De heilige stad – Er zal geen nacht meer zijn

Openbaring 21:15-27

‘En hij die met mij sprak, had een gouden meetlat om de stad op te meten en haar poorten en haar muur. En de stad lag daar als een vierkant, haar lengte was even groot als haar breedte. En hij mat de stad met de meetlat op: twaalfduizend stadiën. Haar lengte, breedte en hoogte waren gelijk. En hij mat haar muur op: honderdvierenveertig el, een mensenmaat, die ook de maat van een engel is. En het bouwmateriaal van de muur was diamant’ 15-18a.

De muur van de heilige stad

De muur vormt een wezenlijk geheel met de heilige stad en is van haar niet te scheiden, maar wel te onderscheiden. De kostbare diamanten waaruit hij opgebouwd is, zijn ook hier weer ‘levende stenen’, waarin het geestelijk leven zich openbaart. Deze stadsmuur stelt de volmaakte gemeente van Jezus Christus voor, die naar alle kanten licht uitstraalt, want het leven is het licht van de mensen. Zijn hemelse glans wordt vergeleken met een zeer kostbaar, gesteente. Laten wij niet vergeten dat wij met beelden te maken hebben, net als het paradijs van God met het levensgeboomte een symbolische voorstelling is. De hemelse realiteiten worden naar hun aard op deze wijze in gelijkenissen weergegeven. De mens van God, die de volle maat van de volwassenheid bereikt heeft, is Jezus Christus. Hij is dan ook de gouden meetstok en de grootte van iedere steen wordt naar zijn beeld bepaald. Een volledig tot volmaaktheid gekomen steen heeft ’tot de maat van de grootte van de volheid van Christus’ (Ef.4:13). Ieder mens van God zal moeten komen tot de mannelijke volwassenheid en net als de apostel Paulus zich moeten uitstrekken en jagen naar dit doel: ‘de hemelse prijs waartoe God mij door Christus Jezus roept’  (Fill.3:14).

In de muur van de stad zijn ‘de levende stenen’ niet alleen volmaakt, dit wil zeggen bevrijd en genezen, maar ook tot geestelijke volwassenheid gekomen, dus aan het beeld van Jezus Christus gelijkvormig. Met de gouden meetstok wordt de muur gemeten. Zij wordt mensenmaat genoemd, want zij is de maat van de volkomen mens, Jezus Christus. ‘Die engelenmaat is’, wordt ook vertaald met ‘dat is de maat van de engel’, dit wil zeggen het is de gouden meetstok Jezus Christus, die de engel gebruikt om de muur te meten. Naar het gemaakte bestek is iedere edelsteen ingevoegd, zodat het geheel van de stadsmuur volkomen is, een vierkant, even lang als breed. Hieruit blijkt de wijsheid en het kunstenaarschap van de Bouwmeester, die door de eeuwen heen mensen verzamelde, ze toebereidde en een plaats en taak gaf om in het einde van de tijden door en met hen het bouwwerk te voltooien.

Het nieuwe Jeruzalem is dus een levende stad, opgebouwd uit levende stenen, waar God, die geest is, woont. Het is dwaasheid zich een stad in de zichtbare wereld voor te stellen, die ruim tweeduizend kilometer lang en breed zou zijn en zou liggen tegen de helling van een berg of op een berg, die zich tweeduizend kilometer boven de aarde verheft. Zo’n enorm hoge en omvangrijke berg, die meer dan 226 maal de hoogte van de Mount Everest bereiken zou, is op aarde ondenkbaar en ook onbewoonbaar. Het grondplan van de stad is dus een vierkant. Dit was merkwaardigerwijs ook het geval met het oude Babylon, de tegenhanger van het nieuwe Jeruzalem. Bij de Grieken was het kwadraat het symbool van volmaaktheid. Door de enorme hoogte van deze bergstad verbindt zij als het ware de hemel en de aarde. Wat de gevallen mens in Babylon door bruut geweld van occultisme probeerde te forceren, wordt hier aan de kinderen van God geschonken, namelijk een stad waarvan de top in de hemel reikt. In het nieuwe Jeruzalem ontmoeten ook nu al de engelen de verlosten, want wanneer één zondaar zich bekeert en door de poort binnengaat, verheugen zich de hemelingen.

