De luie slaaf 

Mattheüs 25:24-30

Natuurlijk hebben de gelijkenissen die Jezus op de Olijfberg uitsprak, nu nog hun betekenis voor de zich christelijk noemende kerken. Juist bij het ingaan van de eindtijd, waarover het hier gaat, zullen wij de ware bedoeling van deze gelijkenissen beter verstaan. Babylon bestaat en deze ‘grote stad’ is wereldwijd vertakt en iedere christen moet er dus regelmatig mee geconfronteerd worden, maar wie spreekt erover? Er is ook een ware gemeente, wier leden ‘aangenomen worden’ en opgroeien tot zonen van God (Matth.24:40). Er zijn wijze, maar ook dwaze christenen. Jezus zelf sprak over het verschijnsel dat in de laatste dagen er ook achterblijvende aanhangers van de aards Israël of bedelingenleer zouden zijn, of men dit aanvaarden wil of niet. Ook deze categorie heeft de uitroep ‘Jezus komt spoedig’ in haar vaandel geschreven.

Voortijdig deserteren – de aardse route

De verstandigen gaan echter langs ‘de hoge weg’ hun Heer tegemoet, terwijl de dwazen de aardse route kiezen. De gelijkenis van de talenten bepaalt ons bij de christenen die in de tijd van de late regen allen geloven in de doop met Heilige Geest en die ook voor onze tijd de geestelijke gaven accepteren. Maar het is niet voldoende om uit te roepen dat men de Bijbel van kaft tot kaft gelooft (zelfs de kaft!), want dit kan één van de vele kreten zijn, waarmee men juist de onzienlijke wereld van het Koninkrijk der hemelen buitensluit. De Heer houdt ook afrekening met die christenen die de Bijbelse waarheid over het ontvangen van Heilige Geest onderschrijven en aanvaarden, maar die toch niet werken met de gaven van deze Geest, omdat zij zich slechts bezighouden met de dingen van de aarde.

‘Nu kwam ook degene die één talent ontvangen had naar hem toe, hij zei: ‘Heer, ik wist van u dat u streng bent, dat u maait waar u niet hebt gezaaid en oogst waar u niet hebt geplant en uit angst besloot ik uw talent te begraven; alstublieft, hier hebt u het terug’ (Matth.25:24-26).

De slechte slaaf ontving slechts één talent, want meer kon zijn heer hem niet toevertrouwen. Hij schenkt immers iedereen volgens zijn bekwaamheid. Deze knecht heeft de minste visie en van hem wordt ook de kleinste inspanning gevraagd. Iemand die een miljoenenbedrijf moet leiden zou een ruimere blik moeten hebben en meer geestelijke energie moeten opbrengen dan de baas van een kleine kruidenierszaak. 

Veel lawaai maken en imponeren

De slaaf met het ene talent is niet zoveel kapitaal toevertrouwd, maar hij zal er toch ijverig en nauwkeurig mee moeten werken. Hier zien wij de tragiek van de meeste kerken. Zij hebben slechts één talent. Zij noemen zich daarom ‘eenvoudige christenen’ en zij distantiëren zich van allen die meer talenten ontvangen hebben en daar ijverig mee bezig zijn. De ontrouwe slaaf is wel een christen, maar hij gelooft niet in de waarde van zijn bezit en in de mogelijkheden die het hem biedt. Ook wordt hij bang en begraaft zijn talent in de grond en probeert niet het te gebruiken in dienst van de gemeente van Jezus Christus om de waarde ervan zo te vermenigvuldigen. Hij is als een vrek, die zijn rijkdom verstopt en zich alleen verheugt in het hebben ervan. In de praktijk van het leven komt er niets uit de bus. Misschien maakt hij veel lawaai en zweept zich tijdens de zangdienst bij feestdagen op, maar de geestelijke gaven kunnen zich in hem niet ontplooien. Hij vloert wel mensen languit of zwaait met vlaggen als een circusartiest, leeft in de stormachtigheid van zijn emoties of schreeuwt op het podium, maar niet in de rust en de vrede van het Koninkrijk van God.

