9. De apocalyptische ruiters – De eerste vier zegels geopend 2

<<<<<

Openbaring 6:5-8

Een zwart paard

‘En toen het Lam het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag en zie, een zwart paard en hij die erop zat, had een weegschaal in zijn hand. En ik hoorde te midden van de vier dieren een stem zeggen: Een maat tarwe voor een penning en drie maten gerst voor een penning. En breng de olie en de wijn geen schade toe’ 5,6.

De ruiter op het witte paard geeft leven, omdat hij als het Woord van God het levensbrood uitdeelt. De valse kerk laat de mensen van honger omkomen. Eeuwenlang heeft men de Bijbel aan de gewone mensen onthouden. Er zijn zelfs tijden geweest dat de naam ‘Bijbel’ onbekend was of alleen in verband met het Oude Testament gebruikt werd. De eerste Bijbel die in de Nederlandse taal gedrukt werd, miste het Nieuwe Testament, het boek Psalmen en de profetische boeken. Is het een wonder dat de christenen in de grootste duisternis leefden? De reformatie gaf het volk de Bijbel weer terug. Het licht kon toen weer schijnen, maar al snel kwamen de belijdenisgeschriften, waarmee men moest instemmen en die men moest ondertekenen. Zo ontstond de leer van de voorvaders en de doden regelden voortaan de inzichten en de visies van de levenden. Doordat men zich steeds aan uitspraken van reformatoren conformeren moest, werd het levende Woord van God krachteloos gemaakt. Zo verleende men in alle kerken, groepen en bewegingen gezag aan de inzichten van gestorven ‘heiligen’, die voor hun tijd de raad van God vervulden. Onze Heer gebruikte echter de uitdrukking: ‘In ieder seizoen op zijn tijd eten geven’ (Matth.24:45).

De ruiter op het zwarte paard hanteert geen groot zwaard, zoals de ruiter op het rode paard. Hij heeft een weegschaal in zijn hand. Hij weegt tarwe en gerst af en drijft de prijs ervan op. Door zijn acties krijgt hij invloed op de geestelijke voedselvoorziening, op de doorwerking van de Woorden en de Geest van God. Dit kan op meerdere wijzen vorm krijgen. Bijvoorbeeld door ‘zwarte’ werkingen bij de luisteraar: de blijde boodschap van leven en geluk bereikt het hart niet meer, iedere boodschap wordt ‘gewogen’ en te ‘licht’ bevonden. Ezechiël profeteert over de gevolgen van deze geestelijke hongersnood in het geestelijk Jeruzalem: ‘Zij zullen brood eten, in afgewogen hoeveelheid, met kommer; water zullen zij drinken, in afgemeten hoeveelheid, in stomme smart. Zodat zij aan brood en water gebrek hebben, met elkaar verbijsterd staan en in hun ongerechtigheid wegkwijnen (Ez.4:16-17).

Toch werden alle eeuwen door aan de olie en aan de wijn geen schade toegebracht. Olie en wijn zijn beelden van Gods Geest. Hoewel de Woorden van God niet mee kon werken, hield de Geest nog leven in stand. Zoals in het oude Babel aan de Eufraat het volk van God van het oude verbond nog stand hield, zo leefde ook in het Nieuwtestamentische Babylon de ware gemeente in het verborgene voort. Zo werd door Gods Geest het leven nog in stand gehouden. De geschiedenis van de kerk kan men met de groei van een plant vergelijken. Jezus zei: ‘Eerst komt de halm, daarna een aar, daarna het volle koren in de aar’. De halm en de aar bezitten het leven niet in zichzelf, maar geven dit slechts door. De vrucht echter heeft het leven blijvend in zich. Wanneer men de halm afsnijdt, verdort hij. Maar wanneer de vrucht rijp is, verliest hij ieder contact met de moederplant en met de aarde. Men kan de graankorrel zelfstandig bewaren en hij behoudt het leven.

