De gemeente in de woestijn 

Wanneer God het volk Israël verlost heeft uit de macht van de onderdrukker, brengt Hij het door de Rode Zee in de woestijn. Het verhaal over Farao en de exodus zijn meer dan een gewoon verslag van een historische gebeurtenis. Het is een goddelijke openbaring en heeft betrekking op een verlossing en een heerlijkheid, die ons aangaat. Het is de schaduw van een evangelie dat zo mooi en heerlijk is, dat engelen verlangen er een blik in te slaan (1 Petr.1:10-12). Ook de geschiedenis van het volk Israël in de woestijn is opgetekend: ’het is geschreven om ons, voor wie de tijd ten einde loopt, te waarschuwen’ (1 Cor.10:11).

De dag van wraak

  • Geef kracht aan trillende handen, maak knikkende knieën sterk. Zeg tegen het moedeloze volk: ‘Wees sterk en vrees niet, want jullie God komt met zijn wraak. Gods vergelding zal komen, Hijzelf zal jullie bevrijden’ (Jes.35:4).

Zwaar drukte de hand van God op de farao van Egypte. Als de tien plagen afgelopen zijn, kermt het hele vijandige land en er is geen Egyptisch gezin dat gespaard bleef. Maar dan staat ook die nacht een groot volk aan de oever van de zee. Het is noodweer. Als eeuwen later Asaf de bevrijding herdenkt, zingt hij: ‘Toen het water U zag, begon het te beven, een huivering trok door de oceanen. De wolken stortten water, de hemel dreunde luid, uw pijlen flitsten heen en weer, uw donder rolde dreunend rond, bliksems verlichtten de wereld, de aarde trilde en schokte’ (Psalm 77:18,19). De Israëlieten waren erg bang en schreeuwden tot de Heer. Een paniek dreigde. De kleren waren doorweekt. De kinderen riepen in het duister om de moeders. Een weg tot ontkoming was er niet meer. Het geluid van de strijdwagens van de vijand werd al gehoord.

Het was ‘de Dag van de Heer, een dag van duisternis en donkerheid, dag van wolken en dikke duisternis’ (Joël 2:2). Dit betekende de grote catastrofe, tenzij de Heer uitkomst gaf. De Heer gaf redding. Hij zei: ‘Zeg de kinderen van Israël dat zij verder trekken.’ Toen ‘baande God door de woeste baren en brede stromen voor hen een pad.’ Dit was het begin van de weg van God: de hoge weg door de woestijn (Jesaja 35:8). Zo zal de weg van het volk van God zijn in de laatste dagen. Ook wij zien die dag naderen als een verwoesting van de Almachtige (voor satan’s demonen), maar zullen wij omkomen, of is er een weg tot ontkoming? Let nu op welke manier de Heer door zijn profeten zijn volk gaat troosten. 

  • ‘Want zie, de dag komt, brandend als een oven! Maar voor u, die mijn Naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan’ (Mal.4:1-3).
  • ‘Een dag van wraak van onze God: om alle treurenden te troosten, om over de treurenden van Sion te beschikken, dat men hun geeft hoofdsieraad in plaats van as, vreugde-olie in plaats van rouw, een lofgewaad in plaats van een kwijnende geest’ (Jes.61:2,3).
  • ‘Sta op, wordt verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid van de Heer gaat over u op. Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheld de natiën, maar over u zal de Heer opgaan en zijn heerlijkheid zal over u gezien worden’ (Jes.60:1,2).

De dag van de openbaring van Gods grote heerlijkheid over zijn volk komt in de dag van benauwdheid van de volken. Het antwoord van God in die dag is de volkomen doorbraak van de Geest van de belofte. Het geheim van de overwinning ligt in het feit dat het Woord van God hier op aarde geopenbaard wordt. ‘Het trekt uit, overwinnende en om te overwinnen’ (Op.6:2). Het zal die veranderingen teweeg brengen in het leven van mensen, waarvoor het gegeven is. Gods Woord zal niet leeg terugkeren, maar het zal doen wat God behaagt en dit welbehagen van God is het herstel van de mens in ‘het goede, het welgevallige en volkomene’ (Rom.12:2). Over al dit heerlijke werk van Jezus door de kracht van de Geest zal een beschutting zijn (Jes.4:5). Op de Pinksterdag sprak Petrus over die dag van de Heer als over een tijd van ‘bloed, vuur en rookzuilen.’ Hoe worden wij daaruit gered? Door de wegname van de gemeente, die nooit tot haar eigenlijke bestemming, haar toebereiding en onberispelijkheid gekomen is? Nee, maar door de vervulling van de belofte, die juist in de laatste dagen haar climax vindt: ‘Ik zal uitstorten van mijn Geest op alles wat (voor God) leeft’ (Joël 2:28).

