15. De eerste vier bazuinen

<<<<<

Openbaring 8:6-13

‘En de zeven engelen die de zeven bazuinen hadden, gingen zich klaarmaken om op de bazuin te blazen. En de eerste engel blies op de bazuin en er kwam hagel en vuur, vermengd met bloed en dat werd op de aarde geworpen. En het derde deel van de bomen verbrandde en al het groene gras verbrandde’ 6,7.

Een bazuin is geen melodie- maar een signaalinstrument. In de Bijbel gaat het blazen op de bazuin gepaard met een oproep of een mededeling. De bazuin werd gebruikt in tijden van oorlog, maar de bazuin was ook verbonden met de eredienst. De bazuin riep het volk dan bij elkaar voor een heilige samenkomst. Bij belangrijke gebeurtenissen blazen de orthodoxen vandaag in Israël (en haar Nederlandse aanbidders) nog steeds op een bazuin. Johannes scheef de Openbaring daarom met beelden van zijn tijd.

Na de opening van het zevende zegel klinkt er vanuit de hemelse tempel – de gemeente van Jezus Christus – zevenmaal een helder en duidelijk geluid in hemel en op aarde uit van Hem die op de troon zit en van het Lam. Zij zijn te horen in de hemel en op de aarde. Bij de zevende bazuin storten de muren in van de grote stad, die ‘geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte’, beeld van de valse kerk. De strijd gaat immers om de vrouw van het Lam, de stad van God tegen de hoer, het grote Babylon.

Wanneer de eerste engel zijn opdracht vervult, komt er hagel en vuur. Wij denken hierbij aan de zevende plaag in Egypte: ‘Toen liet de Heer het donderen en hagelen. Er schoot vuur naar de aarde en de Heer liet de hagel op Egypte neerkletteren. Zo’n zware hagelbui, waarbij onophoudelijk de bliksem flitste, was er in Egypte nooit eerder gevallen, zolang het volk bestond’ (Ex.9:23,24). Opgemerkt wordt, dat het alleen in het land Gosen, waar de Israëlieten woonden, niet hagelde. Ook bij de weergave van deze plaag is het Oude Testament schaduw van de hemelse werkelijkheid. Vuur is het beeld van de onzienlijke demonen, die het leven van de mens aantasten en beschadigen. De hagel drukt de felheid en de hardheid uit, waarmee de machten op de mens neervallen. Hagel ontstaat als gevolg van de werking van krachten en spanningen in de lucht. De hagel die hier bedoeld wordt, is het gevolg van de werking van de demonen, waardoor de mens wordt geteisterd. In Openbaring 16:21 wordt gesproken van hagelstenen, die ongeveer 20 kg wegen. Het is een uitdrukking en beeldspraak om de grootte van de verwondingen en beschadigingen aan te geven, die deze boze geesten veroorzaken (géén hagelstenen met ANWB hulp…). 

Het bloed is beeld van de natuurlijke mens. Deze uiterlijke mens is het bezit, dat de innerlijke of geestelijke mens heeft boven iedere andere geest en waardoor hij in de geestenwereld onderscheiden is. Wanneer hagel en vuur zich met bloed mengen, wijst dit erop dat er samenwerking is tussen de natuurlijke mens en de demonische geesten. Petrus wees in zijn toespraak op de Pinksterdag op dit samengaan van de onzichtbare en zichtbare wereld: ‘En ik zal wonderen geven in de hemel boven (onzichtbare wereld) en tekens op de aarde (zichtbare wereld) beneden: bloed en vuur en rookwalm’ (Hand.2:19). De rookwalm is het begeleidend verschijnsel van het vuur, dat het uitzicht naar boven belet en het leven verstikt. Wanneer deze plaag begint, wankelen de ordenende wereldgeesten.

Toen God de mens schiep, ontving de mens een geest, waardoor hij boven alle andere wezens van de aarde verheven werd. Door de kracht van deze geest moest de mens de wetten van God op aarde handhaven. Bij de uitbreiding van het menselijke geslacht ontstond een machtig leger van menselijke geesten, dat de aarde beheerste en tot ontwikkeling bracht. De Bijbel spreekt van wereldgeesten.