Net als bij de opening van de vorige zegels wijst ook nu de kleur van het paard op een geestelijke realiteit. Zwart vormt de grootst mogelijke tegenstelling met wit. In diep zwart is niets te vinden van helder wit. Zwart wijkt dus nog verder af van wit dan rood. Zwart staat lijnrecht tegenover wit: het spreekt van duisternis in plaats van licht, van dood in plaats van leven. Het wijst op de geestelijke nacht in plaats van op de volle dag. Zwart is net als rood een kenmerkende kleur voor werkingen vanuit het rijk van satan en Dood. Zwart staat in de Bijbel voor alles wat bij de geestelijke duisternis en dood hoort. Het wijst op het ontbreken van licht en leven, van blijdschap en hoop, van ruimte en vrijheid. Op de (totale) afwezigheid van het klimaat van Gods Koninkrijk. Jeremia zegt: ‘Juda treurt, zijn poorten verkommeren, ze liggen in het zwart gehuld ter aarde en het gejammer van Jeruzalem stijgt omhoog’ (14:2).

Zwart is verbonden met het negatieve denken en spreken. De kleur zwart is verbonden met uiterlijke vroomheid en Farizeïsme. Op de ‘knoet’, op het leven onder de wet, het moeten voldoen aan allerlei geboden en verboden, zoals: raak niet, smaak niet, roer niet aan (Col.2:21). Denk in dit verband eens aan de vele kerkgangers die zich in het zwart (moeten) kleden. We kennen zelfs – zoals dat in de volksmond heet – een ‘zwartekousenkerk’. Met alles wat de schijn ophoudt, zoals gewilde nederigheid en kastijding van het lichaam (Col.2:18,23). Het leven met God is er niet; integendeel. Bij de uitspraken van Jezus passen de Farizeeën en wetgeleerden in dit kader (Lucas 11:37-52).

De zwarte wereld van satan

Zwart wijst niet alleen op wetticisme maar ook op het onwettige – het ontduiken van de wet. Denk hierbij aan ‘zwart’ werk, de ‘zwarte’ markt, aan alles wat in het geniep gebeurt en het daglicht niet kan velen. Zwart is ook de kleur van toverij: ‘zwarte magie’. Je kunt door geesten die binnen het geheim van de wetteloosheid werken, ‘betoverd’ worden (Gal.3:1). Deze werkingen verblinden en leiden tot ongehoorzaamheid aan de waarheid. Deze ‘zwarte’ krachten en machten nemen het Koninkrijk van God weg (Matth.21:43). Vanuit de Bijbel zijn er nog meer symbolische betekenissen van zwart te ontdekken. De kleuren wit en zwart worden in de tijd van het Nieuwe Testament gebruikt bij de rechtspraak: een witte steen duidt op vrijspraak, een zwarte steen op veroordeling. Jezus geeft ons een witte steen met daarop onze nieuwe naam (Op.2:17). We leiden hieruit af dat satan alleen zwarte stenen uitreikt, met daarop onze oude naam. Hij klaagt ons dag en nacht aan (Op.12:10).

Het rode en het geelgroene paard

De ruiter op het zwarte paard trekt niet alléén uit in de hemel van mensen. Hij doet dit samen met de ruiter op het rossige (rode) paard en de ruiter op het vale (geelgroene) paard. De betekenissen en werkingen die we bij zwart kunnen onderscheiden staan niet los van die van rood en geelgroen. In het slechte en onwettige van zwart zien we een verbinding met de ongerechtigheid en het wetteloze van rood. In het doodse en betoverende van zwart ligt een koppeling met het verderfelijke en occulte van geelgroen. In de strijd tegen het witte paard vult het zwarte paard het rode paard naadloos aan. De ‘vermenging’ die door het rode paard wordt ingezet, wordt door de ‘verduistering’ van het zwarte paard verder aangezet; de tegenstelling met het zuivere ‘wit’ wordt verder opgevoerd. Nog meer dan rood is zwart in staat om al het aanwezige wit te bedekken en uit te schakelen. Het vale paard voegt hier het ‘zijne’ aan toe.