Er is een rechtstreekse machtsontplooiing van het rijk van satan. De tijd is aangebroken dat de put van de afgrond geopend wordt en miljarden occulte demonen als een sprinkhanenplaag de aarde bedekken. De zon wordt verduisterd door deze onreine geesten (Op.9:2). De oorzaak van alle gruwelen van de aarde, van zonde, ziekte en gebondenheid, ligt bij deze ‘wilde dieren van de aarde.’ Alleen zij, ‘die het zegel van God op hun voorhoofd hebben’, die gedoopt zijn met de Geest van de belofte, hebben een wapenuitrusting om stand te kunnen houden tegen het hele leger van de vijand en trekken voort.

De woestijn

  • ‘Het volk van ontkomenen aan het zwaard vond genade in de woestijn’ (Jer.31:2).

De woestijn betekent: onvruchtbaarheid, verlatenheid, honger, dorst en dood. Jezus zei dat wij verdrukkingen zouden ondervinden, maar dat Hij met ons is al de dagen tot aan de voleinding van de wereld. Hij neemt zijn volk niet weg, maar bewaart hen voor het kwaad (Joh.17:15). In de woestijn droeg God zijn volk op arendsvleugels (Ex.19:4). En voor de eindtijd geldt: ‘En aan de vrouw werden twee vleugels van de arend gegeven om naar de woestijn te vliegen, naar haar plaats, waar zij onderhouden wordt buiten het gezicht van de slang’ (Op.12:14). De plaats waar God de gemeente van Jezus Christus gesteld heeft, is de woestijn. Daar bevindt zich de tabernakel van God en deze blijft er tot aan de laatste dagen. Stefanus sprak in Handelingen 7:38 over de ‘ekklesia’ (de gemeente) in de woestijn. De gemeente kan haar grootste kracht openbaren wanneer zij in de verdrukking is, want dan zal blijken of zij er tegen bestand is. Wanneer men haar vervolgt, belastert of onderdrukt, zal zij door de Heilige Geest de heerlijkheid van God op het schoonst openbaren. Daarom ligt in de eindtijd de overwinning van de gemeente: ‘Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en het woord van hun getuigenis’ (Op.12:11).

Het voortdurende gebed is: ‘Uw Koninkrijk kome; laat Uw wil gedaan worden, zoals in de hemel zo ook op de aarde.’ Daar zal geloof en volharding voor nodig zijn. Jezus gaf zijn volk een opdracht voor deze wereld. Zij moesten het evangelie prediken aan de hele schepping, dat is op de aarde en in de hemelse gewesten. In zijn Naam moesten zij duivelen uitwerpen en zieken genezen. Deze opdracht heeft Jezus nooit ingetrokken (Marc.16:15-20). De gemeente moet de satanische demonenlegers van de hemelse gewesten, die de hele schepping in hun ban proberen te houden, bestrijden en hen verslaan. Jezus vraagt of Hij bij zijn komst geloof op aarde zal vinden.

  • De gelovigen zouden duivelen uitwerpen. Vindt Hij dit geloof?
  • De gelovigen zouden in nieuwe talen spreken. Vindt Hij dit geloof?
  • De gelovigen zouden slangen opnemen, dit wil zeggen heersen over de machten der duisternis en deze bedwingen. Vindt Hij dit geloof?
  • De gelovigen zouden op zieken de handen leggen. Vindt Hij dit geloof? Of vindt Hij een christenvolk dat diegenen verguist en veracht, die gehoorzaam willen zijn aan de grote opdracht van de Meester?

In de woestijn kon God zijn macht en heerlijkheid tonen en wonderen en tekens doen ten behoeve van zijn volk. Daar kon Hij water uit de rotssteen geven en brood uit de hemel. Daar verouderde de kleding niet en de sandalen hoefden niet vernieuwd te worden. Deze God is onze God!

