De drie Hemelen

De eerste hemel

Wanneer sprake is van een eerste hemel, dan is dit voor ons het koninkrijk der hemelen of de hemelse gewesten, waarin we ons nu bevinden, waarin wij wandelen, strijden en overwinnen. Deze worsteling duurt voort tot na het duizendjarige rijk en tot na de ondergang van satan, waarop de laatste en algemene opstanding volgt. Dan lezen we:

  • ‘En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan’ (Op.21:1).

De tweede hemel

De nieuwe hemel kunnen wij dus de tweede hemel noemen en de vernieuwde aarde de tweede aarde. Hier bevindt zich de gemeente van Christus, die bij de eerste opstanding en bij de verandering in een ondeelbaar ogenblik de totale volmaaktheid verwierf naar geest, ziel en lichaam. Hier bevinden zich dan ook met een geestelijk lichaam – hoewel innerlijk nog niet volmaakt – na de tweede opstanding, de rechtvaardigen van het oude verbond. Van hen staat geschreven:

  • ‘Al deze mensen, die van oudsher om hun geloof geprezen worden, hebben de belofte niet in vervulling zien gaan omdat God voor ons iets beters had voorzien en hij hen niet zonder ons de volmaaktheid wilde laten bereiken’ (Hebr.11:39,40 ). Deze eersten zullen de laatsten zijn.

Het is duidelijk, dat de gelovigen uit het oude verbond en misschien ook diegenen in het nieuwe tijdperk, die op oudtestamentische wijze onder de wet geleefd hebben, door de gemeente tot de volkomenheid gebracht zullen worden. Zij hebben dan op de nieuwe aarde wel een volmaakt opstandinglichaam ontvangen, maar hun innerlijke mens moet nog herstellen en zij moeten nog vervuld worden met Gods Heilige Geest. Ook bij hen gaat dit niet automatisch, maar door middel van het eeuwige evangelie dat door de gemeente aan hen verkondigd wordt: ‘De bladeren van het levensgeboomte (beeld van de gemeente) zijn tot genezing van de volken’ (Op.22:2). In het beeld is dan ook sprake van de rivier van het Levenswater, namelijk van Gods Heilige Geest. Wanneer alle rechtvaardigen van het oude en het nieuwe verbond deze Geest ontvangen hebben, komt het einde, zoals er staat:

  • ‘Daarna het einde’ (télos, de verwerkelijking van het plan van God, wanneer Hij het koningschap aan God de Vader overdraagt’ (1 Cor.15:24). Dan is het plan van God voltooid, ‘zodat God alles in allen zal zijn’ (1 Cor.15:28).

De derde hemel

Velen spreken en zingen graag over de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem. Voor ons is echter het herstel van de tempel van God van het grootste belang. Deze gaat vooraf aan de herbouw van Jeruzalem. In de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde gaat het om het herstel van het hele volk van God, om het één worden van de gelovigen van het oude en van het nieuwe verbond. Dan wordt de tempel niet meer gezien, maar zij is opgegaan in de stad van God. Na deze voltooiing kan gesproken worden van de derde hemel. De drie hemelen wijzen dus op de drie fasen van het plan van God met de mens en de schepping. Paulus werd eenmaal in de geest weggevoerd tot in de derde hemel en het werd hem toegestaan een blik te werpen in het herstelde hemelse paradijs, waarvan het aardse Eden een schaduw was (2 Cor.12:1-4). Hier zag de apostel de verwezenlijking van het uiteindelijke doel van Gods gedachte met de mens. De derde hemel is niet de derde in rangorde van plaats, maar in rangorde van tijd.

Tijdens de eerste hemel is er dus sprake van het herwinnen van het paradijs. Daarna volgt de tweede hemel waarin het paradijs totaal hersteld wordt. Alle bomen en planten komen dan tot hun recht. In het midden staat de Levensboom, beeld van Christus, omringd door het levensgeboomte, beeld van de gemeente. Wat na dit herstel volgt, is ons niet bekend. De Bijbel spreekt alleen van de weg die naar dit doel leidt. ‘Het is (nu) nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zal zijn, wij Hem gelijk zullen zijn’ (1 Joh.3:2). De apostel Paulus sprak over de derde hemel, dat hij daar onuitsprekelijke woorden gehoord had, die het een mens niet geoorloofd zijn, uit te spreken. Deze voltooide heerlijkheid is zo groot, dat zij ook niet met aardse beelden weer te geven is. Is het een wonder dat Paulus heen wijzend naar de openbaring van het geheimenis, die hij ontvangen had, schreef: ‘Daarnaar kunt u bij het lezen u een begrip vormen van mijn inzicht in het geheimenis van Christus’ (Ef.3:3,4).

Zeker is dat de apostelen zich bewust waren van de heerlijkheid van de dingen, waarnaar hun evangelie de schepping voerde. Het was voor hen de grote stimulans om ondanks alle tegenstand blijmoedig verder te gaan. Ook Petrus had iets van de heerlijkheid van deze laatste hemel gezien. Hij was immers met Johannes en Jacobus op de berg van de verheerlijking geweest. Daar zag hij hoe Jezus verheerlijkt werd, hoe het aanzien van zijn gelaat veranderde en zijn kleding stralend werd. Maar hij zag ook hoe de vertegenwoordigers van het oude verbond, Mozes en Elia, in heerlijkheid verschenen, dus deelhebbers waren van de derde hemel (Luc.9:28-36). De leerlingen zagen dit alles in een gezicht (Matth.17:9). Paulus putte nog velen jaren later nieuwe kracht, toen hij zich zijn visioen herinnerde en Petrus herinnerde zijn lezers nog vaak voor zijn heengaan aan deze vreugdevolle toekomst (2 Petr.1:15-21).

Van Jezus wordt gezegd dat hij de hemelen is doorgegaan of doorgedrongen (Hebr.4:14). Hier is sprake van de eerste hemel of de hemelse gewesten met het Koninkrijk van God, dat van satan en het dodenrijk. Het woord hemelen wordt daar gebruikt als een tegenstelling met de aarde, waar de hogepriester niet verder kon gaan dan een zichtbaar, aards heiligdom. Door zijn dood werd Jezus onttrokken aan de zichtbare wereld en ging Hij in de geestelijke wereld door licht en duisternis. In het koninkrijk van het Licht bracht Hij zijn leven als offer op het hemelse altaar. In het rijk van de duisternis heeft Hij satan onttroond en in het dodenrijk de sleutels van de dood in ontvangst genomen. Daarna is Hij door de zichtbare wereld ‘naar de hemel’ gevaren, gezien door al zijn leerlingen. Dit was een beeld van het feit dat Hij in de onzichtbare wereld zijn plaats op de troon van God ging innemen als eerste van de nieuwe schepping.

Wat Hemzelf betreft, heeft Hij het doel bereikt en zijn gemeente zal bij de eerste opstanding de plaats op de troon van God ook bezetten. Vanuit dit machtscentrum is Jezus bezig het paradijs in de onzienlijke wereld te leggen en Hij schakelt op deze aarde zijn dienstknechten als landbouwers in. Aan de moordenaar, die onder de aller moeilijkste omstandigheden geloof hechtte aan Jezus en zijn Koninkrijk, beloofde de Meester: ‘Ik verzeker je: nog vandaag zul je met Mij in het paradijs zijn’ (Luc.23:43). Deze man werd dus een eerste plant in de hemelse hof van Eden.