De legers van satan

Jezus laat zien dat wij in het antichristelijke meerdere werkingen kunnen onderscheiden. Deze volgen elkaar op en versterken elkaar. In de uitvoering van het geheim van de wetteloosheid voert de Satan een leger aan dat niet alleen uit ‘rode’ divisies bestaat, maar ook uit ‘zwarte’ en ‘vale’. Door zijn ‘rode’ divisies zorgt hij voor wetteloosheid en verdeeldheid. Door de geestelijke lichtbronnen af te schermen zet hij aan tot een geestelijke zon en maansverduistering in de hemel van mensen (Hand.2:20; Op.6:12). Mede door dit zwarte paard staat hij aan de basis van de verduistering van zon, maan en sterren, zoals genoemd bij het blazen van de vierde bazuin, in de tijd van het zevende zegel (Op.8:12). Het werk van de geesten die werkzaam zijn in het rode, zwarte en vale paard, komt dan in en door de antichrist en zijn antichristelijke gemeente geheel openbaar (Op.13:11-18).

De ruiter op het zwarte paard wil de mens van licht beroven en geestelijk ‘in het zwart’ doen gaan. De geesten die Jezus aanwijst met het ‘zwarte paard’ zetten de mens geestelijk onder druk, maken lusteloos en moe, ontnemen de blijdschap en vrede van Christus, doen het leven met Hem als ‘moeilijk’ en ‘zwaar’ overkomen. Ze willen de liefde laten verkillen, het geloof laten verflauwen, de mens lauw laten worden, door matheid van ziel laten verslappen (Matth.24:12, Rom.4:19, Op.3:16, Hebr.12:3). Zodat na verloop van tijd de eerste liefde wordt verzaakt en de mens van zijn hoogte valt (Op.2:4-5). De Satan wil mensen sceptisch maken en negatief ten aanzien van de verdere ontwikkelingen van Gods koninkrijk. Kritiek en negativisme zijn bittere en besmettelijke wortels. Zij doen mensen verachteren van de genade van God (Hebr.12:15).

Een vaal paard

‘En toen het Lam het vierde zegel geopend had, hoorde ik de stem van het vierde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag en zie: een vaal paard en die erop zat, zijn naam was de dood en het rijk van de dood volgde hem. En hun werd macht gegeven over het vierde deel van de aarde om te doden met het zwaard, met honger, met de dood en door de wilde dieren van de aarde’ 7,8.

Het vierde paard is ‘vaal’ van kleur. In de grondtekst staat chloros: (lichtgroen,  geelgroen, bleekgroen, vaal). Dit woord is afgeleid van chloe: jonge plant, jong gras. In de betekenis ‘lichtgroen’ wijst chloros daarom op de karakteristieke kleur van jonge planten: van het gewas (Op.9:4) en van het groene gras (Marc.6:39; Op.8:7). In de betekenis ‘geelgroen, bleekgroen, vaal’ duidt chloros echter op de kleur aan van (zee)water, van het gezicht van een zieke en van een lijk. In het verlengde hiervan typeert het – ook in buitenbijbels Grieks – onder meer de dood. Deze laatste betekenis is van toepassing in Openbaring 6:8. In de vale, geelgroene kleur van het vierde paard blijkt al de relatie met de dood en het dodenrijk die in hetzelfde vers worden genoemd. In de Kanttekeningen op de Statenvertaling wordt bij dit vers gesproken van bleekgroen, de kleur van verdorrende bladeren. De twee betekenissen van chloros lijken in eerste instantie niets met elkaar gemeen te hebben: wat heeft de frisheid van het nieuwe, jonge en gezonde leven te maken met het ongezonde en ziekelijke uiterlijk van een stervende? Hoe kan met één woord zowel het lichtgroene uiterlijk van jonge bladeren worden aangeduid alsook het bleekgroene uiterlijk van verdorrende bladeren?

Je moet bij chloros goed opletten. Als je alléén op de kleur afgaat, zie je op het eerste gezicht geen verschil tussen nieuwe, zich ontwikkelende bladeren en oude, verdorrende bladeren: allebei geelachtig groen. Wie beide bladeren echter wat nauwkeuriger bekijkt, ontdekt al snel het immense verschil tussen leven en dood, tussen nieuw en oud, tussen het vooruitgaande en het verdorrende. Jezus wil met het woord chloros de geestelijke werkelijkheid van het vierde zegel nauwkeurig beschrijven. Hij wil díe werkingen binnen het geheim van de wetteloosheid laten zien die de schijn van (nieuw) leven wekken, maar in feite rechtstreeks naar de dood voeren. Hij wijst op demonen die zich voordoen als engelen van het licht maar in wezen als grimmige wolven de gemeente willen binnendringen om de kudde te verscheuren (2 Cor.11:14; Hand.20:29).

