, want God had hen een stad bereid’.

Als tegenstelling hiermee weten wij uit de woorden van Jezus, dat de vuurpoel voor de duivel en zijn engelen bereid is. Wij zien ook uit naar het hemelse Jeruzalem, in de wetenschap dat wij de beloften hebben verkregen. Daarom zijn ook wij hier vreemdelingen en gasten, want het zoeken naar de heilige stad gaat altijd samen met het zoeken van een Koninkrijk dat niet van deze aarde is. Wij zien haar niet slechts uit de verte, maar wij zijn er toe genaderd of gekomen (Hebr.12:22). De heilige stad is beeld van een geestelijk volk van rechtvaardigen, dat gewassen en gereinigd is door het bloed van het Lam, van de gemeente van Jezus Christus, de vrouw van het Lam.

De eerste stenen van de stad die binnengebracht werden, waren de ‘heiligen’ die na de opstanding van Jezus uit hun graven gingen, dat wil zeggen vanuit het dodenrijk werden overgeplaatst in de heilige stad (Matth.27:53). Hierbij moet worden opgemerkt dat de Nieuwe Vertaling abusievelijk het voegwoord ‘waar’ heeft ingevoegd, terwijl er staat: ‘zij gingen uit de graven na zijn opstanding en kwamen in de heilige stad en zijn (net als hun Heer) aan velen verschenen hier op aarde.’ Vanaf de opstanding van Jezus gaan allen die opnieuw geboren zijn, niet meer naar het dodenrijk, maar naar de heilige stad. Bij de nieuwe geboorte wordt geen natuurlijk lichaam voortgebracht, maar een geestelijk. Dit geestelijk lichaam wordt als levende steen ingebracht in het nieuwe Jeruzalem. Als nieuw geborene hoort men nog bij de bruid, maar door de vervulling met Heilige Geest krijgt men gemeenschap met Jezus Christus. Dan is er sprake van ‘de vrouw van het Lam’. Vandaar dat de apostel aan allen die tot de stad van God behoren, schreef: ‘En laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen’ (1 Petr.2:5). Door de doop in Heilige Geest en door de vervulling met deze Geest gaat men horen bij dat gedeelte van de stad, dat door de naam ‘tempel van God’ wordt aangeduid. Daarom is het noodzakelijk dat de ‘bruid van het Lam’ ook ‘vrouw van het Lam’ wordt. Tot de opnieuw geboren broers en zusters te Rome schreef Paulus: ‘Als iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe’ (Rom.8:9). De stad behoort aan God toe, want zij bestaat uit volmaakt rechtvaardigen, die door Jezus voor God zijn gekocht met zijn bloed.

De opdracht van Jezus is een tempel te bouwen, waarin Vader en Zoon woning hebben gemaakt: ‘Zijn huis zijn wij, als wij vervuld zijn met Heilige Geest’ (Hebr.3:6). De nieuwe geboorte moet dus gevolgd worden door de doop in Heilige Geest en deze doop is weer de grondslag voor een waardige wandel in de hemelse gewesten. Er staat in de Statenvertaling in Efeziërs 1:13: ‘In Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met de Heilige Geest der belofte’. De volgorde is dus: ‘Bekeert u en ieder van u laat zich dopen en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen’ (Hand.2:38). Bij het dopen van de gelovigen te Samaria bleek duidelijk, dat dezen de Heilige Geest nog niet hadden ontvangen (Hand.8:16). Deze Samaritanen waren dus levende stenen in de stad van God, die nog klaargemaakt moesten worden voor en ingevoegd worden in de tempel van God.

