De brandende oven

Sadrach, Mesach en Abednego in de brandende oven

Na de verklaring van zijn droom door Daniël erkende Nebukadnezar dat de God van deze profeet de oppermachtige is, de Heer van de zienlijke en van de onzienlijke wereld (Dan.2:47). De verborgenheden van het plan van God waren in beelden geopenbaard. De valse kerk die gesymboliseerd was in het reusachtige beeld, zou ten ondergaan en plaats moeten maken voor het Koninkrijk van de God van de hemelen. Nebukadnezar beeldt in de Schrift de tegenhanger uit van Jezus Christus. Deze koning vertegenwoordigde en symboliseerde het brein (het gouden hoofd) achter de verbasterde kerk die over zou gaan in de gemeente van de antichrist.

Het beeld in het dal Dura

In Daniël 3 wordt verteld hoe Nebukadnezar, ondanks zijn erkenning dat de God van Israël de God van de goden was, toch vasthield aan zijn voornemen om zichzelf te verheffen. Hij was immers in het droombeeld het type van de overste van deze wereld die God aan gelijk wilde zijn en zijn intenties niet verloochenen kan. Uiteindelijk had de droom dan ook een uitwerking bij deze vorst die tegengesteld was aan zijn verklaring, want in het dal Dura gaat hij voort zijn eigen rijk te bouwen. Hij vervaardigt ‘een beeld dat zeer hoog was, dat glansde en waarvan de aanblik afschrikwekkend was’ (Dan.2:31). Nebukadnezar richt dit monument op, maar hij gebruikt geen zilver, koper, ijzer of leem. Alles moet goud zijn, in ieder geval aan de buitenkant. Het geestelijke Babylon zal immers nooit zijn aftakelingsproces erkennen. Zijn leiders spreken steeds weer over een vernieuwingsproces. Als nooit te voren zal in de laatste dagen, de afgevallen kerk haar glans op aarde laten stralen: vanwege de hulp die zij schenkt aan ontwikkelingsgebieden, haar politieke gerichtheid en haar ‘zorgen’ op het sociale terrein. Men spreekt dan ‘dat de vele banden waarmee de mensheid gebonden is, verbroken worden’ en ‘over de noodkreet van de armen die schreeuwen om vrijheid en gerechtigheid’. Maar onze Heer bracht vrijheid, door duivelen uit te werpen en door de kracht van de Geest van God. Op deze wijze verbrak Hij de boeien van de gebondenen en door demonen bezette mens. Aan de armen bracht Hij het evangelie als een blijde boodschap.

Het beeld van Nebukadnezar symboliseerde het rijk van de leugen: indrukwekkend, maar wetteloos in zijn verhouding van tien op één. Voor dit monsterlijke beeld moeten de burgemeesters en wethouders, provinciale ambtenaren, militaire bevelhebbers, ministers van financiën, staatsraden, rechtbanken, provincie- en gemeente beambte, knielen. Let erop dat hier sprake is van een aparte godsdienst, want de wijzen, bezweerders, geleerden en waarzeggers uit Daniël 2 komen er niet aan te pas. Ook Daniël als ‘opperhoofd over alle wijzen’ missen wij bij deze oproep tot aanbidding, terwijl Sadrach, Mesach en Abednego als bestuurders van het gewest Babel wél aanwezig moesten zijn. Op het muzieksignaal wierp men zich ter aarde en werd zo occult verbonden met de geest die achter dit beeld schuilging, een uitbeelding van wat in de eindtijd zou gebeuren.

Het ‘beeld’ in de eindtijd

In Openbaring 13 zien we hoe een geestelijke macht in de eindtijd uit de afgrond opkomt. In vers 5 wordt meegedeeld hoe aan deze geest een mond gegeven wordt, die grote woorden en godslasteringen spreekt. Er is dus een mens, door wie deze geest zijn wetteloze gedachten in de wereld kan brengen. Zoals de ware profeten ‘de mond van de Heer’ zijn, zo is deze valse profeet of antichrist de mond van het beest dat uit de diepte van de zee, dat is uit de afgrond of het dodenrijk, oprijst. Deze antichrist wordt ‘het beest uit de aarde’ genoemd’. Hij is het hoofd, de Nebukadnezar van de opwekkingsbeweging uit het rijk van de duisternis, van de tegenkerk van Jezus Christus. Daarom zegt deze geestelijke leider tot ‘hen die op de aarde wonen’, dus tot de afvallige christenen die geen woonplaats in de hemel hebben, ‘dat zij een beeld moeten maken voor het beest’ uit de afgrond.