Volgens de voorstelling van de profeet Jesaja zullen de volken deze stad niet meer bestrijden en beoorlogen, maar zij zullen optrekken naar haar licht en koningen naar haar stralenglans. De muur bestaat uit samengevoegde levende diamanten. Men kan ook vertalen: van jaspissteen, helder als kristal. Zoals in de natuur deze edelstenen onder grote druk en hitte werden gevormd, zo kwamen de ‘144.000’ uit de hitte van de strijd in de hemelse gewesten en uit veel verdrukkingen. Zij werden als diamanten kunstig geslepen, zodat zij een heerlijke flonkering zouden verkrijgen. Ze werden doorzichtig als glas, kristalhelder, ondoordringbaar en schitterend. Elk van deze wonderbare miljoenen juwelen is beeld van een ware gelovige, die op zijn eigen manier de heerlijkheid van God die in hem is, doet schijnen. Zo weerspiegelt deze muur de heiligheid en glorie van de Vader.

Alles wat de muur openbaart is heerlijk, kostbaar, rein en schoon. Zij verlicht de hele vernieuwde aarde. De volken trekken er naartoe, gelokt door dit licht. Hier is het beeld van de uitverkorenen, van de gemeente van Jezus Christus, zijn lichaam: stralend, zonder vlek en rimpel en lichtgevend als kristalhelder edelgesteente. De muur vertegenwoordigt Gods zonen, de menigte van overwinnaars, die gezegevierd hebben over de boze geesten, ‘zoals ook Hij heeft overwonnen’. Deze muur is als eerste voltooid, omdat noch in het duizendjarige rijk, noch op de nieuwe aarde, meer gestreden hoeft te worden tegen de legers van de satan en er dus geen overwinnaars meer worden opgeleid. Hun getal is na de slag van Armageddon vol. In de strijd tegen Gog en Magog verslinden de vijanden elkaar.

De muur die rondom de hoog gelegen stad gebouwd is, heeft een hoogte van honderdvierenveertig el (ongeveer 75 meter). Hij dient niet tot verdediging van de stad, maar om haar af te grenzen van het land. Deze hoogte herinnert ons opnieuw aan de honderdvierenveertigduizend verzegelden ‘uit alle stammen van de kinderen van Israël’, die ook op een hoge berg stonden (7:4 en 14:1). Iedere stam uit het wereldwijde geestelijk Israël brengt een geselecteerde menigte overwinnaars voort, die het Lam volgen waar Hij ook heen gaat. Op hun voorhoofden zijn de namen van het Lam en van de hemelse Vader geschreven. Zij denken dus volmaakt naar het plan en de gedachten van God. Zij komen het eerst tot volmaaktheid en zij zijn de herstellers in de nieuwe schepping. Wij denken hierbij ook aan een beeld uit het oude verbond: in het tijdperk van de schaduwen bouwde Nehemia eerst de muur van Jeruzalem, terwijl er nog geen huizen waren (Neh.7:1,4). De belofte uit Openbaring 3:12 wordt vervuld:

  • ‘Wie overwint maak Ik tot een zuil in de tempel van mijn God. Daar zal hij voor altijd blijven staan. Ik zal op hem de naam schrijven van mijn God en van de stad van mijn God, het nieuwe Jeruzalem dat bij mijn God vandaan uit de hemel zal neerdalen en ook mijn eigen nieuwe Naam.’

