De eeuwige scheiding

Mattheüs 25:41-46

‘Daarop zal Hij ook de groep aan zijn linkerzijde toespreken: Jullie zijn vervloekt, verdwijn uit mijn ogen naar het eeuwige vuur dat bestemd is voor de duivel en zijn engelen’ (Mattheüs 25:41-46).

Demonen kennen geen enkele liefde en ontferming. Zij zijn – na hun opstand tegen hun Schepper – van Gods zijde nooit bewezen en zij weten niet, wat deze eigenschappen inhouden. Mensen die door demonen geleid worden, verliezen hun barmhartigheid. In dit verband merkt de apostel op: ‘Onbarmhartig zal het oordeel zijn over wie geen barmhartigheid heeft bewezen; maar de barmhartigheid overwint het oordeel’ (Jac.2:13). Het oordeel eist de eeuwige straf (vers 46) van de zondaar, maar in het laatste oordeel zegeviert de ontferming van God over hen, die de goddelijke eigenschap van barmhartigheid geopenbaard hebben, zoals er staat: ‘Gelukkig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden.’ Wij wijzen er nogmaals met nadruk op, dat zulke mensen met beide handen het eeuwig evangelie van Jezus Christus aangegrepen zouden hebben, als het hun gebracht was. Met het eeuwig evangelie bedoelen wij dan de boodschap over het Koninkrijk der hemelen, dat de gelegenheid opent om wél te doen aan allen, die door de duivel overweldigd zijn. Wie werkelijk zijn verdrukte en beschadigde naaste helpen wil, zal toegerust moeten zijn met de geestelijke gaven van het Koninkrijk van God en vooral inzicht moeten krijgen in het onderscheiden van goed en kwaad. Lang niet alles wat zich vandaag als ‘goed voordoet’ is dit in werkelijkheid ook. 

Met satan’s demonen, vrijwillig verbonden

Onbarmhartige mensen zijn met satan’s demonen, vrijwillig verbonden. Er is hier sprake van vervloekten, omdat zij zichzelf vrijwillig in beslag lieten nemen door de duistere geesten, door hun ingeschapen geweten bewust dicht te schroeien en daarom voor eeuwig aan de satan prijsgegeven worden. De Romeinenbrief gebruikt in het eerste hoofdstuk telkens de uitdrukking: ‘Daarom heeft God hen overgegeven’. Deze mensen zochten zelf contact met de boze geesten en God liet hen los en hen ‘te laten geworden’. Er staat niet: vervloekten van de Vader, zoals er wel staat: gezegenden van de Vader, want God vervloekte hen niet, maar zijzelf ‘achtten het verwerpelijk God te erkennen’ (Rom.1:28). Dit is exact wat er vandaag op grote schaal gebeurd. 

De vuurpoel – Zonder einde

Er is een Koninkrijk dat voor de rechtvaardigen bereid is van de grondvesting van de wereld af, maar ook een ‘eeuwige vuur dat bestemd is voor de duivel en zijn engelen.’ Beide hebben geen einde. De apostel sprak van ‘het eeuwige Koninkrijk van onze Heer en Redder, Jezus Christus’ (2 Petr.1:11) en hier is sprake van ‘het eeuwige vuur’. De vuurpoel is het beeld van de concentratie van demonen. Deze poel zal pas gestalte krijgen wanneer de antichrist en zijn inwonende geest Apollyon, als eersten, levend(!) daarheen vluchten. God kan immers – als enkel goede God – geen vuurpoel scheppen; dit creëren de satan, zijn demonen en hun aanbidders zelf. 

Het beeld van de Heilige Geest is dat van water, het element dat juist het tegengestelde van het vuur is. Water is levenwekkend en vuur is afbrekend en levensvernietigend. Soms wordt de Heilige Geest voorgesteld als een brandend vuur, maar dan komt een andere eigenschap naar voren; niet het verteren (let op het braambos en de vurige tongen op Pinksteren), maar het produceren van licht. Zo zou men kunnen lezen: ‘Doof het licht van de Heilige Geest niet uit’ (1 Thess. 5:19). Van Jezus staat dat Hij de rokende vlaspit (beeld van de levensgeest van de mensen) niet uitdooft (Matthijs 12:20). De walmende vlaspit moet dus weer helder licht gaan geven. De vuurpoel zal de samenbundeling zijn van het rijk van de duisternis, waarin geen enkele lichtstraal meer te ontdekken valt. Daarom heet hij ook ‘de buitenste duisternis’. De scheiding tussen goeden en kwaden is dan radicaal en volkomen en de kloof onoverbrugbaar. Zij die het goede gedaan hebben, gerechtigheid en barmhartigheid geoefend, erven het Koninkrijk van God, maar zij die hun lichaam slechts in dienst hebben gesteld van de demonen om het kwade te doen en in ongerechtigheid en onbarmhartigheid hebben geleefd, gaan met deze machten voor eeuwig ten onder.