Het dodenrijk

Het geelgroene paard wordt bereden door een ruiter waarvan de naam wordt genoemd: de dood; het dodenrijk volgt in zijn spoor (Op.6:8). Trekt Dood hier zélf uit? Verlaat de koning van het dodenrijk zijn domein? Volgen zijn ondergeschikten, de cipiers of gevangenisbewakers, hem in deze uittocht? Laten zij het dodenrijk, de geestelijke gevangenis, ‘onbeheerd’ achter? Dood en zijn doodsmachten zijn niet uitgerust voor een geestelijke strijd. Zij horen bij de gevallen serafs, niet bij de gevallen cherubs. Het zijn geen strijders, maar heersers. Zij gebruiken hun macht niet om de mens aan te vallen, maar gebruiken hun kracht om de in zonde gevallen mens het ‘loon van de zonde’ uit te keren (Rom.6:23). Zij brengen de mens na zijn zonde in een andere situatie: gescheiden van God. Deze toestand wordt door hen ingesteld en in stand gehouden: zij heersen over allen die in hun machtsgebied terechtkomen. Dood en zijn cipiers, de doodsmachten, kunnen dus niet uittrekken. Zij verzetten zich op een andere manier dan satan en zijn leger van demonen tegen het werk van Jezus en de vestiging van het Koninkrijk van God. Zij stellen zich onverzettelijk op; zij zullen van hun plaats, hun machtspositie in de hemelse gewesten, verdreven moeten worden. Om deze reden spreekt de Bijbel over Dood als de ‘laatste vijand’ (1 Cor.15:25).

De put van de afgrond geopend

De geesten in dit vers zijn dus geen doodsmachten, maar demonen uit het leger van satan die met Dood en zijn dodenrijk verbonden zijn. Geesten die in de afgrond – het duistere deel van het dodenrijk –  zijn geweest en daar gevangen hebben gezeten en de overheersing van Apollyon, de verderver en zijn verderfengelen als een pijniging hebben ervaren. Het zijn occulte geesten. Na hun terugkeer blijven deze demonen zich de overheersing van het dodenrijk herinneren. De pijniging die zij in het machtsgebied van de verderver hebben ondergaan, blijft hen bij. Zij dragen de dreigende en verstikkende sfeer van de afgrond bij zich. In zekere zin blijven zij ‘verbonden’ met Apollyon. Zij zijn daarmee belast. Het is aan hun wezen ‘toegevoegd’.

Schorpioenen

Met het oog op deze occulte geesten spreekt Jezus in Lucas 10:19 over slangen en schorpioenen. Demonen zijn te vergelijken met slangen (Marcus 16:18). Demonen die op occulte wijze uit de afgrond worden opgeroepen, gedragen zich als schorpioenen (Op.9:5). Zij brengen het klimaat van het dodenrijk en de pijn van de afgrond over op hun prooi. De ruiter op het geelgroene paard vertegenwoordigt daarom het aandeel van de occulte machten en grootvorsten in het antichristelijke leger van satan. Op het eerste gezicht lijken deze geesten nieuw ‘leven’ te bewerken, de gelovige nieuwe kansen en perspectieven te bieden, maar deze schijn bedriegt. Aan hen wordt macht gegeven om te doden, zegt Openbaring 6:8; hun werkingen zijn pseudo christelijk, vals en bedrieglijk. Deze occulte demonen spiegelen een pseudo waarheid en werkelijkheid voor, maar doen de mens langzaam maar zeker in het tegenovergestelde van de waarheid en werkelijkheid van Christus terechtkomen.

