De grote menigte die niemand tellen kan

 

  • ‘Wie zijn dat daar in het wit en waar komen ze vandaan?’ (Op.7:13)

Voor de meeste, opnieuw geboren christenen staat het onomstotelijk vast dat Gods Geest onmiskenbaar een groot aandeel heeft in de redding van mensen. Het is Gods Heilige Geest die de wereld van zonde overtuigt. Deze is het die de verlorenen tot Christus trekt en hen verlicht onder de verkondiging van Gods Woord door Jezus Christus’ gemeente. Het is ook de kracht van Gods Geest die het leven van de naar God zoekenden vernieuwt, als deze zich aan de Heer overgeeft door in te gaan op de Woorden van God. Het is Gods Geest die in hem de vrucht voortbrengt overeenkomstig het karakter dat men van een christen mag verwachten. Kortom, niemand kan gered en hersteld worden zonder het ‘bad van nieuwe geboorte en van vernieuwing door Gods Heilige Geest’ (Titus 3:5).

Het aandeel van Gods Geest in het verlossingswerk is onmiskenbaar. Dat is ook de reden dat veel christenen oprecht zoeken naar een leven vol van Gods kracht. Het is alleen door deze kracht dat zij werkelijk getuigen van Jezus Christus kunnen zijn. Vandaar dat men zoekt naar de doop met Heilige Geest, die de christen in staat stelt om mensen tot Jezus te brengen. Overal in de wereld gebeurt hetzelfde: waar Gods Geest over christenen in grote volheid wordt uitgestort, komen grote aantallen mensen tot geloof. Zonder de bijstand van de Trooster (geen 1/3e deel van de ‘god’ van de uitgevonden drie-eenheidleer) maar Gods eigen Geest die het brengen van het Woord bevestigt met wonderen en tekens, zou het onmogelijk zijn de wereld voor Christus te winnen. Zonder de hulp van Gods Geest is het onbegonnen werk de gemeente van de Heer te willen bouwen in een wereld die steeds perverser en vijandiger wordt.

‘Wie zijn dat daar…. en waar komen ze vandaan?’

‘Wie zijn dat daar…en waar komen ze vandaan?’, vroeg de Johannes op Patmos, toen de Heer hem in een visioen ‘de grote menigte die niemand tellen kon’ liet zien. Het antwoord dat hij kreeg, luidde dat dit de gelovigen waren die uit de ‘grote verdrukking’ zouden komen (en niet de onbekeerde Joden Op.7:9-14). Deze miljoenen hadden hun gewaden gewassen en wit gemaakt in het bloed van het Lam. En ze hielden stand, hun Heer trouw blijvend, ondanks de meest verschrikkelijke oordelen die over de wereld waren gegaan. Is het denkbaar dat deze ontelbare menigte ooit tot geloof was gekomen zonder de aanwezigheid van een gemeente die bekleed is met de kracht van Gods Geest om het evangelie te verkondigen?

Sommige christenen hangen een ‘leer van de laatste dingen’ aan, die ervan uitgaat dat de gemeente vóór de grote verdrukking wordt opgenomen. Deze opvatting is echter onmogelijk: als de gemeente van deze wereld wordt weggenomen, zal datzelfde ook met Gods Heilige Geest gebeuren. De grote vraag is nu: hoe zal de ‘menigte die niemand tellen kan’ uit alle naties, stammen, volken en talen gered worden, als er geen gemeente meer is die hun het evangelie brengt in de kracht van Gods Geest? En dat in het relatief korte tijdsbestek van enkele jaren. Men neemt met deze leer toch immers aan dat ‘de grote verdrukking’ slechts drie en een halfjaar zal duren. Ook is het duidelijk dat deze ontelbare menigte zich nog niet bekeerd had, toen Gods Geest nog werkzaam was in christenen. Zij zouden dan immers samen met de gelovigen zijn opgenomen. Hoe is het nu mogelijk dat miljoenen tot geloof komen – niet in de tegenwoordigheid van de gelovigen die vol zijn van de Heilige Geest – maar juist tijdens hun afwezigheid …. We hebben hier te maken met een theorie die het mogelijk acht dat er uit alle volken een ontelbare menigte wordt gered zonder evangelisatie, zonder de aanwezigheid van Gods Geest, zonder de prediking van opnieuw geboren en Geestvervulde christenen, zonder zending en zonder gemeente. En dat alles in een situatie van duivelse duisternis zoals de wereld deze tot dusver niet heeft gekend. Dit is dus een complete leugen.

Gered door lijden?

Sommigen proberen de redding van de grote menigte te verklaren met theorieën die precies het tegenovergestelde zeggen van wat de Schrift onderwijst. Eén daarvan is bijvoorbeeld de gedachte, dat deze mensen tot geloof zullen komen door het ontzaglijke lijden dat de grote verdrukking met zich mee zal brengen. Is het werkelijk mogelijk dat miljoenen door verschrikkelijk lijden tot Christus geleid worden? Een dergelijke voorstelling van zaken voert ons terug naar de middeleeuwen en naar de tijd van voor de Reformatie, toen de kerk leerde dat het menselijk lijden het middel was waardoor aan Gods gerechtigheid werd voldaan. En het de martelaren waren die honderdvoudig vrucht voortbrachten. Er bestaat echter geen enkele Bijbelse basis voor zo’n leer. We moeten haar dan ook met grote beslistheid verwerpen.