De kleurrijkdom van 12 edelstenen

‘en de stad was zuiver goud, gelijk aan zuiver glas. En de fundamenten van de muur van de stad waren met allerlei edelgesteente versierd. Het eerste fundament was jaspis, het tweede saffier, het derde chalcedon, het vierde smaragd, het vijfde onyx, het zesde sardius, het zevende chrysoliet, het achtste beril, het negende topaas, het tiende chrysopraas, het elfde hyacint, het twaalfde amethist. En de twaalf poorten waren twaalf parels. Elke poort apart bestond uit één parel en de straat van de stad was zuiver goud, als doorzichtig glas’ 18b-21.

In het nieuwe Jeruzalem hebben de apostelen nu, ieder naar zijn aard, een kostbare ereplaats. Hun eenheid en verscheidenheid wordt gesymboliseerd in de kleurrijkdom van twaalf edelstenen: de veelkleurige fonkelende diamant, de doorzichtige blauwe lazuursteen, de rode robijn, de groene smaragd, de witachtige gestreepte en geaderde sardonyx, de bruinachtig rood gekleurde sardis, de wijnrode of honinggele topaas, de zeegroene beril, de goudgroene chrysoliet, de geelgroene chrysopraas, de hemelsblauwe saffier en de violetkleurige amethist. Deze twaalf edelstenen komen over het algemeen overeen met die welke het borstschild van de hogepriester sierden en waarop de namen van de twaalf stammen stonden gegraveerd (Ex.28:17-21; 39:10-13). Ook bij de namen van de twaalf apostelen springt duidelijk de symboliek naar voren. Onder hen zijn immers mannen, die verder volkomen onbekend zijn gebleven en die geen geschriften hebben nagelaten waarop de ware gemeente werd gebouwd. De Heer beschouwde hen echter als een eenheid in de onzienlijke wereld. Het is daarom niet van belang of de naam van Paulus of die van Matthias wordt vermeld; ook niet of de namen van Stéfanus of Jacobus, de broer van de Heer, in de eerste gemeente meer naar voren kwamen dan die van Simon de Zeloot of Thaddeüs. Het gaat erom dat het twaalfdelige fundament overeenkomt met de leer die Jezus het allereerst aan zijn twaalf apostelen toevertrouwde en die door dezen weer op betrouwbare wijze werd doorgegeven. Laten wij daarbij niet vergeten, dat we hier te maken hebben met de leer van het Koninkrijk der hemelen, een boodschap die in hen heerlijke realiteit is geworden.

Wanneer fundamentalistische uitleggers het fundament en de muur weigeren te vergeestelijken, maar ze in de natuurlijke wereld projecteren, moeten zij zich welbewust zijn, dat een hoeveelheid edelstenen, waarmee een vierkant fundament met een muur van ruim achtduizend kilometer gelegd kan worden, op aarde niet te vinden is. Men gaat dan van de veronderstelling uit, dat God deze benodigde edelstenen dan wel zal scheppen! Trouwens ook parels van zo’n grootte, die als poorten in de reusachtige muur staan, zijn onbekend op deze aarde en worden zeker niet in de schelp van enig pareloester gevonden. Men gaat dan van de gedachte uit, dat dit nieuwe dingen zijn die God maakt, maar de Heer maakt wel alle dingen nieuw, maar schept geen nieuwe dingen! Er wordt gesproken over de straat van de stad. In andere vertalingen wordt het Griekse woord ‘plateia’ weergegeven door ‘plein’. In het beeld lijkt ons die overzetting beter, omdat wij ons moeilijk een stad kunnen voorstellen met twaalf poorten en slechts één hoofdstraat, maar wel een plein zoals in het oude Jeruzalem, waarop zich daar de tempel bevond. Heel duidelijk ziet Johannes dat het geestelijk centrum van de heilige stad, waar hij dus eigenlijk een tempel verwachten kon, bestaat uit een plein van zuiver goud, gelijk aan zuiver glas, symbolen van de heiligheid, gerechtigheid en grote heerlijkheid van haar bestrating of plaveisel, dus van haar stenen! De rechtvaardigen binnen de muren van de stad komen dus niet tot de straling van de muur, waarin God in het bijzonder woont.