De werkingen van het geelgroene paard vullen de werkingen van het rode en zwarte paard aan in hun strijd tegen het witte paard. Het is daarom van belang de werkingen van zowel het rode als het zwarte samen met het vale paard te combineren, we kunnen ze niet los van elkaar zien. Waar rood en zwart samen het aanwezige wit bedekken en uitschakelen, biedt geelgroen de ‘alternatieven’ en ‘oplossingen’ aan in de ontstane situatie. De geestelijke hongersnood en armoede – door ‘vermenging’ en ‘verduistering’ ontstaan – wordt heel sneaky gecompenseerd. Al ‘bespeelde’ en ‘omgebogen’ behoeften worden op pseudo christelijke wijze bevredigd. Op het eerste gezicht lijken deze alternatieven en oplossingen veel in te houden: het lijkt of ze iets nieuws brengen. Ze blijken echter ‘niets’ aan te reiken. Nog erger: ze veroorzaken vernieling.

Jezus waarschuwt ons in Mattheus 24:23-26 voor deze valse en bedrieglijke werkingen: ‘Als dan iemand tot u zegt: Zie, hier is de Christus, of: Hier, gelooft het niet. Want er zullen valse christussen (pseudo christos) en valse profeten (pseudo prophetes) opstaan en zij zullen grote tekens en wonderen doen, zodat zij, als het mogelijk zou zijn, ook de uitverkorenen zouden verleiden. Zie, Ik heb het u voorzegd. Als men dan tot u zegt: Zie, Hij is in de woestijn, gaat er niet heen; zie, Hij is in de binnenkamer, gelooft het niet.’ Paulus plaatst deze ‘krachten, tekens en bedrieglijke wonderen’ in het kader van de naderende komst van de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf (2 Thess.2:9).

Veel gelovigen in onze tijd zijn op zoek naar genezing, voorspoed en succes in het leven. Heel sneaky speelt de ruiter op het geelgroene paard in op deze al besmette, aardsgerichte verlangens. In (veelal massale) samenkomsten raakt men onder de indruk van de ogenschijnlijke resultaten en de (vaak) spectaculaire manier waarop deze worden bereikt. Dat de Woorden van God niet echt als leidraad worden genomen, wordt niet meer zo belangrijk gevonden: dit ‘werkt’ tenminste! Het beleven van geestelijke krachten wordt belangrijker dan het beproeven van de geesten die hierachter zitten. Veel harten gaan open voor al dit ‘nieuwe’. Men komt in beweging en opschudding; het fascineert. Men ‘valt’ in de Geest en ‘rust’ in de Geest. Men geeft zich over aan allerlei ‘werkingen’ van de Geest… Maar ook nu geldt: schijn bedriegt! Door onvoldoende zicht op de werkelijkheid van Christus worden de pseudo christelijke werkingen niet onderscheiden. Door gebrek aan kennis nemen gelovigen geen afstand van iets waarvan zij menen dat God erin werkt. Het voert hen echter niet omhoog in de ‘hemel’, maar werpt hen neer op ‘aarde’.

Vandaag is er onder de gelovigen een steeds sterker wordende belangstelling voor het ‘spirituele’ en ‘alternatieve’ in therapieën en geneeswijzen. Maar weet men wel waar reiki, acupunctuur en yoga uit voortkomen en op wat voor theorieën de homeopathie berust? Heeft men daar een helder en Bijbels zicht op? Net als bij schorpioenen kunnen occulte geesten de gelovige geruime tijd biologeren. De pijnigende steek komt later. Dit geldt met name voor de werkingen van de ruiter op het geelgroene paard. Tijdens de betovering lijkt alles ‘goed’ te gaan. Occulte demonen laten hun prooi echter niet zo makkelijk meer los. Zij nemen de mens in hun dodelijke greep en slaan in een later stadium verder toe. Zij voeren hem uit het hemels Jeruzalem – het werkterrein van Christus – en brengen hem in ‘Babel’ – het machtsgebied van de Satan. Zonder dat de gelovige het beseft, wijkt de hemel voor zijn ogen gaandeweg terug als een boekrol die wordt opgerold (Op.6:14). Wat hij geestelijk in handen heeft, wordt hem langzaam aan ontnomen.