De vraag rijst waaraan Johannes de neerdalende heilige stad als het hemelse Jeruzalem herkende. Vanwaar deze naam? Het is wel duidelijk dat niet het aardse Jeruzalem in de eerste plaats het beeld is, maar het hemelse, namelijk van de bijna voltooide bruid van het Lam. Maar wat bewoog de ziener ertoe deze hemelstad de naam Jeruzalem te geven? De apostel had natuurlijk het aardse Jeruzalem vanaf de Olijfberg komende, vaak vanuit het oosten gezien. De oostelijke muur van de stad moet wel een majestueuze indruk hebben gemaakt op allen die óf op de Olijfberg staande óf zich in het Kedrondal bevindend, dit zagen. Wij merken hierbij op dat deze muur aan de oostzijde ook tempelmuur was. Het heiligdom lag op de berg Sion die ook wel Moria genoemd werd. Dit is een zogenaamde tafelberg, dat wil zeggen dat hij van boven vlak is, dus een plateau vormt. Hierop stond de tempel die omringd was door een reusachtig groot plein, dat voorhof van de heidenen heette. Door koning Herodes werd het plein van de oude tempel bijna tweemaal zo groot gemaakt. Hij deed dit door onder andere de oostzijde uit te breiden. Hij bracht daarvoor op de oostelijke helling van de berg een fundering aan, die aan de zuidkant zelfs tot vijftig meter hoogte werd opgetrokken. De steenblokken die hij ervoor liet gebruiken waren ruim één meter lang, één meter breed en bijna twee meter hoog. Er zijn zelfs stenen bij die een lengte van meer dan tien meter hebben. Zo lagen er in sommige gedeelten van de berghelling wel vijfentwintig steenlagen op elkaar. Hoe hoger dit fundament werd opgetrokken, hoe groter natuurlijk de oppervlakte van de steenlagen werd. Wij zouden kunnen spreken van 25 fundamenten, wat uit proefopgravingen van archeologen in 1867-1868 is komen vast te staan (de gegevens zijn ontleend aan ‘De tempel van Jeruzalem’ door de archeoloog André Parrot).

Deze fundamenten liggen nu onder het puin bedolven. Begrijpelijk waren de bewonderende uitroepen van de leerlingen: ‘Meester, kijk eens, wat een enorme stenen’ (Marc.13:1). Het unieke van Jeruzalem was dus dat men aan de oostzijde van deze stad niet alleen de muur zag, maar vooral de kolossale fundamenten kon tellen. Op sommige plaatsen waren dus de gezamenlijke steenlagen bijna vijftig meter hoog, terwijl de muur erop de normale hoogte van ongeveer zeven meter had. In waarheid dus een stad met fundamenten! De lengte van de oostelijke muur die ook tempelmuur was, bedroeg ongeveer 460 meter. Wie boven op deze muur stond, op ‘de rand van de tempel’ bevond zich circa negentig meter boven het Kedrondal. Volgens Flavius Josephus kreeg men hier gemakkelijk hoogtevrees.

Tegenwoordig is het tempelplein ongeveer honderdvijfenveertigduizend vierkante meter. Tegen de oostelijke muur was nog aan de binnenzijde de zuilengalerij van Salomo, waar men in de winter beschutting vond tegen de kou (Joh.10:23). Wie dus vanaf de Olijfberg naar de stad keek, zag de stads- of tempelmuur duidelijk zichtbaar op zijn formidabele fundamenten verrijzen. Johannes ziet hoe de heerlijkheid van God aan deze stad haar glans verleent, want de heerlijkheid van God is de gemeente, waarin Hij woont. Jezus sprak tot de Vader: ‘En de heerlijkheid, die U Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, zoals Wij één zijn’ (Joh.17:22). De gemeente is de luister van God en haar glans verlicht de hele stad, die straalt als een zeer kostbaar gesteente. Haar schittering en flonkering is als die van de kristalheldere diamant. Alles wat zich in haar openbaart is heerlijk en kostbaar, rein en prachtig. Zoals een juweel het licht opvangt, weerkaatst en nog mooier doet uitkomen, zo weerspiegelt en verspreidt de stad de heiligheid en heerlijkheid van de Heer.

