4. De stad van de volken

<<<<<

‘De volken zullen in haar licht leven en de koningen op aarde betuigen daar hun lof. De poorten zullen overdag nooit gesloten worden en nacht zal het er niet meer zijn. En de volken zullen in haar hun lof en eer komen betuigen’ Openb.21:24-26.

Het nieuwe Jeruzalem in de geestelijke wereld, is de stad van alle volken. Toch dragen alle inwoners de naam van Sions kinderen, want God heeft beloofd dat Hij nooit de naam van Israël zal uitwissen onder de volken. Het is de opnieuw geboren rest uit alle tijden (Rom.9:27). Het geestelijk zaad van Abraham is Christus mét allen die in Hem zijn. Daarom zijn wij trots op de naam Israëliet! Wij weten ons immers voorbestemd voor de troon, dus Israëlieten of vorsten van God! De poort is een onderdeel van de muur. Op de poorten zijn 12 engelen. De getallen 12, 12.000 en 144.000 staan steeds in verband met het geestelijk Israël. De muurengelen of engelen van de gemeenten zijn de poortwachters die door de Heer speciaal zijn aangesteld:

  • ‘Jeruzalem, op uw muren heb ik wachtposten uitgezet; heel de dag en heel de nacht, nooit mogen zij zwijgen. U die de Heer alles in herinnering brengt, er is geen rust voor u. Gun ook Hem geen rust totdat Hij Jeruzalem herstelt en tot de roem van het land maakt’ (Jes.62:6,7).

De engelen van de gemeenten die zich op de poorten bevinden, maken de Heer er voortdurend op attent, dat de stad voltooid moet worden. Zij zijn blij met iedere rechtvaardige die deze stad binnentrekt. Wie na zijn nieuwe geboorte de poort binnengaat, komt binnen de bescherming van de muur, dat is van de gemeente. Deze hoge muur dient hier niet meer tot bescherming naar buiten, want:

  • ‘Men hoort dan niet langer van geweld in uw land, van verwoesting en puin binnen uw grenzen. Uw muren zult u ‘Redding’ noemen en uw poorten ‘Roem’ (Jes.60:18).

Binnen de muren is er herstel voor de volken en wordt het eeuwig evangelie door de zonen van God gebracht tot heil of heling, want om een ander beeld te gebruiken: de bladeren van het levensgeboomte, de gemeente, zijn tot genezing van de volken.

Alle tranen van de ogen afgewist

Een luide stem had de ziener al laten weten dat de woonplaats van God, de gemeente, bij de mensen of tussen de volken van de aarde is. Deze is Immanuëlsland geworden, want God is bij de mensen. Hij woont IN de gemeente, maar BIJ de volken van het nieuwe Jeruzalem. Deze volken moeten nog tot volmaaktheid komen. Zij zijn rechtvaardigen, bevrijd van iedere duistere demon, maar zij werden behouden ‘als door vuur heen.’ Zij gingen beschadigd in. Slechts van de overwinnaars van het nieuwe verbond kan worden gezegd, dat zij de króón van het leven beërven. Zij die deel aan de eerste opstanding hadden, waren onbeschadigd. Nu gaat God de tranen van hun ogen afwissen, dit wil zeggen dat alle wonden en geestelijke beschadigingen worden genezen. Hoe doet Hij dit? Vanuit en door zijn gemeente, die de volken van de gerechtigheid tot de onberispelijkheid en volmaaktheid zal brengen. Volkomen vervuld wordt de belofte, toegezegd aan de gelovigen van het oude verbond:

  • ‘Ook deze mensen werden allen vermeld vanwege hun geloof. Toch heeft geen van hen de belofte in vervulling zien gaan. Aangezien God voor ons nog iets beters had voorzien, wilde Hij niet dat zij hun voleinding zouden bereiken zonder ons’ (Hebr.11:39,40).

De gelovigen van het oude verbond hadden het getuigenis dat zij rechtvaardig waren. Duidelijk spreekt hier de schrijver van de Hebreeënbrief over een volmaakt worden van de gelovigen van het oude verbond ná hun dood, niet automatisch, maar bewerkt door de gemeente van het niéuwe verbond. Wij zien opnieuw dat nooit en te nimmer de verlossing, de genezing en volmaking vanzelf gebeurd, maar dat voor al dit geluk een weg gegaan moet worden, waarin in het plan van God wordt voorzien. Van Christus werd eenmaal gezegd, dat Hij Zijn gemeente heeft liefgehad en zich voor haar overgegeven heeft om haar te heiligen en voor zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zodat zij heilig is en onbesmet (Ef.5:27). Zo kan nu ook van Jezus, leider van zijn gemeente, gezegd worden dat het zijn doel is om zijn bruid geheel te volmaken.