Zoals de ware gemeente het beeld van Jezus Christus is, zo vormt zich een valse kerk die het beeld van de antichrist draagt. Zoals dan de ware gemeente de Heilige Geest heeft ontvangen, zo is er in deze occulte gemeente een doop in de geest van de antichrist. Door deze geest openbaart de duivel zich als de geest van de dwaling, in tegenstelling met de Heilige Geest die de geest van de waarheid genoemd wordt. Deze leugengeest richt zich vanwege haar verbondenheid met de afgrond op spiritistische wijze op de dood en het dodenrijk, terwijl de Heilige Geest de christen met het eeuwige leven verbindt. De antichrist eist dat iedereen zich bij zijn gemeente voegt, er contact mee opneemt en het beest uit de afgrond aanbidt.

De grote verdrukking

Nebukadnezar gaf bevel dat iedereen die zich niet voor zijn beeld boog, in de vurige oven geworpen zou worden. De dreiging van de eindtijd is: wie het beeld van het beest niet aanbidt, moet gedood worden. Aan de ware christen wordt dan het kopen en verkopen onmogelijk gemaakt. Hij bezit geen levensmogelijkheid meer op aarde, omdat hij niet met de geest van de antichrist gedoopt is en weigert dit merkteken van het beest te dragen. Ook de door God ingestelde overheid leunt tegen deze valse kerk aan en de subcultuur is met haar geest doordrenkt. Voor de kinderen van God is geen deelname meer mogelijk in staat en maatschappij. Er wordt meegedeeld dat het beeld van het beest ook zou spreken, dit wil zeggen dat de leden van de antichristelijke kerk eerst gezalfd worden met de geest uit de afgrond en dan gaan handelen als geïnspireerde dienaren van de antichrist. Zoals de zonen van God getuigen in de naam van Jezus en in zijn kracht grote wonderen en tekens verrichten, zo spreken ook de leden van deze demonische kerk in de naam van het beest uit de aarde. Men kan slechts lid worden van deze satanische kerk, als men volkomen toegewijd is, als men ook gewillig is om zich ter aarde te werpen en geheel op te gaan in het rijk van de leugen. Zéér zeker zal dan het lied: ‘O, niets te zijn, helemaal niets te zijn’ een geliefkoosde uiting zijn om daardoor helemaal vervuld te worden met de krachten van de onzienlijke wereld, maar dan van de duistere kant.

De massa van het christendom wordt verleid en slechts een overblijfsel weigert het beeld te aanbidden, zoals ook alle leidinggevende onderdanen van koning Nebukadnezar zich neerbogen voor het beeld van de nieuwe cultus en slechts drie mannen die de ware God dienden, bleven staan. Had de verleider ook Jezus niet eenmaal benaderd met de woorden: ‘Dit alles zal ik U geven, als U zich neerwerpt en mij aanbidt?’ De ware aanbidders van God gaan echter in de eindtijd niet opzij voor de glans, voor de wonderen en voor de tekens van de valse kerk. Zij hebben de hartgesteldheid van de drie vrienden, die op de vraag:

  • ‘En welke god zal jullie dan uit mijn handen kunnen redden?’, slechts antwoorden: ‘Wij vinden het niet nodig, Nebukadnezar, uw vraag te beantwoorden, want als de God die wij vereren ons uit een brandende oven en uit uw handen kan redden, zal Hij ons redden. Maar ook al redt Hij ons niet, majesteit, weet dan dat wij uw goden niet zullen vereren, noch zullen buigen voor het gouden beeld dat u hebt opgericht.’