‘Ik zag geen tempel in haar, want de Heer, de almachtige God, is haar tempel en het Lam. En de stad heeft de zon en de maan niet nodig om haar te beschijnen, want de heerlijkheid van God verlicht haar en het Lam is haar lamp’ 22,23.

Eerst zag Johannes het nieuwe Jeruzalem van de buitenkant: het fundament, de muur en de poorten. Nu ziet de apostel de inwendige structuur. Het aardse Jeruzalem dat Johannes zo goed kende, had op het plein van de stad een tempel staan, maar deze ontbreekt in de hemelstad. In plaats van de tempel zijn nu de stenen van de tempelmuur bron van licht en leven. In de noordoosthoek van de stad is er geen tempel meer, want wat moet de heilige stad doen met een voorhof van heidenen, met een voorhof voor vrouwen, met een voorhof van Israëlieten, wanneer allen bij het geestelijk Israël horen? Wat met een voorhof voor priesters als allen gedoopt en vervuld zijn met Heilige Geest? Er is ook geen voorhof van God, het heilige en het heilige der heiligen meer nodig, want het voorhangsel was al eeuwen lang niet meer aanwezig en God woont nu zelf in het midden van zijn volk, want in de slotfase van het herstel zijn allen vervuld met Zijn Geest, hoewel ze niet allen tot de overwinnaars mogen worden gerekend. Het nieuwe Jeruzalem is nu de stad van de grote Koning, omdat zij tempelstad is.

Voor het aardse Jeruzalem gold: ‘Zie, uw huis wordt u prijs gegeven’ (Matth.23:38). Daarom woont God niet meer in deze onheilige stad en Hij zal er ook nooit meer wonen. Om weer een nieuw beeld te gebruiken, dat wij echter al kennen uit de woorden van Jezus in de Bergrede: God woont in de lamp. Hij verlicht deze door zijn Heilige Geest. De lamp is het Lam, verbonden met zijn lichaam, de gemeente. Deze lamp wordt ook wel het ‘Woord van God’ genoemd en hierin is de heerlijkheid van de Almachtige geopenbaard. In de lamp, dus in het Lam met zijn gemeente, woont de Schepper van hemel en aarde, die alles bestuurt en leidt. Uit de lamp straalt zo’n helder licht en zoveel heerlijkheid, dat de hele stad geen duistere plek kent. Zoals een lamp het licht verspreidt, zo straalt vanuit de gemeente, Gods glorie over allen die de stad binnengaan. Voor de gemeente wordt het woord ‘Lam’ gebruikt, omdat Jezus haar met zijn bloed voor God heeft gekocht en zij als vrouw van het Lam een eenheid met Hem is.

‘De volken wandelen bij haar licht en de koningen van de aarde brengen haar hun rijkdom’ 24.

In dit vers, alsmede in vers 26 en 22:2 is er sprake van volken die nog buiten de godsstad verblijven. Zij kwamen vanuit het dodenrijk op de vernieuwde aarde na het laatste oordeel. Zij zijn de rechtvaardigen van alle eeuwen, die het evangelie van Jezus Christus niet kenden en geen weet hadden van de onzienlijke wereld, maar die hongerden en dorstten naar de gerechtigheid. Tot hen hoorden die heidenen die de wet niet kenden, maar van nature deden wat de wet gebiedt, omdat het werk van de wet nog in hun harten was geschreven. Zij hoorden bij de zuchtende schepping die nooit tot ontplooiing kon komen vanwege de onderdrukking van de vijand. Wij denken aan de vele rechtvaardigen die zelfs in hun dood een schuilplaats hadden gevonden (Spr.14:32). Wij noemen bijvoorbeeld de rechtvaardige Lot, die zwaar te lijden had onder de losbandige wandel van de zedelozen in zijn dagen (2 Petr.2:7,8). Wij denken ook aan Ebed-Melech, de Ethiopiër, en aan mannen als de barmhartige Samaritaan en vrouwen als Sifra en Pua, die ter wille van het volk van de Heer hun leven waagden (Ex.1:15). Ook denken wij aan jong gestorven kinderen die nog geen onderscheid kenden tussen hun rechter- en linkerhand en dus zeker niet tussen goed en kwaad. Verder aan de vele beschadigden die nooit tot geestelijke ontplooiing konden komen. Deze allen zijn zonder geestelijk lichaam uit het dodenrijk gekomen en daarna door Gods zonen bekend gemaakt met de verzoening door Jezus Christus en met het eeuwig evangelie. Hierdoor worden zij vernieuwd in hun denken en ontvangen zij door deze nieuwe geboorte een geestelijk lichaam. Al deze volken moeten nog de poorten van het nieuwe Jeruzalem binnengaan, wandelend bij het licht van de gemeente en genezen wordend door de bladeren van het levensgeboomte.