De woestijn gaat bloeien

‘De woestijn en het dorre land zullen blij zijn’ (Jes.35:1).

Toen Israël wegtrok uit Egypte werd het eerst in de wolk en in de zee gedoopt. Toen trokken zij onder de wolk verder. Wanneer de verzengende zon in het zenit stond, wandelden zij onder haar koele schaduw en in de nacht was het kamp verwarmd en verlicht. In de barre woestijn vonden zij brood en dronken zij water. Wanneer dit volk werkelijk geloofd had, was er nog veel meer gebeurd. Dan hadden zij in deze zandzee kunnen zaaien en een rijke oogst binnenhalen. De psalmist zegt:

  • ‘Ik had hun dan tot spijs, vette tarwe doen groeien en u ten bewijs, hoe Ik u kon voeden, honingbeken doen, uit de rotsen vloeien.’

In de woestijn zijn er geen grenzen aan Jezus’ macht. Door het geloof kan de Heer daar zijn volk iedere dag verzorgen. God wil van de woestijn een paradijs maken door het geloof in zijn werken. De moeilijke omstandigheden zijn alleen om het geloof te beproeven. Wat de Heer doen kan in het leven van de gelovige, die in de woestijn van het leven staat, kunnen wij allereerst aan Jezus zelf zien. Na zijn doop IN de Jordaan en de doop met Gods Heilige Geest werd de Mensenzoon in de woestijn geleid om verzocht te worden door de duivel. Daar werd de Heer veertig dagen beproefd. Door de kracht van de Geest overwon Hij en sloeg iedere aanval af, terwijl Hij bij de wilde dieren was die Hij beheerste en de engelen, die Hem dienden. Zo hebben ook wij de belofte dat het duivelse leger ons onderworpen is en dat niets ons enig kwaad zal doen, terwijl de engelen uitgezonden worden ten dienste van ons, die het behoud erven.

De schepping wacht niet op een opname van de gemeente, maar op de openbaring van de zonen van God. Zij zijn het die op de Dag van de Heer de goddelozen zullen vertrappen, ‘want tot stof zijn zij onder hun voeten’ (Mal.4:3). God zoekt voor de eindtijd overwinnaars, mannen en vrouwen die onbeweeglijk staan te midden van de verdrukkingen, want Jezus oefent heerschappij uit op deze aarde door middel van zijn gemeente. Zij zijn de nieuwe ‘koningen van de aarde’ waarvan Hij de overste is (Op.1:5). Hijzelf ‘wacht af, totdat zijn vijanden gemaakt worden tot een voetbank voor zijn voeten’ (Hebr.10:13).

De gemeente in de woestijn is niet passief, maar actief. Zij zet het werk van haar Meester op aarde voort en doet nog grotere dingen (Joh.14:12). Als de bruiloft van het Lam aangebroken is en de vrouw zich bereid heeft, is dit geen knusse en burgerlijk gezellige feestmaaltijd, maar de overwinning in de hemelse gewesten: ‘Om te eten het vlees van koningen en het vlees van oversten over duizend en het vlees van sterken en het vlees van paarden en van hen, die daarop zitten en het vlees van allen, vrijen en slaven, kleinen en groten’ (Op.19). Op de bruiloft van Simson werd een leeuw verscheurd en dertig vijanden van God gedood. David bracht bij zijn huwelijk het vlees van tweehonderd Filistijnen aan. Dit alles is een beeld van de eindworsteling, waarin de zonen van God de legers uit de afgrond een beslissende nederlaag toebrengen.

De woestijn wordt een liefelijke tuin, omdat er stromen uit de hemel neerdalen en er een overvloedige regen is. De late regen valt in de tijd van bliksemschichten (Zach.10:1). Aan de woestijn en het dorre land wordt gegeven: ‘De heerlijkheid van de Libanon (eikenbomen van gerechtigheid), de luister van de Karmel (vanwaar men wijde vergezichten heeft en de overvloedige regen als Elia ziet aankomen) en van Saron (de schone vlakte waar de liefelijke roos en de narcis bloeien, die de heerlijkheid van het nieuwe leven verkondigen).’ ‘Zij zullen de heerlijkheid van de Heer zien, de luister van onze God’ (1,2).