‘Zij had een grote en hoge muur met twaalf poorten en bij die poorten twaalf engelen. Ook waren er namen op geschreven, namelijk van de twaalf stammen van de Israëlieten. Drie poorten op het oosten, drie poorten op het noorden, drie poorten op het zuiden en drie poorten op het westen. En de muur van de stad had twaalf fundamenten met daarop de twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam’ 12-14.

Bij de beschrijving van het hemelse Jeruzalem mogen wij niet vergeten dat deze stad beeld is van een geestelijke realiteit. Wij moeten daarom niet proberen de symboliek als stoffelijke werkelijkheid voor te stellen. Wij zouden kunnen zeggen dat de hemelstad een gelijkenis is van het Koninkrijk van God: het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een enorme, schitterende stad op een zeer hoge berg. De Herschepper bouwt zijn stad in de onzienlijke wereld niet uit goud en edelstenen, maar uit levende stenen, die samen worden gevoegd en waarmee de tempelmuur eerst wordt opgebouwd en daarna de stad zelf. Aangezien er geen tempel in het nieuwe Jeruzalem gevonden wordt, is er alleen sprake van een tempelmuur, rustend op twaalf fundamenten. Was bij het oude Jeruzalem de tempelmuur slechts een gedeelte van de stadsmuur, nu is de hele muur tempelmuur en daardoor is de heilige stad tempelstad geworden. Deze symbolische plaats is opgebouwd uit de geestelijke lichamen van mensen, waarin de Geest van God woont, verbonden met ziel en geest. Daarom is er sprake van ‘Levende stenen’. Jezus sprak in Johannes 14:2 over het huis van zijn Vader met veel kamers. Hij bedoelde hiermee dat de gelovigen de kamers vormen, waarin de Vader zijn intrek heeft genomen. Door zijn lijden en sterven heeft onze Heer het mogelijk gemaakt, dat in de ‘kamers’ van de gerechtvaardigden, plaats werd bereid voor Gods Geest. Daarom is het nieuwe Jeruzalem alléén de stad van de grote Koning. De majestueuze muur wijst op een afgesloten geheel en op een voltooid plan.

Eerder zag de apostel de ondergang van Babylon, beeld van de gedegenereerde kerk. Nu ziet hij de laatste fase van de voltooiing van de heilige stad. Zoals onder de muur van het aardse Jeruzalem zich veel zichtbare fundamenten bevonden, zo is ook in de geestelijke stad van God de onderbouw van de muur duidelijk herkenbaar. De twaalf lagen waaruit het fundament bestaat, dragen als waarmerk de namen van de twaalf apostelen, omdat op hun leer de gemeente van Jezus Christus, voorgesteld door de tempelmuur, werd gebouwd. Hun namen vertegenwoordigen dan weer de talrijke fundamentenleggers, die door de eeuwen heen hun werk hebben voortgezet, zoals de apostelen de leer van Jezus hadden overgenomen. De veelkleurige wijsheid van God werd van het begin geopenbaard in de keuze van de twaalf apostelen, op wier leer en leven de gemeente zou worden gebouwd. Zij waren het die bij Jezus bleven in al zijn verdrukkingen. Ook de ziener van de Openbaring hoorde bij hen. Ook de poorten van de stad horen bij de allegorie of uitgewerkte beeldspraak, waarmee Johannes het resultaat van het eeuwige plan van God tot herstel en vernieuwing van de mensheid uitbeeldt. De poorten zijn de toegangen waardoor het Israël van God de stad binnengaat. Het spreekt vanzelf dat iedere bewoner van Jeruzalem een Israëliet wordt genoemd. Dit geestelijk Israël komt uit alle volken, want zij zullen komen van oost en west en van noord en zuid en zullen aanliggen in het koninkrijk van God. Op iedere poort staat de naam van een stam, zoals op ieder fundament de naam van een apostel staat, die uit Israël afkomstig was.