Wanneer de demonen van de duisternis vanuit het dodenrijk in de vuurpoel zijn geworpen met allen die de duisternis liever hadden dan het licht, begint deze laatste fase van het herstel van alle dingen. Miljarden die eenmaal overweldigd, misleid en beschadigd waren, komen vanuit de levenszijde van de onoverkomelijke kloof in de Hades, op de herstelde aarde. Ze zijn dan wel van al hun vijanden verlost, maar nog innerlijk gehandicapt en onontwikkeld. Zij hadden het goede gewild en zoveel mogelijk gedaan, maar konden zich niet verheffen tot in de hemelse gewesten. Dikwijls deden zij dingen die zij zelf niet wilden en de weg tot verlossing en ontkoming was hun onbekend. Zij kenden geen strijd tegen de boze geesten en konden dus ook geen overwinningen boeken. De besten onder hen worden aangeduid als ‘koningen van de aarde’. In hun leven was nog iets te herkennen geweest van de heerlijkheid van Gods beeld en Zijn gelijkenis. Heel de zuchtende schepping die buiten haar schuld en tegen haar wil onderworpen was aan de machten van zonde, ziekte en dood, zal op de nieuwe aarde hersteld worden door Gods zonen naar wie ze onbewust had uitgezien. Ook zij allen moeten de ontwikkelingsgang meemaken naar de totale genezing en vervulling met Gods Geest, zodat ook voor hen zal gelden, dat God alles is in allen. Van deze koningen van de aarde wordt meegedeeld dat hun namen stonden geschreven in het Levensboek, hoewel niet in het Levensboek van het Lam. Allen mogen binnentrekken: ‘Zij mogen met een lofgewaad, Gods poorten binnengaan. Jezus heeft hen vrijgekocht, de schuld is weggedaan’.

Er zal geen nacht meer zijn

‘En haar poorten zullen overdag nooit gesloten worden, want daar zal geen nacht zijn. En zij zullen de heerlijkheid en de eer van de naties daarin brengen’ 25,26.

Het beeld stelt voor dat de koningen van de aarde buiten de gemeentemuur zijn en nog binnen moeten komen. Hoe meer gerechtigheid ze bezitten, hoe groter hun heerlijkheid, eer en luister is, zoals ook de ene ster in schittering verschilt met de andere. Deze rechtvaardigen hebben nu ieder hun eigen plaats in de godsstad met een eigen heerlijkheid. Tijdens hun leven op aarde bereikten zij niet de volkomenheid, omdat zij niet gedoopt waren in Heilige Geest. Zij gingen daarom beschadigd in, maar nu bewandelen zij de weg van de volmaaktheid bij het licht van God, dat uit de gemeente van het nieuwe verbond straalt: ‘zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen’ (Hebr.11:40). Wat een opdracht heeft de Heer aan zijn gemeente geschonken. Zij overspant deze eeuw en de toekomende! Ze zijn dus in de stad van God als levende stenen en woningen, die door het licht van de lamp hun glans ontvangen. Het nieuwe Jeruzalem is een open stad, dit wil zeggen dat er nooit gevaar dreigt. De nacht is verdwenen en met haar iedere geestelijke duisternis. Het gaat hier over het sluiten van de poorten in verband met een beveiliging tegen het kwaad, dat vooral in de nacht dreigt. Het nieuwe Jeruzalem hoeft deze voorzorgsmaatregel niet meer te nemen. In de stad zullen er mensen van ieder volk, taal en tong zijn en wel diegenen die de heerlijkheid en de glorie van hun land vormen. Zij waren niet de heersers op aarde, maar vertegenwoordigden het zout van de aarde. Wanneer er in Sodom tien rechtvaardigen geweest waren, zou de Heer vanwege hen de stad niet omgekeerd hebben. Omdat dezen gemist werden, was deze stad zonder waarde en heerlijkheid, dus eerloos.