Wanneer de ordenende wereldgeesten in de maatschappij, maar ook in de schijnkerk wankelen, wordt de wetteloosheid geopenbaard. De wereldgeesten zijn het, die de ontbindende werkingen van de Satan tegenhouden (2 Thess.2:7). Het vuur – de machten van de duisternis – tast de wereldgeesten aan, om hun aanzien, kracht, trots en macht te vernietigen. Regelmatig vergelijkt de Bijbel hooggeplaatste mensen in de grote wereldkerk of de corrupte politiek, met bomen. Jesaja profeteerde: ‘Op die dag zal de Heer van de hemelse machten zich keren tegen ieder die hoogmoedig is en trots, tegen ieder die zich verheven acht – ze worden vernederd, tegen alle ceders van de Libanon die zich zo trots verheffen, tegen de eiken van Basan’ (Jes.2:12,13). Bekend is de droom van Nebukadnezar, waarin deze zichzelf als een grote sterke boom zag. Een engel daalde neer en riep: ‘Houw de boom om en kapt zijn takken’ (Dan.4:14). In de dag van wraak blijven alleen de ‘eikenbomen van de gerechtigheid’ staan (Jes.61:3).

Bij de eerste bazuin vallen veel groten in het kerkelijke en maatschappelijke leven: ‘En het derde deel van de bomen verbrandde’. Zij worden dus onder de voet gelopen. Tenslotte verbrandt al het groene gras. Juist het jonge leven is vatbaar voor de invloed van Satans demonen. Kinderen hebben immers het geringste weerstandsvermogen, vooral wanneer zij niet in de ouders geheiligd zijn. Wanneer een ouder niet in de wapenuitrusting van God voor zijn kinderen op de bres staat, worden dezen gemakkelijk beïnvloed, verleid en overheerst door Satans demonen. Juist vandaag zien wij hoe wereldgeesten hun gezag verliezen. Het gevolg is dat de demonen vooral op de jeugd beslag leggen. De jonge mensen in de wereldkerk vallen al bij de eerste stormloop als een gewillige prooi in handen van de vijand. Maar tegelijkertijd is er voor de jeugd in Jezus’ gemeente een speciale belofte van Gods Geest: ‘Aan het einde van de tijden, zegt God, zal Ik over alle mensen (die voor God leven) mijn Geest uitgieten. Dan zullen uw zonen en dochters profeteren, jongeren zullen visioenen zien en ouderen zullen dromen begrijpen’ (Hand.2:17). 

Een grote berg in zee geworpen

‘En de tweede engel blies op de bazuin en er werd iets als een grote berg, die van vuur brandde, in de zee geworpen. En het derde deel van de zee werd bloed. En het derde deel van de schepsels in de zee, die leven hadden, stierf. En het derde deel van de schepen verging’ 8,9.

Ook bij de tweede bazuin zijn we ons ervan bewust dat het boek Openbaring een aaneenschakeling van visioenen is. Door middel van beelden wordt inzicht geschonken in de onzichtbare wereld. De verborgenheden van het Koninkrijk van de hemelen worden ook hier door middel van gelijkenissen geopenbaard. Daarom geldt ook Openbaring voor de natuurlijke, aardsgerichte kerkbewoner het woord van Jezus: ‘Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen’ (Matth.13:13).

Johannes zag hoe iets als een grote berg, brandend van vuur, in de zee geworpen werd. Omdat deze visioenen betrekking hebben op de gemeente en de geestelijke wereld, is het dwaas hier te gaan denken aan een atoombom, die ook als hij in de zee geworpen wordt, niets van een berg heeft en bij voorkeur op het land en niet in de zee gedropt wordt. Bergen zijn beelden van geestelijke machten. Zo wordt Gods Geest voorgesteld als ‘een grote en hoge berg’, waarop de gemeente, de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, ligt (21:10). Geen enkele macht is met deze berg te vergelijken. Wanneer de zonen van God geopenbaard worden, is dit alleen mogelijk, omdat Gods Geest ongeremd door hen kan werken.

In Jesaja 2:2 staat: ‘En het zal gebeuren in de laatste dagen: dan zal de berg van het huis van de Heer vast staan als de hoogste berg en hij zal verheven zijn boven de heuvels’. Nu ligt de tempelberg of de Sion ongeveer 740 meter boven de zeespiegel. Door ‘hem’ – een letterlijke vertaling aanhoudende – boven de hoogte van de Mount Everest (8840 meter) te verheffen, zou Jeruzalem met recht onbewoonbaar worden. Met zulke naïeve verklaringen houden wij ons niet op: ’Wij zijn genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem’ (Hebr.12:22). Ook in Daniël 2:35 staat dat deze berg de hele aarde vervulde. Wanneer bergen in zee liggen, worden zij eilanden genoemd. In Openbaring 6:14 wordt gezegd dat de geestenwereld geschud werd, zodat ‘alle bergen en eilanden van hun plaats gerukt werden.’ In paniek roepen allen die zich niet geborgen weten in ‘het verborgene van zijn tent’ de bescherming van hun goden aan: ‘Zij zeiden tot de bergen en tot de rotsen: Val op ons en verberg ons voor het aangezicht van Hem, die op de troon zit en voor de toorn van het Lam; want de grote dag van hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?’ In Openbaring 16:20 zien wij hoe de demonen, die eeuwen lang het schijnchristendom overheerst hebben, wijken: ‘En alle eilanden vluchtten weg en bergen werden niet meer gevonden’.