De boeken geopend – Het Levensboek

Wij moeten hierbij opmerken dat degenen van het nieuwe verbond die zich gerechtvaardigd weten door het bloed van het kruis, maar die niet zijn gedoopt met Gods Geest – geen woning van God in de geestelijke wereld zijn – maar wel in het nieuwe Jeruzalem leven. Zij zijn niet ingevoegd in de tempelmuur. Merkwaardig is dat zulke gelovigen altijd zingen van de heilige stad maar nooit van haar tempelmuur. Zij worden dus op dezelfde wijze behouden als de oudtestamentische rechtvaardigen. Hetzelfde geldt dan ook nog voor ‘de koningen van de aarde’, dat zijn zij die het evangelie van Jezus Christus nooit hoorden, maar van wie het hart hongerde en dorstte naar de gerechtigheid. Hun namen stonden immers geschreven in het levensboek, hoewel niet in het boek van het leven van het Lam (Op.20:12,13). Allen mogen binnentrekken:

  • ‘Zij mogen met een lofgewaad, Gods poorten binnengaan. Om niet heeft Hij hen vrijgekocht, de schuld is weggedaan!’

Geen tempel maar wel een lamp

  • ‘De straten van de stad waren van zuiver goud en schitterden als glas. Maar een tempel zag ik niet in de stad, want God, de Heer, de Almachtige, is haar tempel, met het Lam. De stad heeft het licht van de zon en de maan niet nodig: over haar schijnt Gods luister en het Lam is haar licht. De volken zullen in haar licht leven en de koningen op aarde betuigen daar hun lof’ Openb.21:21-24.

Er wordt gesproken over de straat van de stad. In andere vertalingen wordt het Griekse woord ‘plateia’ weergegeven door ‘plein’. In het beeld lijkt ons die overzetting beter, omdat wij ons moeilijk een stad kunnen voorstellen met 12 poorten en slechts één hoofdstraat, maar wel een plein zoals in het oude Jeruzalem, waarop daar de tempel stond. Heel duidelijk ziet Johannes dat het geestelijk centrum van de heilige stad, waar hij dus eigenlijk een tempel verwachten kon, bestaat uit een plein van zuiver goud, gelijk zuiver glas, symbolen van de heiligheid, gerechtigheid en grote heerlijkheid van haar bestrating of plaveisel, dus van haar stenen! De rechtvaardigen binnen de muren van de stad komen dus niet tot de straling van de muur, waarin God in het bijzonder woont. In plaats van de tempel zijn nu de stenen van de tempelmuur bron van licht en leven.

De voorhof prijsgegeven aan satans demonen

In de noordoosthoek van de stad is er geen tempel meer, want wat moet de heilige stad doen met een voorhof voor de heidenen, met een voorhof voor de vrouwen, met een voorhof voor de Israëlieten, wanneer allen tot het geestelijk Israël behoren? Wat met een voorhof voor de priesters als allen gedoopt en vervuld zijn met Gods Geest? Er is ook geen voorhof van God, het heilige en het allerheiligste meer nodig, want al eeuwen lang was het voorhangsel niet meer aanwezig en God woont nu zelf in het midden van zijn volk, want in de slotfase van het herstel zijn allen vervuld met Gods Geest, hoewel ze niet allen tot de overwinnaars gerekend mogen worden. Het nieuwe Jeruzalem is nu de stad van de grote Koning, omdat zij tempelstad is. Voor het aardse Jeruzalem gold: ‘Zie, uw huis wordt u prijs gegeven’. Daarom woont God niet meer in deze onheilige stad en Hij zal er ook nooit meer wonen!

Om weer een nieuw beeld te gebruiken dat wij echter al kennen uit de woorden van Jezus in de Bergrede: God woont in de lamp. Hij verlicht deze door zijn Geest. De lamp is het Lam, verbonden met zijn lichaam, de gemeente. Deze lamp wordt ook wel het ‘Woord van God’ genoemd en hierin is de heerlijkheid van de Almachtige geopenbaard (Joh.1:1). In de lamp, dus in het Lam met zijn gemeente, woont de Schepper van hemel en aarde, die alles bestuurt en leidt. Uit de lamp straalt zo’n helder licht en zoveel heerlijkheid, dat de hele stad geen duistere plek kent. Zoals een lamp het licht verspreidt, zo straalt vanuit de gemeente, Gods glorie over allen die de stad zijn binnengaan. Voor de gemeente wordt het woord ‘Lam’ gebruikt, omdat Jezus haar met zijn bloed voor God heeft gekocht en zij als vrouw van het Lam een eenheid met Hem is.

‘Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, zodat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken’.

Wij gaan nu weer terug naar de Bergrede toen de Heer dit gedeelte van zijn redevoering eindigde met: ‘Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, zodat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken’. Christendom is een manier van leven, door goede werken te doen. De vrucht van het licht bestaat immers uit louter goedheid en gerechtigheid en waarheid (Ef.5:9). Wij willen daarom verdrukkingen aanvaarden en ons laten slijpen als diamanten, zodat de ‘mens van God’ tevoorschijn kan komen, dat is de waarachtig geestelijke mens, die naar de wetten van God leeft en die het herstel van de schepping bewerkt. Bij het begin van zijn optreden dacht de Heer al aan dit grote doel: aan de lichtstad en aan de lamp. Hij gaf ons het voorbeeld van het doen van goede werken, zodat wij ons zouden ontwikkelen en de berg Sion zouden bestijgen, om uiteindelijk de top te bereiken!