‘Alles wat onrein is, zal er niet inkomen en ook niemand die zich bezighoudt met gruwelen en leugens, maar alleen zij die geschreven zijn in het levensboek van het Lam’ 27.

Geen macht van de duisternis zal in het nieuwe Jeruzalem zijn en geen onrechtvaardige, onreine of gruwelijke zal er binnenkomen. Alleen zij die in God geloofd hebben, Hem gediend hebben en wie de ongerechtigheid niet toegerekend werd, zullen door de poorten binnengaan. Hun namen zijn geschreven in het Levensboek van het Lam, dat de zonde van de hele mensheid vanaf Adam droeg. Aan het einde van dit hoofdstuk gaan wij terug naar de grote rede die Jezus hield als inleiding tot zijn evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Toen Hij op de berg zat, sprak Hij tot zijn volgelingen:

  • ‘Jullie zijn het licht van de wereld. Een stad, die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. Ook steekt men geen lamp aan en zet haar onder de tafel, maar op de standaard en zij schijnt voor allen, die in huis zijn’.

De Heer richtte Zich tot hen die zijn woord hoorden en dit bewaarden. Ook wij willen in deze laatste dagen bij deze categorie horen. Wij weten dat het waarachtige leven dat Hij ons heeft geschonken, het licht van de mensen is. Wanneer verspreiden wij dit licht? Als wij door de kennis en de kracht van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen verlost zijn van de machten van de duisternis en van onze wonden genezen, leven als vernieuwde mensen. God hééft naar ons omgezien en hééft verlossing teweeg gebracht. Wij mogen Hem nu, uit de hand van onze vijanden verlost, al onze dagen zonder vrees dienen in heiligheid en gerechtigheid. God zoekt lichtdragers die een blij leven kennen en die dit in zich hebben.

Vroeger sprak men tot ons over God als over een wraakgierige, die zelfs verbonden was met de duisternis. De ark stond immers in de donkerheid van de tempel, want Gods tegenwoordigheid was verborgen en onbekend. Wij hebben God nu leren kennen als de hersteller van het leven, die over ons zijn zon doet opgaan. Een leerling van Jezus zijn betekent een lichtdrager worden. De Heer verheft zijn volk en schenkt het hemels licht. In hen functioneert het eeuwige leven, want het kwaliteitsleven is in de rechtvaardige verborgen en wordt in deze wereld door hem geopenbaard. Ook ziet de Heer dan al deze lichtdragers bij elkaar en Hij spreekt van een stad op een berg, een verheven plaats, een lichtoord. Wanneer wij op zo’n hoog niveau verkeren, kunnen wij niet verborgen blijven. Wij springen eruit. Het beeld van de bergbeklimmer is ons daarom lief. Het spreekt ons ten zeerste aan, want op de top van die berg zal de voltooide lichtstad geopenbaard worden. Zij blijft niet verborgen, ook al heeft zij geen media tot haar beschikking.