Door de gezamenlijke werkingen van het rode, zwarte en geelgroene paard raken mensen steeds meer verstrikt in het ‘Babelse’. Samen met andere ballingen worden zij uiteindelijk een ‘woonplaats van duivelen, een schuilplaats van onreine geesten’ (Op.18:2). Als er geen verandering komt in hun situatie, krijgen zij uiteindelijk ook te maken met de pijn en de plagen die Babylon treffen, met de dood en het verderf dat Satan en zijn demonen bij zich dragen en dat Babylon ten onder doet gaan (Op.18:4). Het werkterrein van occulte geesten is breed.

Je komt deze demonen ook tegen in de ‘lieve’ en ‘vrome’ hoek van het evangelische denken, muziek, films, reclame en in allerlei vormen van (geestelijke) verslaving. Denk ook aan toverij, waarzeggerij en afgoderij, spiritisme en magnetisme. Deze opsomming is verre van compleet. Ook kunnen zich vandaag of morgen weer nieuwe vormen ontwikkelen. Steeds weer brengen deze occulte demonen de mens eerst onder een zekere ‘bekoring’: zij fascineren en betoveren de niet waakzame mens. Let ook op de media die miljarden mensen dagelijks betovert met hysterische en hypnotiserende indoctrinaties en leugens. Direct daarna nemen zij hem in een ijzige greep met de bedoeling hem te ‘doden’. 

In de opsomming aan het einde van Openbaring 6:8 wijst het zwaard terug naar vers 4 (tweede zegel), de honger naar vers 6 (derde zegel), terwijl de dood en de wilde dieren verwijzen naar het eerste deel van vers 8 (vierde zegel). Onder leiding van het beest uit de zee stellen alle divisies zich in slagorde op. Zij spannen allen samen tegen de Heer en zijn gezalfde – tegen Jezus en zijn gemeente (Ps.2:2). Samen richten de machten van de duisternis zich op het ‘doden’ van mensen op aarde; vanuit allerlei invalshoeken werken zij aan de uitvoering van het geheim van de wetteloosheid. Ook bij de opening van het vierde zegel roept Jezus ons op Hem te volgen in het door Hem ontstoken licht, om als zonen van het licht te wandelen en de onvruchtbare werken van de duisternis te ontmaskeren: Laat niemand u misleiden met drogredenen; toets wat de Heer welbehaaglijk is (Ef.5:6-10). Bij dit toetsen moeten we niet af gaan op ons gevoel of onze ervaringen, noch op het feit dat anderen het ook beleven als ‘van God’. Wij moeten ons baseren op het woord van God, het evangelie van Jezus Christus, op wat de Heer ons door woord en Geest in zijn gemeente aanreikt, met name door het verbreken van de zegels van de boekrol.

Leer alle aanslagen van het beest te onderscheiden, of ze nu voortkomen uit de rode, de zwarte of de geelgroene divisies van zijn antichristelijke leger. Jezus geeft ons macht om slangen en schorpioenen te vertrappen, met de belofte dat niets ons enig kwaad zal doen (Luc.10:19). Daarom zullen wij de macht hebben om in Jezus’ naam alle bergen en eilanden van hun plaats te rukken en hen elke macht en invloed in onze hemel te ontnemen (Op.6:14b). Denk hierbij aan de occulte geesten die werkzaam zijn vanuit familie of voorgeslacht, aan grootvorsten die in meerdere geslachten werken, of door de eeuwen heen zelfs hele volksstammen en naties onder hun macht hebben gekregen. Wij hoeven geestelijk niet in Babel terecht te komen. Wij mogen wonen in het land waarin Hij ons plaatst, het land dat God voor ons bedoelt, het hemelse Jeruzalem (Ps.37:3). Met het openen van het tweede, derde en vierde zegel maakt Jezus het voor iedere gelovige mogelijk om weg te trekken uit Babel, om los te komen van elke verwarring, van iedere bedekking en van alle vormen van betovering:

  • ‘Ga uit van haar, mijn volk, zodat u geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen’ (Op.18:4).

De Heer wil alle schade die in Babel tot stand is gebracht, herstellen. Hij wil zelfs de jaren die we in Babel hebben moeten doorbrengen, vergoeden (Joël 2:25). 

>>>>>