De afgrond

  • ’En ik zag een engel neerdalen uit de hemel met de sleutel van de afgrond en een grote ketting in zijn hand. En hij greep de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan en bond hem voor duizend jaar’ (Openbaring 20:1,2).

Wat bij Gadara gebeurt, is wonderbaar en ook angstwekkend. De man, die Jezus ontmoet, is van de duivel bezeten. Het geschreeuw van deze waanzinnige is in de kleine huisjes bij het meer dikwijls te horen. Zijn lichaam is bedekt met wonden en builen, die hij zichzelf heeft toegebracht en aan zijn voeten zijn nog overblijfselen van de ketens, waarmee men deze krankzinnige heeft willen binden. In zijn aanvallen van razernij is hij gevaarlijk en hij beschikt dan over krachten die bij een normaal mens ontbreken. De mensen in het dorp willen prettig wonen en met rust gelaten worden. Zij houden niet van deze sinistere dreiging: zij zijn maar heel gewone mensen.

Als zovelen in onze dagen geven zij aan het zogenaamde ‘eenvoudige evangelie’ de voorkeur. Als Jezus de mens geneest worden zij bang en verzoeken Hem maar zo spoedig mogelijk van hen weg te gaan en voortaan hun rust niet meer te verstoren en hun zekerheden aan te tasten. Wanneer Jezus aan de gelovigen de opdracht geeft: ‘In mijn Naam zult u boze geesten uitdrijven’ en zijn volgelingen gaan dit doen, keert het grootste deel van de christenen zich niet tegen deze uitspraak, maar men vraagt ‘uit hun gebied weg te gaan’. Men voelt zich veiliger zonder deze Christus van de Schriften en houdt zich liever aan het rustig bezit van de traditie. Men gaat het volgen van Christus met zijn consequenties uit de weg.

De zonde van de engelen

In Judas 6 lezen wij over engelen, die aan hun oorsprong ontrouw worden en hun eigen woning verlieten. Zij worden met eeuwige banden onder donkerheid bewaard. In 2 Petrus 2:4 staat, dat God engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard heeft, maar hen – door hen in de afgrond te werpen –aan donkere spelonken van de duisternis heeft overgegeven. De grote en verschrikkelijke zonde van de engelen is, dat zij ontrouw geworden zijn aan hun oorsprong, dat is Degene die hen geschapen had en aan het beginsel dat Hij in hen gelegd had. De roeping van de engelen is, dat zij ‘uitgezonden zijn om hen bij te staan die deel zullen krijgen aan de redding’ (Hebr.1:13). In plaats van te dienen, hebben deze gevallen engelen dit beginsel verlaten en zijn zij heerschappij gaan uitoefenen. Zij hebben de mens overweldigd en bezit genomen van hem, die de drager was van het beeld van God. Op deze wijze hebben zij de mens tot zonde verleid, hem ziek gemaakt, gebonden, ja zelfs tot bezetenheid gebracht.

Ontelbare legers demonen belagen de mens met het doel zich met zijn lichaam of geest te verbinden. In de zienlijke wereld hebben wij een schaduw van wat in de onzienlijke wereld plaats vindt. Ook ons lichaam wordt door miljoenen tegenstanders bedreigd. Wanneer een mens bijvoorbeeld op een spijker trapt of zich in de vinger snijdt en het wondje niet goed schoonmaakt, vormen de microben ogenblikkelijk een bruggenhoofd in het lichaam. Van dit punt uit beginnen zij hun offensief. Voortdurend proberen kleine bacteriën, die zich altijd op de huid bevinden, toegang te krijgen tot de donkere, vochtige omgeving onder de oppervlakte. Lukt dat, dan is de tijd rijp voor een veldslag en vergeleken bij de woeste gevechten die dan uitbreken, zinkt elke oorlog tussen mensen naar omvang en ingewikkeldheid in het niet.

Een horde ongeziene vijanden

‘Wij leven te midden van een horde ongeziene vijanden, die stuk voor stuk proberen ons te overweldigen,’ zo lazen wij in een artikel van een Brits geleerde. Zo ook wordt het beeld van God, de kroon van de schepping vanuit het rijk van de duisternis onophoudelijk aangevallen. Het allerergste gebeurt, wanneer zo’n onreine geest binnendringt en zich met de geest van de mens verbindt. De mens hoort een tempel van God te zijn, waarin alleen Gods Heilige Geest wonen mag. ‘De Geest, die Hij in ons deed wonen, begeert Hij met jaloersheid’ (Jac.4:5). Laten wij daarom acht geven op het Woord van de Heer: ‘Weersta de duivel en hij zal van u vluchten.’ De verbondenheid met Gods Geest of de verbondenheid met de boze geesten is uiteindelijk beslissend voor het wel of het wee voor de mens. Door in de koning van de schepping binnen te dringen, betonen de afgevallen engelen zich vijanden van God. Door deze daad kunnen zij Gods hele schepping aantasten. De hele zienlijke wereld, het hele universum is aan de satan onderworpen vanwege het feit, dat boze geesten zich met de menselijke geest verbonden hebben. De zonde die in de mens woont bewerkt het kwade, maar de mens gaat door deze verbondenheid verloren, zoals hij door zijn verbondenheid met Gods Heilige Geest behouden wordt.