Als het menselijk lijden iets positiefs zou zijn dat de mens dichter bij God brengen moet, zou Jezus niet met de Heilige Geest en met kracht zijn gezalfd om hen te genezen die door de duivel overweldigd waren. Hij zou ook zijn leerlingen niet hebben uitgezonden om het evangelie van het Koninkrijk van God te prediken met de opdracht om zieken te genezen, doden op te wekken, melaatsen te reinigen en demonen uit te drijven. Het verlichten van het lijden zou in het evangelisatiewerk een averechtse uitwerking hebben als het lijden de mens zou kunnen helpen bij zijn redding. Het is juist het boek Openbaring dat er getuigenis van aflegt hoe geen enkele verdrukking, hoe verschrikkelijk die ook mag zijn, in staat zal zijn om de wereld tot bekering te brengen:

  • ‘Maar de andere mensen, die deze plagen overleefden, keerden zich niet af van hun zelfgemaakte goden. Ze bleven die goden aanbidden en de beelden van goud, zilver, brons, steen en hout, die niet kunnen horen of zien en zich niet kunnen verroeren. De grote hitte verzengde de mensen en ze lasterden de naam van God, die macht heeft over deze plagen. Ze toonden geen berouw en bewezen hem geen eer. De mensen beten op hun tong van de pijn. Ze lasterden de God van de hemel, vanwege hun pijn en hun zweren, en ze braken niet met het leven dat ze leidden’ (Op.9:20,21; 16:9,11).

De redding van het verlorene wordt altijd verwezenlijkt door het Woord van God. Jezus zelf zei:

  • ‘Ieder die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij’ (Joh.6:45). ‘Hij wilde ons door het vertellen van de waarheid tot leven roepen, om ons de eersten te maken in zijn schepping’ (Jac.1:18). Zonder de prediking van het evangelie is het onmogelijk dat iemand tot geloof komt en gered wordt (Rom.10:14-17).

De theorie dat de menigte die niemand tellen kan, gered zal worden vanwege de verdrukking en hun martelaarschap, is een ontkenning van de Bijbelse leer, dat de boodschap van Jezus Christus het middel is waardoor God de verlorenen redt. ‘Hij heeft besloten hen die geloven te redden door de dwaasheid van onze verkondiging’ (1 Cor.1:21). Als ‘de grote verdrukking’ het middel zou kunnen zijn om een ‘menigte die niemand tellen kan’ te redden uit alle volken, zit er iets verkeerd met de duidelijke uitspraken van de Bijbel en kunnen we beter ophouden met ons in te spannen voor zending en evangelisatie. Bovendien is het dan ook weinig zinvol om met zoveel aandrang te zoeken naar de doop in de Heilige Geest.

Wie bracht het evangelie?

Als we de leer over de redding zoals die in het Nieuwe Testament tot ons komt, recht willen doen, moeten er tijdens de grote verdrukking mensen zijn, die het evangelie prediken in de kracht van Gods Geest. Wie zouden deze predikers moeten zijn, als alle dienstknechten van de Heer al werden opgenomen? Sommigen laten hun fantasie de vrije loop door te veronderstellen dat in die tijd engelen uit de hemel het evangelie zullen verkondigen. Een dergelijke bewering is echter volkomen vreemd aan het onderwijs van Christus. Nog nooit heeft een engel het evangelie kunnen verkondigen. De apostel Petrus zegt, dat ze daar ook weinig van begrijpen en zouden willen kijken naar de dingen waar het evangelie betrekking op heeft (1 Petr.1:12).

Engelen zijn boodschappers van de Heer, die slechts zo nu en dan tot taak hebben boodschappen aan de gelovigen te brengen. Maar zijzelf hebben geen enkel begrip van wat het betekent om gered te zijn en de geestelijke waarheden over de redding kunnen zij dan ook niet doorgronden. Zij hebben geen deel aan de goddelijke natuur, zoals dat bij ons het geval is. Daarom is het voor hen onmogelijk om Christus aan de volken bekend te maken. Dit is het exclusieve voorrecht van mensen die Gods Geest hebben ontvangen.

Anderen stellen dat de Joden gebruikt zullen worden bij de redding van deze menigte. Maar aangezien het dan Joden zullen moeten zijn, die niet samen met de gemeente opgenomen werden, moeten we wel tot de conclusie komen dat deze pas tijdens de grote verdrukking tot bekering komen. Hoe zouden zij dan gered zijn? Zowel de Jood als de heiden moet gered worden door geloof in het evangelie: ‘Want er is maar één God en Hij zal zowel besnedenen als onbesnedenen op grond van hun geloof als rechtvaardigen aannemen’ (Rom.3:30). Als de verdrukking een middel zou zijn om ongelovigen te veranderen in vurige predikers van het evangelie, waar zijn dan de duizenden Joden die na de Tweede Wereldoorlog, als gevolg van de verdrukking die zij ondergingen, Christus’ boodschap tot de volkeren gebracht zouden moeten hebben? Deze theorie is niet alleen on-Bijbels, zij is ook historisch gezien onhoudbaar. Om gered te worden hebben de Joden de Gemeente van Jezus Christus nodig die hun de boodschap van het evangelie brengt door haar getuigenis in de kracht van de Heilige Geest.

De menigte die niemand tellen kan, vormt het grote bewijs voor de aanwezigheid van de gemeente in de tijd die de Bijbel ‘de grote verdrukking’ noemt. En dan niet een bange en verslagen gemeente, maar een menigte overwinnaars, die zijn loopbaan in deze wereld volbracht heeft.

  • ‘En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de hele wereld gebracht worden tot een getuigenis voor alle volken en dan zal het einde gekomen zijn’ (Matth.24:14).