Te staan voor de Mensenzoon

Voor de zonen van God wordt in de eindtijd de uitspraak geaccentueerd: ‘Ik heb u geschreven, jonge mannen, want jullie zijn sterk en het woord van God blijft in jullie en u hebt de satan overwonnen’. Zij vrezen het gebod niet, blijven standvastig, ‘als ziende de Onzienlijke’. Zij laten zich niet misleiden, zich niet benevelen, maar zij blijven staan. Jezus sprak: ‘Blijf altijd waakzaam en bid dat u de kracht zult hebben om te ontkomen aan alles wat er gaat gebeuren en rechtop te staan voor de Mensenzoon’ (Luc.21:36). De Heer wil niet dat wij op de grond gaan liggen, ons overgeven om niets meer te zijn, maar Hij wil dat wij blijven staan, ons opstellen als helden. Wie een wapenuitrusting draagt, ligt niet, maar staat om weerstand te kunnen bieden. De drie vrienden kwamen in een brandende oven die met ‘olie, pek, teer en takkenbossen’ (Griekse vert.), zevenmaal heter gestookt was dan normaal. De gemeente van Jezus Christus wacht ‘het uur van de verzoeking, die over de hele wereld komen zal’.

Wij weten niet hoe deze grote verdrukking zich zal openbaren. Wij missen iedere vergelijking om er ons een juiste voorstelling van te kunnen vormen. De Heer sprak over een verdrukking zoals er niet geweest is van het begin van de wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal. Het gaat niet over hongersnoden, oorlogen, epidemieën of andere natuurlijke verschrikkingen, want deze benauwdheid verschilt essentieel van alle andere verdrukkingen, doordat zij over de geest van de mensen komt. Het geheimenis van de wetteloosheid wordt dan geopenbaard. De afgrond wordt geopend en er zal een invasie zijn van zeer occulte demonen. Wij begrijpen niet wat het zeggen wil dat men zal wensen te sterven en dat de dood wegvlucht. We hebben geen vergelijkingsmateriaal, omdat wij met verschijnselen te maken krijgen die zich zuiver in de geestelijke wereld voordoen. Al het raffinement van de vijand zal zich openbaren om de geest van de mens machteloos te maken. De apostel wees er al op dat wij niet te strijden hebben tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. En voor de eindtijd zouden wij er in het bijzonder aan kunnen toevoegen: tegen de zeer occulte geesten die opstijgen uit de afgrond.

Door het vuur niet beschadigd

De jonge mannen worden niet bewaard voor het vuur, maar IN het vuur. Te midden van de vlammen wandelden zij vrij en ongedeerd. Dit vuur is het beeld van de machten van de duisternis. Gods volk zal niet weggenomen worden voor de grote verdrukking, maar God bewaart het daarin en leidt het daar onbeschadigd uit. In Openbaring 3:21 staat: ‘Ik zal u bewaren voor het uur van de verzoeking, die over de hele wereld komen zal’. Het woordje voor wordt ook vertaald door in of uit, wat dus betekent dat de gemeente de verdrukking meemaakt. De Griekse vertaling van Daniël 3 deelt mee dat de engel van de Heer de vuurvlammen buiten de oven hield, maar dat hij de oven koel maakte, alsof er een morgenwind waaide. In deze versie lezen we ook van het loflied van de drie mannen; waarin zij God als uit één mond verheerlijkten. Voor hen gold wat van Abraham gezegd werd: door het geloof verliet Abraham Ur, (dat betekent ‘het vuur’) van de Chaldeeën. Hierin ligt voor de gemeente in de eindtijd een belofte. Zij zal onbeschadigd blijven te midden van de aanvallen van de occulte demonen uit de afgrond. De tegenwoordigheid van de Heer zal haar verkwikken. Zij zal zien dat de vlammen naar buiten slaan en deze de antichrist met zijn leger doden in de slag bij Armageddon.

Het is niet verwonderlijk dat wij na deze grote verdrukking in Openbaring 14 lezen dat het Lam zal staan op de berg Sion, beeld van de Heilige Geest. Hij is dan omringd door de 144.000 op wier voorhoofden zijn naam en de naam van zijn Vader geschreven zijn. Zij zijn het die het Lam volgen waar Hij ook heengaat. Ook zij zingen hun lofliederen, een nieuw lied, terwijl zij nog voor de troon staan. Het geluid van de zware donder wijst op het feit, dat het uur van het oordeel is gekomen. Hun bevrijding is dan gekomen, omdat zij losgekocht zijn van de aarde, maar ook van het vuur. Deze menigte van overwinnaars zal dit vuur verlaten om naar lichaam, ziel en geest voor eeuwig hun plaats in te nemen op de troon van God.