Veel ééntalentbezitters zijn lid van uitstervende pinkstergemeenten. Zij bepalen vaak het peil van deze instituten. Zij dragen de naam christen, maar hebben zelfs geen inzicht in het gebruik van de geestelijke gaven. Sommigen menen dat het voldoende is, als zij slechts eenmaal in hun leven in talen spreken. Zij maken onderscheid tussen het teken van de doop in Heilige Geest en de gave van het spreken in talen. Zij zien het nut er zelfs niet van in en zijn dus heel anders ingesteld als de apostel Paulus, die God voor de gave dankte (1 Cor.14:18). Ja, er zijn zelfs voorgangers van ‘pinkstergemeenten’, die nooit in talen gesproken hebben. Hun ‘pinksterkerk’ is eigenlijk een verkapte baptistengemeente, waar geen doop met Heilige geest wordt geleerd. Geen wonder dat men bij het loslaten van de pinksterervaringen liever contact zoekt met de evangelische baptisten dan met hen, die het teken van het nieuwe verbond noodzakelijk achten in verband met de ontplooiing van de begaafdheden van de Heilige Geest en de ontwikkeling van de gemeente van Jezus Christus (Mattheüs 25:8,9).

De ontrouwe slaaf gebruikt de doop in Heilige Geest niet om zich in de hemelse gewesten te kunnen bewegen, daar te groeien en te werken, maar hij verstopt deze schat in de grond. Hij verborg hem in een zweetdoek, staat in Lucas 19:20. Het woord zweetdoek komen wij ook tegen in Handelingen 19:12, waar sprake is van de zweetdoeken van Paulus. De apostel had deze blijkbaar in gebruik om het zweet tijdens het werk voor zijn dagelijks brood van hoofd en lichaam te verwijderen. De geestelijk luie slaaf gebruikte zijn zweetdoek om de geestelijke gaven, die hij ontvangen had, te camoufleren en te verbergen.

Religieuze acties en inspanningen

In de zichtbare wereld zijn deze broeders vaak erg actief. Zij evangeliseren, organiseren samenkomsten, zijn bij elke landelijke activiteit aanwezig, stichten gebouwen, maar de Heilige Geest met zijn gaven komt er weinig of niet meer aan te pas. De slaaf wordt lui genoemd, niet vanwege zijn prestaties in de zichtbare wereld, maar vanwege zijn onverschilligheid ten opzichte van de onzienlijke wereld. Zo werd aan de gemeente te Efeze geschreven:

  • ‘Ik weet wat u doet, hoe u zich inzet en standhoudt, en dat u boosdoeners niet verdraagt. Zo hebt u mensen die beweren dat ze apostelen zijn, op de proef gesteld en als leugenaars ontmaskerd. U bent standvastig en hebt veel verdragen omwille van mijn naam, zonder te verslappen. Maar dit heb ik tegen u: u hebt de liefde van weleer opgegeven. Bedenk van welke hoogte u gevallen bent. Breek met het leven dat u nu leidt en doe weer als vroeger. Anders kom ik naar u toe en neem ik, als u geen berouw toont, uw lampenstandaard van zijn plaats’ (Op.2:2-5).

In de gemeente te Efeze dacht men nog vaak aan het machtige verleden, toen de apostel Paulus daar werkzaam was. In die beginperiode gebeurden er buitengewone krachten door de handen van Paulus. Zieken werden genezen en boze geesten uitgedreven. Wie de brief aan deze gemeente leest, ziet op welke hoogte van kennis en wijsheid zij stond, maar dit alles werd verleden tijd. Men kreeg andere inzichten en koos een andere weg. Wel bleef men zeer orthodox en fundamentalistisch: men kon de kwaden niet verdragen. Zij bemoeien zich graag met wat anderen doen, terwijl in hun eigen kringen het geestelijke leven niet tot ontplooiing komt en er geen verwachting tot herstel is voor de geestelijke puinhopen. Maar ook hen zal de Heer God ter verantwoording roepen en vragen: ‘Wat hebben jullie met de Heilige Geest gedaan? Op welk niveau hebben jullie je bewogen, op dat van de hemel of dat van de aarde?’