Babylon wordt uitgebeeld als gefundeerd op zeven bergen of vorsten van het rijk van de duisternis (17:9,10). Wie de symbolische betekenis van de bergen verstaat, begrijpt ook dat het mogelijk is bergen te verzetten en in de zee (of in de afgrond) te werpen. De apostel Paulus schreef in verband met de geestelijke gaven: ‘Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen – had ik de liefde niet, ik zou niets zijn’ (1 Cor.13:2). Het is immers mogelijk in Jezus’ naam boze geesten uit te drijven en toch een werker van de ongerechtigheid te zijn. Dit heet ‘verplaatsen’: Kleine demonen er uit, grotere er in!

Groot is het aantal beelden in de Openbaring, dat ontleend is aan het scheppingsverhaal. Er is sprake van licht en duisternis. In het nieuwe Jeruzalem zal geen nacht meer zijn. De sterren, de zon en de maan, de wilde dieren naar zijn aard, hebben alle hun geestelijke tegenhanger. Zo zijn de watermassa’s het beeld van het religieuze (geestelijke) leven en de aarde is het beeld van het natuurlijke leven. De mens leeft immers in deze twee sferen. Wij spreken van geestelijke stromingen en nooit van natuurlijke stromingen. In ons vers is tot driemaal toe sprake van de zee. Deze stelt de geestelijke en godsdienstige wereld van de mensen voor. Soms waaien de winden dit water hoog op. De winden zijn beeld van duivelen die het geestelijke leven in beweging brengen. Paulus spreekt in Efeziërs 4:14 van ‘allerlei wind van leer.’

Op de Pinksterdag was er een geluid als van een geweldige windvlaag. De zee is dus beeld van het geestelijke leven, dat onder de macht van de duisternis staat en in het bijzonder onder die van de dood (de afgrond). Hij hoort nog bij deze aarde, hoewel wij ons op het terrein van de onzichtbare wereld bevinden waar veel satanische machten opereren. De zee krioelt van wezens, waarvan de watermassa’s wemelen, ieder naar zijn aard (Gen.1:20,21). In deze geestelijke wereld zijn de grote zeedieren, zoals het beest met de tien horens en zeven koppen, dat uit de zee opkomt (Op.13:1).

Maar er zijn ook geesten in die ‘leven’ of letterlijk een ziel hebben. Hier is dus sprake van mensen, in tegenstelling met Satans demonen, die geen ziel hebben. Iedere ziel die niet gered is, verblijft in de zee en is onderworpen aan de heerschappij van de koning van de dood, Dood hemzelf. Het is het werk van Christus om allen te bevrijden die ‘tijdens hun hele leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren’ (Hebr.2:15). Er is maar één uitweg om aan de overheersing van deze boze geesten te ontkomen en behoud te vinden, namelijk wanneer ziel en geest overgeplaatst worden uit de zee naar de hemelse gewesten, om ingevoegd te worden in de witte wolk (zie verder 14:14).

Oorlog in de hemel

Het parallelgedeelte van de verzen 8 en 9 luidt in hoofdstuk 12:7-9:

  • ‘Toen brak er oorlog uit in de hemel. Michaël en zijn engelen bonden de strijd aan met de draak. De draak en zijn engelen boden tegenstand maar werden verslagen; sindsdien is er voor hen in de hemel geen plaats meer. De grote draak werd op de aarde gegooid. Hij is de slang van weleer, die duivel of Satan wordt genoemd en die de hele wereld misleidt. Samen met zijn engelen werd hij op de aarde gegooid.’