‘Want ik had honger en jullie gaven mij niet te eten, Ik had dorst en jullie gaven me niet te drinken. Ik was een vreemdeling en jullie namen mij niet op, Ik was naakt en jullie kleedden mij niet. Ik was ziek en zat in de gevangenis en jullie bezochten mij niet. Dan zullen ook zij antwoorden: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien of dorstig, als vreemdeling of naakt, ziek of in de gevangenis, en hebben wij niet voor u gezorgd? En Hij zal hun antwoorden: Ik verzeker jullie: alles wat jullie voor een van deze niet aanzienlijken niet gedaan hebben, hebben jullie ook voor Mij niet gedaan’ 42-45.

Wat hebben deze ‘vervloekten’ misdreven? Worden zij van diefstal, onreinheid, moord en andere ongerechtigheden beticht? De apostel waarschuwde ervoor, dat wie dergelijke dingen doen, niet ingaan in het Koninkrijk van God. Maar dat is hier niet in het geding. Het gaat hier niet over goddelozen, misdadigers en slechte mensen, want hun lot staat vast, maar over de uitwendig keurige, fatsoenlijke zorgelozen en gerusten, die nagelaten hadden het goede te doen, dat zij hadden kunnen doen. Zij hadden het gewichtigste van de wet verwaarloosd, namelijk het oordeel, de barmhartigheid en de trouw. Ook in hen had God ‘de geest doen wonen’ (Jac.4:5). 

God begeert de menselijke geest met jaloersheid en moet deze alleen loslaten wanneer de mens zelf compromissen sluit met satan. De menselijke geest was goed, want anders zou God deze niet met jaloersheid begeren. De geest brengt het geweten in werking, dat spreekt van goed en kwaad. Wie voldoende geest heeft, doet de ongerechtigheid niet (Mal.2:15): ‘Want de geest getuigt tegen de zondige begeerten en wijst deze als niet bij de mens behorende af. Zijn onderling tegenstrijdige gedachten klagen de mens aan of verontschuldigen hem, op de dag dat God het in de mensen verborgene oordeelt naar de maatstaven van het evangelie’ (Romeinen 2:15,16). Waar de geest van de mens nog vrij getuigen kan, werkt de ingeschapen wet van God. Dan is er nog een juist oordeel tussen goed en kwaad en is er ook menselijke barmhartigheid en trouw om de stem van het geweten te gehoorzamen. Zelfs niet-nepchristenen doen nog van nature wat de wet gebiedt.

De wet op de Sinaï

Waarom moest God eigenlijk de wet op de Sinaï geven? Omdat Hij niet met rechtvaardigen te doen had zoals Abraham, Job en Henoch, van wie de geest op God gericht was en van wie het geweten werkte, maar met wettelozen en tuchteloze, goddelozen en zondaars (1 Timotheüs 1:9), die hardnekkig waren en van wie het geweten als met een brandijzer was dichtgeschroeid. De wetten van God functioneerden niet meer van binnenuit en God gaf hun een wet om hen door voorschriften van buitenaf in het rechte spoor te houden. Toch waren er nog velen onder de volken en ook gelovigen vóór de wetgeving, die trouw leefden bij het licht dat zij bezaten. Zo zijn er óók onder hen die van Jezus nimmer hoorden, of die bijvoorbeeld in de duistere middeleeuwen slechts een geringe kennis van het evangelie bezaten, ‘gezegenden van de Vader’ geweest.

De ‘vervloekten’ hadden de stem van hun geweten gesmoord. Hun geest was niet op God gericht en hun hart hadden zij zelf verhard. Net als de joden van vandaag in het land Israël. Zij gaven misschien ieder het zijne, maar waren nooit met innerlijke ontferming bewogen. Zij waren ‘liefhebbers van zichzelf’ geweest. Zij hadden ‘de geringsten van Zijn broeders’ zoals Jezus de mensen noemde, laten schieten. Omdat zij zichzelf zochten en zichzelf niet verloochenden, hadden zij geen oog voor de gekwelden en verdrukten, voor hen die ‘voortgejaagd en afgemat waren als schapen die geen herder hadden’ (Matth.9:36). Tot aan vandaag verwerpen zij elkaar, zodat ze nooit tot een geestelijke eenheid kunnen komen. Jezus gaf het voorbeeld van menselijke barmhartigheid, want Hij at met tollenaars en zondaars en sprak: ‘Zij die gezond zijn, hebben geen dokter nodig, maar zij die ziek zijn. Ga heen en leer wat het betekent: Barmhartigheid wil Ik en geen offerande (Matth.9:12,13).