Er loopt een diepe kloof in de pinksterbeweging, net als in de Maranathabeweging. Er zijn wijze en er zijn dwaze pinksterchristenen. De luie dienstknecht werd gedoopt met Gods Geest, maar zijn denken werd er niet door vernieuwd en zijn leven werd er niet door geleid. Hij zag in het teken van het nieuwe verbond niet de heerlijke mogelijkheid van een herschepping, noch de oneindige wijde perspectieven van het Koninkrijk der hemelen. De afval van de pinksterbeweging begint waar zij uit de hemelse gewesten neerdaalt op de aarde: ‘Bedenk dan, van welke hoogte u gevallen bent’ (Op.8:10,11). Er is geen kennis van de onzienlijke wereld, het Koninkrijk der hemelen, dat Jezus ons door zijn prediking openbaarde. Men is onbekend met een wandel in de hemel en met de strijd in de hemelse gewesten. Daarom zijn er nauwelijks genezingen, gebondenen worden er niet bevrijd, profetieën worden nauwelijks meer gehoord of zij hebben weinig of geen kracht. Men spreekt niet meer in andere talen. Geen wonder dat de afvallige pinksterchristenheid maar al te graag door de bijna tweeduizend jaar oude kerken geaccepteerd wordt. Simson, van wie de haren waren afgesneden, is immers niet meer gevaarlijk.

De luie slaaf was ook bang. Hij had een vrouw getrouwd en deze weigerde hem vanwege zijn pinksterafwijking te accepteren. Hij wilde bij de christelijke pers of Staatspropaganda aanvaard worden en daarom moest hij wel wat water in de wijn doen. Hij was bang mensen in de samenkomsten te verliezen, wanneer het geestelijk niveau te hoog zou worden. Zijn clubje zou schade lijden, als er ook geen plaats was voor christenen die zijn Pinksterevangelie verwerpen, tegenstaan en zelfs haten. De slechte pinksterslaaf zag niet dat juist het eeuwig evangelie de grote werfkracht bezit onder hen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid en dat daardoor bloeiende eeuwig-evangelie gemeenten zijn ontstaan, die niet geaccepteerd worden door de brede christenheid (en ook nergens vermeld staan zoals bv. in Wikipedia-lijstjes), maar waar het Koninkrijk van God met zijn blijdschap, vrede en gerechtigheid baan breekt.

‘Zijn heer antwoordde hem: ‘Je bent een slechte, laffe dienaar. Je wist dus dat ik maai waar ik niet heb gezaaid en oogst waar ik niet heb geplant? Had mijn geld dan bij de bank in bewaring gegeven, dan zou ik bij terugkomst mijn kapitaal met rente hebben terugontvangen’ (vers 26,27).

De talenten die de Heer aan zijn dienstknechten schenkt, blijven zijn eigendom. De schatten die zij in de hemel verzamelen, komen Hem toe. De genadegaven komen niet in een dood vat, maar in een levend mens, die ermee werken moet voor zijn Heer. Zonder de charismatische gaven kan de mens weinig of niets uitrichten in de onzienlijke wereld, maar zonder zijn medewerking blijven de gaven braak liggen. De gaven van God en de medewerking van de mens bewerken samen de groei van het Koninkrijk van God. Wij worden verantwoordelijk gesteld voor de teruggang en de verwaarlozing of de verbreiding en ontwikkeling van dit Koninkrijk. De doop in Heilige Geest is het grondkapitaal, waarmee de christen werken moet. Hij hoeft zich vanwege dit rijke bezit niet op de borst te slaan, want er rust nu een grotere verantwoordelijkheid op hem dan op allen die deze doop missen. De verzegeling met Heilige Geest als stempel en onderpand van onze erfenis in de hemelen (Efeze 1:14). Met dit onderpand moet gewerkt worden en langs deze weg krijgen wij al de andere hemelse zaken en wordt de volle rijkdom van de genade ons deel. Niet door handoplegging ontvangt men de wijsheid, de kennis, de gave om te profeteren, de kracht om te dienen, de gave van onderwijzen, maar doordat men zich uitstrekt naar de gaven van de Geest. Paulus schreef aan de jonge Timotheüs:  ‘Veronachtzaam de genade die je geschonken is niet; je dankt haar aan de profetische woorden die de raad van oudsten over jou, onder handoplegging, heeft uitgesproken. Richt je hierop, maak het je eigen, zodat voor iedereen duidelijk wordt dat je vorderingen maakt’ (1 Tim.4:14,15).