Net als bij de eerste bazuin krijgt Johannes ook nu het resultaat te zien van het tweede bazuinsignaal in hemel en op aarde: de overwinning op de draak en zijn engelen wordt een feit; ook deze grote berg – de laatste en grootste van de bergen – wordt van zijn plaats gerukt. Het vergaat de Satan in deze strijd met Jezus’ gemeente tijdens het zevende zegel als al zijn grootvorsten, heersers, machthebbers en kwade geesten vóór hem, tijdens het zesde zegel. Ook de Satan verliest elke plaats en invloed in de hemel van de gemeente.

Deze oorlog met de draak is voor Gods zonen het laatste deel van hun vuurdoop, het slotstuk in een reeks van verzoekingen en beproevingen waarmee zij te maken hebben vanaf het begin van hun leven met Jezus. Net als in alle eerdere verzoekingen kunnen zij ook in deze laatste confrontatie standhouden. Satan moet wijken uit de hemel van Gods zonen. Net als destijds bij Jezus. Ondanks al zijn pogingen om hen te ‘verslinden’ en sterren van de hemel ‘mee te slepen’. Ondanks de stroom water die hij (na de baring) als een rivier achter de vrouw aan werpt om haar daarin mee te sleuren. Hij wordt samen met zijn engelen op aarde geworpen. Als grote berg wordt hij in zee geworpen (8:8). Daarna hoort Johannes een luide stem in de hemel zeggen:

  • ‘Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u neergedaald in grote grimmigheid’.

Na de tweede bazuin richt de Satan zijn woede op de ‘aarde’ en de ‘zee’. Hij stort zich op de aardsgerichte kerken: schijnchristenen die geestelijk ‘in de voorhof’ leven en ‘in Babel’ wonen. Hij haalt zijn gram in schijngelovigen, mensen die áls gelovigen leven (Fil.3:18). Zij wonen in de zee: zij leven in Satans machtsgebied van zonde en dood. In het leven van deze mensen ontstaat wél schade:

  • ‘Een derde deel van het water werd bloed: een derde deel van alle in zee levende wezens ging dood en een derde deel van de schepen verging.’

De Satan wil de nog nooit bekeerde schijnchristenen zonder enig Bijbels Fundament(!), ontnemen wat zij nog aan ‘leven’ hebben.

‘En toen de derde engel op de bazuin blies, viel er een grote ster uit de hemel, die brandde als een fakkel. Hij viel op het derde deel van de rivieren en op de waterbronnen. En de naam van de ster was Alsem. En het derde deel van de wateren veranderde in alsem. En veel mensen stierven van dat water, omdat het bitter was geworden’ 10,11.

Eén van Gods zonen houdt geen stand in deze strijd, maar gaat wél in op het hetzelfde aanbod wat de Satan aan Jezus deed in de woestijn. Ondanks het duidelijke geluid van de tweede bazuin laat hij zich tot opstand verleiden. Hij wordt ontrouw aan God en verloochent Jezus die hem vrijkocht. Hij verlaat de hem toegewezen plaats in de hemel. Hij stelt zich op tegenover degenen waarmee hij voorheen met Gods Geest verbonden was. Hij laat zich bekleden met alle macht en kracht van Satan. Hij wordt de nieuwe overste van de wereld, de aanvoerder van het demonenleger, de machthebber over dood en dodenrijk en is oppermachtig op aarde. Hij is in staat het hele wereldgebeuren naar zijn hand te zetten. Waar de Heer destijds de Satan overwon, valt deze grote zoon van God uit de hemel op de aarde, als een hond die terugkeert naar zijn uitbraaksel (Matth.4:1-11; 2 Petrus 2:22; Judas 6).

De Geest zegt nadrukkelijk dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen, door de huichelarij van leugensprekers’ (1 Tim.4:1). Paulus zegt: ‘De dag van de Heer breekt niet aan voordat de wetteloze mens verschenen is’ (2 Tim.2:3). Johannes schrijft: ‘U hebt gehoord dat de antichrist zal komen. Hij zal uit ons midden voortkomen’ (1 Joh.2:18-19).

Johannes ziet een grote ster vallen. Dit is een mens die hoog is opgeklommen in het Koninkrijk van God. Een lid van het lichaam van Christus die als een grote, lichtende ster in deze wereld heeft geschenen (Fil.2:15). Dit is dus een volwassen zoon van God, één van de eerstelingen uit de gemeente. Deze ster staat in brand en valt uit de hemel. De naam van deze ster is Alsem. Absint of Alsem is de naam van een plant, waaruit een bittere, etherische olie werd getrokken. Deze bittere smaak wordt in de Bijbel in tal van plaatsen genoemd: Deut.29:18; Spr.5:4; Klaagl.3:19. In overdrachtelijke zin komt dit kruid voor in Jer.9:15; 23:15; Amos 5:7; 6:12. Hoewel de plant Alsem niet giftig is, wordt hij hier als dodelijk voorgesteld. Er is een bittere wortel opgeschoten in zijn hart, een giftige kiem. Hij stapt moedwillig uit het licht waarmee Jezus hem beschijnt en verliest daarmee alle licht en leven in hemzelf. Hij wordt de belichaming van de duisternis, de representant van dood en verderf. Hij valt terug op aarde, brandend van vuur en vol van bitterheid.