De naamplaat op de poort duidt aan, dat binnen de stadsmuur het geestelijk Israël woont. Er is nu geen sprake van een uitverkoren groepering ‘uit’ de stammen van Israël, dus van de 144.000 die de muur vormen, maar van ‘alle’ stammen van de kinderen van Israël. Het nieuwe Jeruzalem is een vol-joodse stad, immers: ‘Niet hij is een jood, die het uiterlijk is, maar hij is een jood, die het in het verborgen is!’ Paulus schreef aan de heidense Galaten, dat het tegenwoordige, aardse Jeruzalem een stad van geestelijke slavernij is. Haar inwoners hebben immers geweigerd te erkennen wat tot hun vrede dient en zij lieten zich niet vrijmaken door het evangelie van de waarheid van het Koninkrijk der hemelen. God heeft nooit eer met dit volk ingelegd. Het hemelse Jeruzalem is echter vrij; en dat is onze moeder. Deze stad is geen toekomstige zaak, maar zij is nu al de plaats van alle opnieuw geborenen. Zij is onze moeder, omdat uit haar de ingeschreven wet van God uitgaat en de onderwijzing door Gods Heilige Geest. Van het nieuwe Jeruzalem wordt gezegd:

  • ‘Boven alle steden van Jacob heeft de Heer de poorten van Sion lief, zijn vesting op de heilige bergen. Van u wordt met lof gesproken, stad van God. Ik noem Rahab en Babel mijn getrouwen. Filistéa, Tyrus en Nubië zijn alle hier geboren. Met recht kan men van Sion zeggen: Welk volk ook, het is hier geboren, de Allerhoogste houdt Sion in stand. Bij de namen van de volken schrijft de Heer: Dit volk is hier geboren. En dansend zingen zij: Mijn bronnen zijn alleen in u’ (Ps.87).

Het nieuwe Jeruzalem is de stad van de volken. Toch dragen alle inwoners de naam van Sions kinderen, want de Heer God heeft beloofd dat Hij nooit de naam van Israël zal uitwissen onder de volken. Het geestelijk zaad van Abraham is Christus met allen die in Hem zijn. Daarom zijn wij trots op de naam Israëliet! Wij weten ons immers troonpretendenten, dus Israëlieten of vorsten van God! De poort is een onderdeel van de muur. Op de poorten zijn twaalf engelen. De getallen twaalf, twaalfduizend en honderdvierenveertigduizend staan steeds in verband met het geestelijk Israël. De ‘muur’-engelen of engelen van de gemeenten zijn de poortwachters die door de Heer speciaal zijn aangesteld:

  • ‘Jeruzalem, Ik heb wachters op je muren gezet die nooit zullen zwijgen, dag noch nacht. Jullie die een beroep doen op de Heer, gun jezelf geen rust en gun Hem evenmin rust, totdat Hij Jeruzalem weer heeft gegrondvest en haar roem op aarde heeft bevestigd’ (Jes.62:6,7).

De engelen van de gemeenten die zich op de poorten bevinden, maken de Heer er voortdurend op attent, dat de stad voltooid moet worden. Zij verheugen zich over iedere rechtvaardige die deze stad binnentrekt. Wie na zijn nieuwe geboorte de poort binnengaat, komt binnen de bescherming van de muur, dat is van de gemeente. Deze hoge muur dient hier niet meer tot bescherming naar buiten, want: ‘Van geweld in je land wordt niets meer vernomen, noch van verwoesting en rampspoed binnen je grenzen. Je zult je muren Redding noemen en je poorten Lof’ (Jes.60:18). Binnen de muren vindt het herstel plaats en wordt het eeuwig evangelie door Gods zonen verkondigd tot heil of heling, want om een ander beeld te gebruiken: ‘de bladeren van het levensgeboomte, de gemeente, zijn tot genezing van de volken.’