Door middel van de gave van de profetie, die de oudsten bezaten, werd de gave geopenbaard die door God aan Timotheüs toegedacht was in verband met het werk waartoe deze geroepen en de taak die hem opgedragen was. Als hij zijn werk trouw behartigde en er volkomen in opging, zou deze gave zich hoe langer hoe meer in hem ontplooien. De luie dienstknecht veronachtzaamde de hem toevertrouwde gave, omdat hij er geen handeling mee deed. Iedere in Heilige Geest gedoopte dienstknecht van de Heer kan alleen dàn voor zijn Meester van nut zijn en het opgedragen werk goed volbrengen, wanneer hij gebruik maakt van de geestelijke gave, die hem door God in genade geschonken is. Degene die spitten moet, ontvangt van zijn baas een spa; die wieden moet, krijgt inzicht om het onkruid van de goede planten te onderscheiden; die begieten moet, heeft een overvloed van water nodig en krijgt de beschikking over de gieter of de slang om de tuin te besproeien. Op deze wijze groeit het gewas van de gerechtigheid wel verzorgd op tot zijn volle volwassenheid. Om een ander beeld te gebruiken: ‘Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de liefde’ (Efeze 4:16).

Tijdens zijn leven op aarde beperkte de Heer zijn ‘zaaien’ binnen de begrenzing van het Joodse land. Nu eist Hij echter dat zijn dienstknechten de hele wereld met het evangelie van het Koninkrijk der hemelen bekend maken. Zij moeten spreken zoals Hij en de werken doen, die Hij gedaan heeft en daartoe krijgen zij ook dezelfde Geest en toerusting, die Hij ontving, toen de hemelen scheurden en de Geest als een duif op Hem neerdaalde. Zoals de Heer onder het volk Israël vrucht oogstte van wat Hijzelf gezaaid had (twaalf leerlingen, honderdtwintig in de opperkamer, vijfhonderd broeders die bij zijn verschijning tegenwoordig waren), zo zoekt Hij nu vrucht over de hele aarde waar Hijzelf niet gezaaid heeft, maar zijn dienstknechten. In Lucas 19:22 zegt de heer:

‘Uit uw eigen mond zal ik u oordelen, slechte slaaf. U wist dat ik een streng mens ben’.

De Heer wijkt niet van zijn principes af. Hij wil vruchten zien en oogsten en wel op dezelfde manier als Hij ons in de evangeliën het voorbeeld gaf. Wij zullen in alles in zijn voetsporen moeten wandelen en er geen eigen methode op na gaan houden. Zijn scheppings- en herscheppingwerk voltooit Hij door de mens. Zijn dienstknechten worden uitgezonden in de hele wereld. Zij worden verdrukt en rechtstreeks of indirect door de boze geesten aangevallen. De opdracht is zwaar en moeilijk, maar ondanks deze tegenstand blijft Hij eisen en wijkt niet af van de gegeven opdracht: ‘Handel, totdat Ik terugkom’. De slechte pinksterknecht beschuldigt zijn Heer van hardheid en strengheid. Hij vindt Hem liefdeloos. Hij wil wel voor zijn Heer werken, maar niet met de charismatische gave, want de andere christenen doen dit ook niet. Daar zit het knelpunt. In wezen heeft de ontrouwe pinksterslaaf dezelfde gezindheid als de andere ‘burgers’ van het land en daarom gebruikt hij ook liever hun methode en niet de gave die zijn Heer hem geschonken had. Het is daarom wel merkwaardig dat de ontrouwe pinksterchristenen ook weer spreken over liefdeloosheid in verband met die dienstknechten, die het evangelie van het Koninkrijk der hemelen brengen en die slechts dit ene evangelie erkennen.