Het beest uit de aarde – De antichrist

Door de geest die nu in hem huist, wordt hij een ‘beest’ en manifesteert zich na zijn val uit de hemel als het ‘beest uit de aarde’. Op.13:18b zegt: ‘met dit beest wordt een mens aangeduid’. In latere hoofdstukken typeert Openbaring deze mens als ‘de valse profeet’. Letterlijk: pseudoprofeet. Hij is de laatste en grootste van de valse profeten waarvoor Jezus waarschuwt (Matth.7:15; 24:11,24). Petrus en Johannes schrijven daarover (2 Petr.2:1; 1 Joh.4:1). Jesaja noemt hem de profeet die de leugen onderwijst (9:14). Als beest uit de aarde doet hij zich voor als het Lam (Op.13:11); als pseudochristus (valse christus). Hij is dè antichrist, dè uiteindelijke tegenstander van Jezus Christus, die in de eindtijd opstaat en in de wereld rondgaat.

De geest van de antichrist

Satan doopt en vervult de antichrist met de geest die de ‘tegenpool’ vormt van Gods Geest. De Bijbel spreekt over de geest van de antichrist (1 Joh.4:3). Hoewel er al veel valse profeten en valse christussen in de wereld zijn uitgegaan en deze geest al vanaf het begin werkt in de hemel van mensen, is nog nooit iemand mèt deze geest gedoopt, laat staan met deze geest vervuld. Daar heeft Satan een geestelijk volwassen mens voor nodig: een grote ster, een eersteling. Hij vertrouwt zijn koninkrijk slechts toe aan een mens met volledige kennis van de geestelijke wereld. Met deze daad bootst de Satan het begin van Jezus’ bediening na. Na zijn doop in water wordt Jezus als eerste mens vervuld met Gods Geest. De Vader maakt Hem tot Heer en tot Christus (Hand.2:36). Jezus werkt vanaf dat moment met alle macht en kracht van God. Gaat mensen dopen met Gods Geest, hen verzegelen aan hun voorhoofd met het zegel van de levende God.

De afgevallen eersteling wordt na zijn ‘doop in het water van de draak’ als eerste mens vervuld met de anti-geest. Vanaf dat moment werkt deze met alle macht en kracht van Satan en gaat hij mensen dopen met de antichristelijke geest, het merkteken van het beest op hun rechterhand of hun voorhoofd zetten. De imitatie is treffend. Bij deze doop en vervulling ontstaat een nieuwe, ongekende eenheid tussen een mens en een macht, tussen de antichrist en de antichristelijke geest, Apollyon, koning van de afgrond. De antichrist heeft hierdoor veel meer in handen dan alle ‘antichristen’ voor hem. Dat waren slechts voorlopers. Hij is de definitieve verschijning van dè tegenstander. Hij is dè mens van de wetteloosheid, dè zoon van het verderf (2 Thess.2:3-4).

‘De vierde engel blies op de bazuin en het derde deel van de zon werd getroffen en het derde deel van de maan en het derde deel van de sterren, zodat het derde deel daarvan verduisterd werd en zodat de dag voor een derde deel niet licht werd en de nacht evenmin’ 12.

Bij zijn belofte aan Noach over het bestaan van deze aarde zei God: ‘Nooit weer zal Ik de aarde vervloeken vanwege de mens, want alles wat de mens uitdenkt, van zijn jeugd af aan, is nu eenmaal slecht. Nooit weer zal Ik alles wat leeft doden, zoals Ik nu heb gedaan. Zolang de aarde bestaat, zal er een tijd zijn om te zaaien en een tijd om te oogsten, zal er koude zijn en hitte, zomer en winter, dag en nacht – nooit komt daar een einde aan’ (Gen.8:21,22).