Zij die hongerden en dorstten naar de gerechtigheid

Bij de ‘gezegenden van de Vader’ horen de Egyptische vroedvrouwen Sifra en Pua, ‘die God vreesden’ en die weigerden het bevel van de koning op te volgen om de pas geboren Joodse jongetjes te doden. Ook Ebed-Melech, de Ethiopiër, bewees barmhartigheid, toen hij voor de profeet Jeremia bij de koning in de bres sprong en deze uit de put haalde. Hij nam zelfs lappen en lompen mee, opdat de profeet van de Heer deze onder de oksels zou brengen om niet tijdens het optrekken verwond te worden. Onder de ‘gezegenden van de Vader’ bevindt zich de barmhartige Samaritaan, die zijn ‘naaste’, ‘een van deze minsten’, wél liefhad en voorthielp. Deze Samaritaan deed van nature wat de wet gebiedt, namelijk zijn naaste liefhebben als zichzelf. Zijn mededogen en barmhartigheid waren hem niet van buitenaf voorgeschreven en kostte hem geen geestelijke inspanning, maar zij kwamen van binnenuit en zij typeerden zijn leven. Spontaan snelde hij te hulp, toen hij zijn naaste verwond aan de kant van de weg zag liggen. Hij dacht zelfs niet aan het mogelijke gevaar óók overvallen te worden.

Onder de ‘vervloekten’ zijn allen, die als de priester en de leviet de medemens ‘aan de overzijde voorbij gingen’. Onder hen zijn degenen die zich wel uiterlijk goed willen voordoen door tienden te geven van de munt, de dille en de komijn, maar die tegelijkertijd de huizen van de weduwen opvreten. Van het laatste gericht wordt meegedeeld: ‘En zij werden geoordeeld, ieder naar zijn werken’ (Op.20:13). Waarom sloeg de rijke man in het dodenrijk de ogen op onder pijnigingen? Alleen vanwege het feit dat hij Lazarus niet vertroost had, diens honger niet gestild had, omdat hij geen acht geslagen had op een van de minsten en geringsten onder de mensenkinderen. Als het christendom geen betere gesteldheid van het hart heeft, als zij voor zichzelf leven om het goed te hebben in deze wereld zoals de rijke man, zullen zij ook veroordeeld worden.

Vrome geesten

Wij kunnen begrijpen hoe dit evangelie de ‘vrome’ geesten doen steigeren. Op alle mogelijke wijzen proberen de uitleggers deze heldere bedoeling van de Schrift te miniseren of te verdraaien. De leer over de ‘natuurlijke’ verdorvenheid van het hart en het axioma dat de mens geneigd is tot alle kwaad en onbekwaam tot enig goed, stemt beslist niet overeen met de mogelijkheid dat de mens naar de stem van zijn geweten kan luisteren. Bij de ondergang van Sodom ging Abraham van de gedachte uit, dat er nog een klein percentage rechtvaardigen in deze stad zou zijn. Ter wille van tien rechtvaardigen zou de Heer de stad nog gespaard hebben. Maar dit was de ongerechtigheid van Sodom: ‘In trots, overdaad en zorgeloze rust leefde zij met haar dochters zonder de ellendigen en de armen te ondersteunen’ (Ezechiël 16:49).

‘Wanneer hebben wij U gezien?’

In het laatste oordeel gaat het over mensen die hun goede werken niet in verband konden brengen met Jezus Christus. Zij vragen immers: ‘Wanneer hebben wij U gezien?’ Deze vraag stellen zowel de ‘gezegenden van de Vader’ als de ‘vervloekten’. Hier worden de goeden en de kwaden van elkaar gescheiden, die voor de eerste komst van de Heer geleefd hebben, of die van zijn evangelie nooit gehoord hadden. Voor hen die het ware evangelie van Jezus Christus ongehoorzaam waren, geldt dat zij de raad van God, waardoor zij behouden hadden kunnen worden, bewust verworpen hadden. Tijdens hun aardse bestaan keurden zij zich het eeuwige leven niet waardig (Hand.13:46). Er is hier dus geen sprake van de scheiding tussen gehoorzame en ongehoorzame christenen. Het is wel een simpele voorstelling om de verwondering van de ‘gezegenden van de Vader’ toe te schrijven aan christelijke ootmoed, alsof ware christenen niet al hun daden in verband brengen met het dienen van hun Heer. Hun goede werken doen ze immers door de naam van Jezus en ook hun lijden ondergaan zij om Zijn wil. Ook onder de ‘heidenen’ die Jezus niet kenden, zijn in alle tijden goede mensen geweest. Voor zijn bekering wordt van een Romein het volgende getuigenis gegeven: 