Het geassimileerde (aangepaste christendom) roept veel en luid om opwekkingspredikers en om mannen van God, die hen uit de verwarring en impasse moeten leiden, maar tegelijkertijd weigeren zij zich te bekeren en zelf handeling te doen met de gave van Gods Heilige Geest. Zij sluiten zich af voor iedere verdere ontwikkeling en openbaring van het Koninkrijk der hemelen. Zij blijven heulen met een evangelische christenheid die een diepe afkeer heeft van de methode van Jezus Christus en van de woorden: ‘Trek de hele wereld door en maak aan alle schepsels het goede nieuws bekend. Wie gelooft en zich laat dopen, zal gered worden, maar wie weigert te geloven, zal veroordeeld worden. God zal hen die geloven, met de volgende tekens bijstaan: zij zullen in mijn Naam demonen uitdrijven en nieuwe talen spreken; slangen zullen ze oppakken, zelfs vergif drinken zonder er nadeel van te ondervinden; en als ze zieken de handen opleggen, zullen die weer gezond worden’ (Marcus 16:15-20).

Geloofsbelijdenissen en Catechismussen

Zij beschuldigen de trouwe dienstknechten van Jezus Christus en daarmee hun Heer van liefdeloosheid, omdat deze weigeren compromissen aan te gaan of concessies te doen met het grote Babylon. Ook verwijt de Heer de luie pinksterknecht dat deze zijn geld niet aan de bankiers gegeven had. Bankiers zijn mannen die (heel vroeger nog) met het geld van anderen werken en dit levert dan rente op. Veel pinksterchristenen ontwikkelen de gave niet, die God hun toebedacht heeft en in principe gegeven. Zij schamen zich voor de naam eeuwig-evangelie; en zij hebben geen moed om tegen de heersende stroom op te roeien. Daarom blijven zij in de kerk, waar zij als kind geboren werden en als baby besprenkeld. Zij zijn vaak niet gedoopt met Heilige Geest en hun belijdenisgeschriften en kerkelijke organisaties remmen de openbaring van de charismatische gaven af.

Sommigen van hen schreven wel boeken en hielden lezingen over de doop met de Heilige Geest en over de geestelijke gaven. Wie kent niet de boeken van Andrew Murray, een predikant van de Nederduitse Gereformeerde Kerk in Zuid-Afrika. Hij was een fervent babybesprekeler en presideerde zesmaal de synode van zijn kerk. Toch zijn de talrijke boeken, die hij over de Heilige Geest schreef en over de gaven van de genezing voor duizenden een prikkel geweest om ‘De volle pinksterzegen’ te zoeken. Wij denken ook aan de gereformeerde predikant ds. D. G. Molenaar, die met zijn boek ‘De doop met de Heilige Geest’ velen de ogen opende. Een gereformeerd kerkblad getuigde van dit boek: ‘Het is echter een openbaring om Bijbelsgereformeerd over de geestesgaven te lezen’. Met hun geschriften leveren deze personen, hoewel zij de geestelijke gaven in hun kerk niet konden praktiseren, nog steeds hun bijdrage in het Koninkrijk der hemelen. Toch moeten wij met droefheid constateren dat de pinksterbeweging in de kerken weinig of geen invloed meer heeft. Haar aanhangers zijn bang geworden en hun pinkstervuur is gedoofd. De luie slaaf had echter zijn talent in de grond verborgen en er op geen enkele wijze mee gehandeld. Het einde van de luie slaaf is wel zeer droevig. Het vergaat hem als de dwaze Maranathachristenen, waarvan uiteindelijk gezegd moest worden:

‘Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, ik ken u niet. Neem hem dan het talent af en geeft het aan hem, die de tien talenten heeft. Want aan een ieder, die heeft, zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben. Maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden. En werpt de onnutte slaaf uit in de buitenste duisternis. Daar zal het geween zijn en het tandengeknars’ (vers 28-30).