Door de zondvloed werd het hart van de mens niet veranderd. In de laatste dagen gebruikt God daarom een heel andere methode om de gemeente tot haar doel te brengen. Wat heilig is, wordt dan nog meer geheiligd en wat vuil is, wordt dan nog vuiler wanneer Satans demonen als een zondvloed over de aarde stromen. Wij verwachten daarom geen natuurtaferelen, waardoor het wezen van het aardse bestaan wordt aangetast. Als werkelijk een derde deel van de zon verduisterd zou worden zouden er enorme veranderingen optreden in zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht. De Openbaring betreft echter de geestelijke wereld.

Er is in de dag van de toorn sprake van de verduistering van de Zon van de gerechtigheid. Wanneer de reddingsbeloften voor de gemeente van Jezus Christus ingaan, wordt in tegenstelling hiervan juist in hèn het licht van de hemellichamen versterkt: ‘Dan is het licht van de maan als het licht van de zon en het zonlicht wordt verzevenvoudigd, als het licht van zeven dagen tegelijk. Op die dag verbindt de Heer de wond van zijn volk en geneest hij de striemen die het zijn toegebracht’ (Jes.30:26). Een letterlijke vervulling van deze belofte zou voor de aarde catastrofale gevolgen hebben! Ook in het enige profetische boek van het Nieuwe Testament geldt als in Psalm 84:12: ‘Want de Heer God is een zon!’ Hij is de ‘Opgang uit de hoogte’ (Luc.1:78). Van het Woord van God, Jezus Christus, wordt gezegd: ‘Het licht schijnt in de duisternis’. Dit is dus het beeld van de maan. ‘Deze is de afstraling van zijn Heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen’ (Hebr.1:3). De sterren zijn hier de heilige engelen en de zonen van God, de gemeente van Jezus Christus.

De betekenis is duidelijk. De tijd is aangebroken dat haast geen vlees meer gered kan worden. Door de geweldige afval kan God slechts met moeite het naamchristendom nog bereiken. Het Woord van God wordt niet meer geloofd en deze lamp gaat als bij de dwaze maagden door gebrek aan geloof in het middernachtelijke uur uit. Het gevolg is dat ook de engelen, de sterren, niet meer als dienende geesten kunnen fungeren. Door ongeloof en zonde worden zij als helpers van de mensen uitgeschakeld. In Jesaja 59:1,2 wordt gezegd: ‘De arm van de Heer is niet te kort om te redden, zijn gehoor niet te zwak om te luisteren – uw wangedrag is het dat u en uw God uit elkaar heeft gedreven; door uw zonden houdt Hij zich verborgen en wil Hij u niet meer horen.’ De machten van de duisternis stellen zich tussen God en de mens en hierdoor wordt het zonlicht verduisterd. Maar voor de ware gemeente, die bevrijd is van de demonen, zal de zon van de gerechtigheid helderder schijnen dan ooit tevoren.

‘En ik zag en hoorde een engel, die hoog aan de hemel vloog en met een luide stem riep: Wee, wee, wee hun die op de aarde wonen, vanwege de overige bazuinstoten van de drie engelen die nog op de bazuin zullen blazen’ 13.

Voordat de drie volgende bazuinen klinken, ziet Johannes een engel vliegen. Deze beweegt zich in het midden van de hemel, de plaats waar ook de troon van God staat. Midden in en rondom dit machtscentrum had de ziener al vier dieren opgemerkt, waaronder een vliegende adelaar. Bij de opening van het vierde zegel riep dit dier: ‘Kom!’ Toen zag Johannes het vale paard, de macht van het occultisme, bereden door de dood, terwijl het dodenrijk hem op de voet volgde. Ook nu horen wij weer de luide stem van deze engel, die een drievoudig wee aankondigt. Opnieuw zal de wereld geteisterd worden door het occultisme.

In drie golven zullen de onzienlijke demonen over de aarde gaan, onder aanvoering van Apóllyon, de koning van de afgrond. De weeën worden uitgeroepen over hen die op de aarde wonen, wanneer de drie laatste engelen bazuinen zullen. Als de oordelen zwaarder worden en op een ander niveau komen te liggen, wordt de gemeente, die niet van deze aarde is, apart gesteld. Omdat de komende plagen in de eerste plaats geest en ziel aantasten, blijven de zonen van God, wier wandel in de hemel is, als zij volharden in het geloof, gespaard. Deze weeën zijn als oordelen over de aarde. De eerste twee weeën geven bovendien het aanzijn aan of de openbaring van Gods zonen, die hun mannelijke volwassenheid bereiken. De oogst van de aarde is dan rijp, terwijl bij het derde wee het naam- en schijnchristendom ondergaat.

>>>>>