  • ‘Cornelius, een hoofdman van de zogenaamde Italiaanse afdeling, een godvruchtig man, een vereerder van God met zijn hele huis, die veel aalmoezen aan het volk gaf en geregeld tot God bad’ (Hand.10:1,2).

Hij was een voorbeeld van ‘een gezegende van de Vader’, die goed bekend stond in zijn omgeving en bij het volk, hoewel de orthodoxe Jood zijn huis niet mocht binnenkomen, om niet verontreinigd te worden. Ook herinneren wij ons de hoofdman te Kapernaüm, van wie gezegd werd, dat hij het waard was om hem een gunst te bewijzen. Wie de Bijbel onbevangen lezen wil, zal zich los moeten maken uit al de verstarde inzichten en de vele aangeleerde menselijke dogma’s, waarmee hij vanwege een ‘voorzeide leer’ opgevoed is. Wat moeten wij ook denken van een maranatha-uitleg van dit Bijbelgedeelte, die in de ‘geringe broeders’ het Joodse overblijfsel ziet, dat in de tijd van de grote verdrukking het evangelie zou prediken over de hele wereld? Alsof de Heer de opdracht om het evangelie van het Koninkrijk der hemelen te prediken, niet aan zijn gemeente van alle tijden gegeven heeft. Wanneer Jezus spreekt over de ‘minsten onder zijn broers en zusters’ bedoelt Hij zeker niet apostelen, profeten, evangelisten, herders of leraars, want Hij noemt allen groot, die dienstknechten willen zijn, dus die willen dienen en niet zich willen laten dienen (Matth.20:26). Was Paulus in de gevangenis van Filippi, verdrukt en geslagen, een grote of geringe dienstknecht van de Heer?

Eeuwige scheiding

’Hun staat een eeuwige bestraffing te wachten, de rechtvaardigen echter het eeuwige leven’ 46.

Met deze woorden besluit Jezus de tweede Bergrede. Er is voor de mens een eeuwige bestemming. Deze hangt af van zijn verhouding tot God en de medemens, zich uitend in daadwerkelijke naastenliefde. Er wordt geleerd dat een natuurlijk mens, wanneer hij goede werken verricht, dit slechts doet om zichzelf te behagen, want zijn beste werken moeten immers volgens het on-Bijbelse dogma met zonden bevlekt zijn. Maar het is zo dat wanneer een natuurlijk mens goede daden verricht, hij dit doet volgens de wetten die God in zijn schepping gelegd heeft. Wanneer een oog goed ziet, gebeurt dit niet om de mens te behagen, maar het doet dit omdat het zo geschapen is. Alles wat niet goed functioneert, wordt veroorzaakt door beïnvloeding of beschadiging van de duivel. Zo ook wanneer de mens van nature barmhartigheid en liefde bewijst, trouw of eerlijk is, komt dit omdat God hem geschapen heeft naar zijn beeld en omdat barmhartigheid, trouw, eerlijkheid en liefde eigenschappen van God zijn. Het doel van de barmhartigheid is om de naaste te troosten, te helpen, te genezen en zijn levensmogelijkheden te veranderen, zodat hij gelukkiger kan leven.

Het doel van het evangelie beoogt hetzelfde, maar ligt op een hoger plan. De mens moet getrokken worden uit de duisternis en overgezet worden in het Koninkrijk van God. Hij moet naar lichaam, ziel en geest volmaakt worden. Hij verheerlijkt pas ten volle zijn Schepper, als hij volmaakt is en tot alle goed werken volmaakt is toegerust. Bij elke prediking moet dit doel voorop staan. Waar de natuurlijke mens dit doel ook beoogt, maar uiteraard in zijn middelen ver tekort schiet, denkt hij toch nog parallel aan de gedachten van God met de mens. Hij streeft immers naar herstel en levensvernieuwing. Alleen het evangelie van Jezus Christus schept echter de mogelijkheid dat dit doel geen hersenschim blijft, maar werkelijk gerealiseerd wordt. Daarom schreven wij dat ieder mens die het goede zoekt, het eeuwig evangelie met blijdschap zal aanvaarden.