Mogen wij nog eens opmerken: ergens moet de dwaze Maranathachristenen zich toch bevinden en de onnutte Pinksterchristen moet toch ook bestaan. De Heer gaf ons deze gelijkenissen ter waarschuwing. Gaan dan al deze mensen verloren? Wij wijzen erop dat de waarheden over het Koninkrijk der hemelen en over de doop met Heilige Geest nog niet overal bekend zijn. Het is als met de reformatie. Vijftienhonderd jaren moesten voorbijgaan, voordat Luther ontdekte dat de rechtvaardige alleen door het geloof zal leven. Wij leven in de periode van de verzegeling met Gods Geest, waarin hier en daar en over de hele aarde mensen gedoopt worden met Heilige Geest (Op.7:1-4). Nog worden de winden aan de vier hoeken van de aarde vastgehouden. De ijzeren wet van het Koninkrijk der hemelen gaat in werking: de bezitters worden nog rijker en de niet-bezitters steeds armer.

Zij die de weg van Gods Heilige Geest niet gaan en niet streven naar de talenten en begaafdheden van deze Geest, worden weg gebezemd. Van de burgers die het koningschap van hun heer haatten, wordt gezegd: ‘Breng hen hier en slacht ze voor mijn ogen’. Dit klinkt niet alleen streng, maar het is dramatisch. Zij worden overweldigd en verscheurd door de apocalyptische gedrochten, die uit de afgrond worden opgeroepen. Het leven dat zij nog bezitten, raken zij volkomen kwijt. De luie slaaf komt ook in deze buitenste duisternis terecht, die voor de duivel en zijn engelen bereid is. Duisternis is het klimaat, waaraan de boze geesten gebonden zijn. Overweldigen zij de mens, dan wordt dit klimaat meegedeeld en leeft zo iemand buiten het leven van God, dat het licht van de mensen is. Wie echter met de goddelijke Geest gehuwd is, maakt kennis met het klimaat van het Koninkrijk van God: gerechtigheid, vrede en blijdschap.

Trek uit Babylon

In de eindtijd blijven alleen de geestelijk sterken leven, dat zijn zij die geen enkel compromis aangaan, maar alleen de weg van Jezus bewandelen. Iedere aarzeling is fataal. Zo geeft de Heer God het trouweloze Babylon prijs met allen die zich met haar geassimileerd hebben. Van deze stad wordt gezegd:

  • ‘Zij is geworden een woonplaats van duivelen, een schuilplaats van alle onreine geesten en een schuilplaats van alle onrein en verfoeid gevogelte’. Daarom klink het: ‘Ga uit van haar, mijn volk, opdat u geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen’ (Op.18:1-5).

In de voorbij gegane tijden, toen de duistere grootmachten nog niet ontbonden waren, was het misschien mogelijk (hoewel meest beschadigd) behouden te worden zonder de doop met Heilige Geest. De toekomende tijden vragen om een speciale toerusting om stand te kunnen houden. Veel kerkgangers menen dat zij uit Babylon trokken, toen zij hun lidmaatschap van hun kerk opzegden. Zij vergissen zich, want Babylon is een geestelijke stad met heel veel buitenwijken en inmiddels ook massa’s no-go-area’s. Wie niet totaal vernieuwd wordt van denken en leert te wandelen en te strijden in de hemelse gewesten door de kracht van de Heilige Geest, gaat met deze stad onder. Slechts voor hen die op de hoge weg zijn, geldt:

  • Geen leeuw of roofdier zal daar komen, geen enkel wild dier dwaalt er rond, ze blijven er allemaal weg, alleen zij die verlost zijn zullen daar gaan. Wie door de Heer bevrijd zijn, keren terug. Jubelend komen zij naar Sion, gekroond met eeuwige vreugde. Gejuich en vreugde trekken de stad binnen, gejammer en verdriet vluchten eruit weg’ (Jesaja 35:9,10).