Het evangelie van de heerlijkheid van God gaat door, want zijn Geest zal de wereld overtuigen van zonde, van gerechtigheid en van oordeel. De Meester zal verheerlijkt worden in al zijn heiligen en met verbazing gezien worden in allen die tot geloof gekomen zijn in de boodschap die Hijzelf op de straten en pleinen van steden en dorpen leerde, namelijk het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Ons exclusief reclamemiddel is het levenslicht dat wij uitstralen en de hoge weg die wij gaan. Wij hebben geen zenuwachtige haast om geforceerd het doel te bereiken, we hoeven niets met geweld door te duwen, maar laten ons ook door geen omstandigheid en demonenlegers ophouden. Wat wij in de natuurlijke wereld nodig hebben, wordt ons toegeworpen en als de Heer zal vragen: ‘Heeft het je aan iets ontbroken op deze verheven weg?’, zullen wij antwoorden: ‘Nee, Meester!’ Ieder van ons is een lamp en er moet licht van ons uitstralen, als wij het leven in onszelf hebben. Dit licht mag niet verborgen blijven. Wij hebben immers deel aan de goddelijke natuur, aan het positieve leven.

Onze Heer zegt: ‘Jullie zijn het licht van de wereld! Jullie zijn het licht in de kosmos! Hij accentueert hierbij het voornaamwoord ‘jullie’ en sluit verder alles en allen uit. De wereld spreekt over de eeuw van de verlichting, over lichtsteden, over moderne cultuur, wetenschappelijke kennis, een absolute, totalitaire politieke correctheid, een alles verwoestend cultureelmarxisme, maar Jezus zegt tot u en tot mij: jij bent het licht van de wereld. Hij sprak dit eenmaal nadat de grote denkers van de antieke wereld hadden geleefd, beroemde Griekse filosofen als Plato, Aristoteles en Socrates. Wij christenen zijn niet een licht, maar hét licht en door ons zal de wijsheid van deze wereld worden beschaamd. Belijd daarom ook: ik ben het licht. Inderdaad vergt dit veel geloof, maar dit moet toch voorop gaan. Zo zeggen wij ook: ik ben een rechtvaardige om als een rechtvaardige te kunnen leven.

Jezus sprak over een stad en over een lichtgevende lamp, ‘want u was vroeger duisternis, maar nu bent u licht in de Heer’. Dit is de antithese van het geloof en dit zal de wereld overwinnen. Daarom verlangen wij er naar ons voortdurend met het plan en de gedachten van God bezig te houden. Wij willen het leven dat Hij ons geschonken heeft, niet verbergen, maar openbaren in deze wereld. Als wij handelen, laat het zijn naar zijn woord. De stad van God fascineert ons, want het leven functioneert daar en zij zal haar licht uitstralen over de hele aarde. Zij kan niet verborgen blijven. Jezus spreekt ook nu: ‘Jullie horen bij de heilige lichtstad en jullie zijn bezig het nieuwe Jeruzalem te vormen.

Buiten deze stad is er geen andere in het rijk van God. Naar de inwendige mens is jullie een plaats gegeven in de hemelse gewesten in Christus Jezus zijnde.’ Eeuwen lang heeft men zijn plaats in deze stad niet ingenomen, want zij bleef verborgen, maar nu worden wij weer net als de apostel Johannes weggevoerd en gesteld op een grote en verheven berg. Vanuit deze situatie willen ook wij proberen haar voltooide openbaring te verstaan. Christendom is een manier van leven, door de werken te doen die Jezus Christus ook deed en nog steeds doet. De vrucht van het licht bestaat immers uit enkel goedheid, gerechtigheid en waarheid (Ef.5:9). Wij willen daarom verdrukkingen aanvaarden en ons laten slijpen als diamanten, zodat de mens van God te voorschijn kan komen, dat is de waarachtig geestelijke mens, die naar de wetten van God leeft en die het herstel van de schepping bewerkt. Bij het begin van zijn optreden dacht de Heer al aan dit grote doel: aan de lichtstad en aan de lamp. Hij gaf ons het voorbeeld van het doen van goede werken, zodat wij ons zouden ontwikkelen en de berg Sion zouden bestijgen, om de top te bereiken!