In de woestijn en in Kanaän

De Bijbel beschrijft ons twee perioden in het leven van het volk Israël, namelijk de eerste na het doortrekken van de Rietzee in de woestijn en dan na het doortrekken van de Jordaan in Kanaän. Het wonder van het volk in het nieuwe verbond is nu dat deze twee perioden samenvallen. Zij zijn in de wereld en toch niet ván de wereld, maar overgezet in het Koninkrijk van de hemel. Zij zijn burgers van aardse koninkrijken en tegelijkertijd burgers van de hemel. Terwijl zij hier op aarde gaan, moet hun wandel in de hemel zijn. Van Jezus werd hier op aarde gezegd: ‘De Mensenzoon die in de hemel IS’ (Joh.3:13 St. Vert.). Jezus bad voor de zijnen: ‘Ik wil, dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om mijn heerlijkheid te zien, die U Mij gegeven hebt’ (Joh.17:24). ‘Hij heeft ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten in Christus Jezus’ (Ef.2:6). Paulus verbaast zich erover, dat er christenen zijn die dit niet begrijpen en die handelen ‘alsof zij in de wereld leven’ (Col.2:20). Vanuit deze hemelse plaats komt de redding en het geluk tot deze aarde. Wat gebeurt er als de dag van wraak gekomen is? Het antwoord luidt in Jesaja 35:5:

  • ‘Dan worden blinden de ogen geopend, de oren van doven worden ontsloten. Verlamden zullen springen als herten, de mond van stommen zal jubelen.’

Als de late regen valt, wordt het dorstige land tot waterbronnen en heet zand tot een plas. De totale mens wordt hersteld. Er komt een gemeente zonder vlek en rimpel. Zeker, de blinden mogen hun Bijbel weer lezen; de doven mogen de goede boodschap van het evangelie weer horen; de stommen mogen weer getuigen en de verlamden zullen ingeschakeld worden om van dorp tot dorp te trekken. Maar er is nog meer. Paulus spreekt over de inwendige mens die van dag tot dag vernieuwd wordt. Ook de geestelijke ogen worden geopend: ‘want uw jonge mannen zullen gezichten zien.’

Eenmaal stond Stefanus in de hitte van het woestijnleven voor het sanhedrin, maar zijn gezicht blonk als van een engel en hij ‘vol van Heilige Geest zag de heerlijkheid van God en Jezus, staande aan de rechterhand van God.’ Dan wordt het inwendige oor geopend en de zonen en dochters horen de stem van God ‘en zij zullen profeteren.’ De verlamde heeft nu een wandel in de hemel en hij mag daar springen ‘zonder besef van schuld’ (Hebr.10:22). Hij hoeft niet langer als overwonnene onder te liggen, maar de tijd is gekomen dat hij ‘waardig geacht wordt te staan en te strijden voor de Mensenzoon’ (Lucas 21:36). Ook wordt de tong losgemaakt, want allen worden vervuld met Gods Heilige Geest en beginnen met andere talen te spreken ‘zoals de Geest geeft uit te spreken.’ De inwendige mens zingt en bidt in de geest (1 Cor.14:15).

De weg

De weg van Gods volk door de woestijn heet de heilige weg (Jesaja 35:1). Hij loopt niet door de hemel, maar hier op aarde. Deze hoge weg duidt op de gemeenschap van Gods volk met de verhoogde Meester (gebaande weg betekent hoge weg). Jezus is immers deze weg en wie erop wandelt (in zijn voetstappen), struikelt niet. Op deze weg zijn geen onreinen en gebondenen, want: geen leeuw en geen verscheurend dier zal daarop komen; zij worden daar niet gevonden’ (Jes.35:9). De ogen van Gods volk zullen open gaan. Er is overwinning over het hele leger van de demonische geesten. Het zijn alleen ‘verlosten en vrijgekochten’ die deze weg betreden. Zij reizen naar Sion, de stad van de levende God en het hemelse Jeruzalem. Het einde is: ‘Toen zag ik dit: het lam stond op de Sion, en bij het lam waren honderdvierenveertigduizend mensen die zijn naam en die van zijn Vader op hun voorhoofd hadden’ (Op.14:1). In hen heeft de Geest een volkomen werk gedaan. Waar het volk van God de voeten zet, verandert de woestijn in een paradijs. Daarom reizen zij hun weg met blijdschap:

  • ‘Want geluk en genade volgen hen alle dagen van hun leven’ (Ps.23:6).