Het is te betreuren, dat het evangelie van Jezus Christus doorgaans zo verdraaid en verwrongen gepredikt wordt, dat het niet meer begerenswaardig is voor degene die hongert en dorst naar gerechtigheid. De mens heeft een eeuwige bestemming, omdat hij een onsterfelijke, inwendige mens heeft die mee functioneren kan in de wereld, waarvan Paulus schreef: ‘Het onzichtbare is eeuwig’. In ons vers is de tegenstelling niet: dood en leven, maar eeuwige straf en eeuwig leven. In de finale gaat het om eeuwige rampzaligheid of eeuwig geluk.

Nu zagen wij dat de vuurpoel niet voor de mens, maar voor de satan en zijn demonen bereid is. Maar als de mens met een boze geest verbonden is, zal hij dáár terechtkomen waar deze demon naar toegaat. Als hij met Gods Heilige Geest verbonden is, zal hij zich bevinden waar de Heilige Geest is, namelijk bij God en bij zijn Zoon. Bij hen die gebonden zijn aan Satans demonen, onderscheiden wij twee categorieën: zij die dit willen en er een behagen in hebben het kwade te doen en zij, die zich (zij het tevergeefs) ertegen verzetten. Paulus sprak over een situatie dat de mens het goede wil, maar dat de zondemacht in hem overheerst. De laatste groep ziet dikwijls de weg tot bevrijding niet, omdat deze nooit duidelijk gebracht werd. Hoe klein is de groep, die inzicht ontvangen heeft in het Koninkrijk der hemelen en de sleutels ervan ook hanteert.

Paulus spreekt over mensen, die wel gered worden, maar schade zullen lijden (1 Cor.3:15). ‘Als door vuur heen’ gered worden, betekent op een gewelddadige wijze verlost worden van satan’s demonen, waarvan men op aarde niet bevrijd werd in de naam van Jezus. Zulke ‘beschadigde’ rechtvaardigen – die de zonde haatten – maar toch dikwijls gedwongen werden dingen te doen, die zij niet wilden, gaan als Oudtestamentische gelovigen naar het dodenrijk en zullen net als dezen bij hun herrijzenis staan aan de zijde van de ‘gezegenden van de Vader’ en zij zullen hun volkomen genezing vinden bij het levensgeboomte (de gemeente), waarvan de bladeren, (de geestelijke gaven) zijn tot genezing van de volken. Op deze wijze zullen de rechtvaardigen van het oude en van het nieuwe verbond, die het beloofde (de volmaaktheid) niet verkregen hebben, door de gemeente tot de volkomenheid gebracht worden (Hebr.11:40).

De ‘eeuwige eeuwen’

Alle mensen, of zij zich nu christenen noemen of niet, die onverschillig hebben gestaan ten opzichte van de zuchtende schepping, die weigerden de geringsten onder de broers en zusters te ondersteunen, staan in wezen aan de kant van het rijk van de duisternis. De ontbindende en wetteloze machten van ziekte en zonde, van armoede en onrecht, maakten op hen geen indruk en wekten geen erbarmen op. Zij bekommerden zich alleen erom tijdens het aardse leven te genieten wat er te genieten en te halen wat er te halen was. Honger en dorst naar de gerechtigheid kwamen in hun leven niet voor. Voor deze onverschilligen geldt:

  • ‘En de rook van hun pijniging stijgt op in alle eeuwigheid’, terwijl de rechtvaardigen blij kunnen zeggen: ‘Hem, die op de zit, en het Lam, zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden’ (Op.14:11 en 5:13).

In beide gevallen heeft hier het woord ‘eeuwige eeuwen’ dezelfde kracht. Er is geen alverzoening, omdat de duivel in wezen slecht is. Men kan de duivel niet uit de duivel werpen of verlossen van de boze! Men kan ook de mens, die voor de duivel gekozen heeft er niet van bevrijden. De geestelijke wereld kent geen vernietiging, maar slechts onvergankelijke werkelijkheden. Jezus sprak over mensen, voor wie het beter was geweest, dat zij nooit geboren waren. Dit sluit uit dat voor hen nog een tijd van eeuwig geluk zou aanbreken. De Bijbel zegt dat het einde van de vijanden van het kruis van Christus het verderf is, wat dus betekent dat hier geen zaligheid meer op volgt. Vijanden zijn zij, die het evangelie gekend hebben, het verwierpen en zich er vijandig tegenover stelden.