De straf

God werpt de engelen, die gezondigd hebben en zo hun beginsel verlaten hebben, in de afgrond door middel van zijn aan Hem trouw gebleven engelen. Het vreselijke is, dat dit vonnis óók de mens treft, die met een demon verbonden blijft. Het voorbeeld vinden wij in 2 Petrus 2:4 en 5. Hier wordt het oordeel over de gevallen engelen verbonden aan de ondergang van de eerste wereld. ‘God heeft de wereld van de voortijd niet gespaard.’ Wanneer de aarde van boze geesten gereinigd zou worden, moest de mens mee sterven. God scheidt de menselijke geest niet van de boze geest zonder de wil van de mens. Aan de mens zelf is de keuze. Jezus is gekomen voor allen die door de duivel overweldigd zijn, maar niet voor hen die de duisternis liever hebben dan het licht en zich graag verbinden met satans demonen. Dit noemt de Bijbel ‘een zonde tot de dood’.

Waar de mens Gods Geest toelaat, ontvangt hij een kracht die in staat is de demonen uit te werpen. Wie zich echter niet bekeert en niet losgemaakt wordt van de boze geesten, ontvangt de straf van de ongehoorzamen van de eerste wereld. Als de watermassa’s van de zondvloed zich over de laatste mensen sluiten, zijn de ongehoorzame engelen die in hen huizen met de geesten van de mensen in de afgrond gestort, in het rijk van de duisternis. Volgens professor Alfred M. Rehwinkel, die een boek van 370 bladzijden over de zondvloed schreef, werd de aarde toen door evenveel mensen bewoont als op het ogenblik; dus +/- 8,5 miljard, maar via tijdsberekeningen van een lange levensduur en daardoor meer geboorten in die voortijd, kan dit ook 20 miljard zijn geweest.

Bescherming weggenomen

Deze onvoorstelbare catastrofe was nodig omdat de Heer God zijn bescherming moest wegnemen om de (goddeloze) aarde te zuiveren. Een reiniging op dezelfde wijze tot stand gebracht vinden wij bij de omkering van Sodom en Gomorra, in de opdracht aan de Israëlieten om de Kanaänieten uit te roeien, in de plicht om onder het volk van God echtbrekers, tovenaars, spiritisten, afgodendienaars en weerspannigen te stenigen. Alleen op deze wijze konden de verschrikkelijkste boze geesten gebonden worden en in de Tartarus of afgrond overgeleverd worden aan de ketens van de duisternis. Wij kunnen dus de gevallen engelen in twee klassen verdelen: zij die gebonden zijn in de afgrond en zij die de aarde en de hemelse gewesten nog bewonen en rondgaan om te verleiden en de mens te overheersen en zo mogelijk zich in deze te incorporeren. Die vrij zijn staan onder leiding van de overste van de lucht, de satan. Hij wordt genoemd; Beëlzebub of overste van de demonen (Aramees: god van de mesthoop, Hebreeuws: heer van de woning). Er is sprake van satan en zijn engelen of de draak en zijn engelen. De ontelbare demonische legers maken het satan mogelijk om praktisch overal tegenwoordig te zijn (Math.12:22-28).

De afgrond

Wij schreven, dat ook de geesten van hen, die met de boze geesten gemeenschap hadden, zich in de afgrond bevinden. In deze afgrond heerst als koning een engel van satan, wiens naam in het Hebreeuws is Abáddon en in het Grieks Apollyon en in het Nederlands heet deze engel van de dood: Verderver. De afgrond is de tijdelijke verblijfplaats voor demonen en niet geredde zielen. Vandaar dat de Bijbel spreekt over de geesten in de gevangenis, dat is in de diepste duisternis van het dodenrijk, afgescheiden van bijvoorbeeld ‘Abrahams schoot.’ Als de satan zelf eenmaal in de afgrond gestoten wordt tijdens duizend jaren, wordt ook hier weer over een gevangenis gesproken, waaruit hij zal worden losgelaten om de volken opnieuw te verleiden bij Gog en Magog. Deze afgrond is net als de poel van vuur niet voor de mens, maar voor de duivel en zijn engelen (Matth.25:41). In beide plaatsen komt de mens, als hij met een zelf dichtgeschroeid geweten, met de demonen verbonden is. Het is een plaats van pijniging, want van de rijke man lezen wij, dat hij in het dodenrijk zijn ogen opsloeg onder de pijnigingen. Het is de afgrond, dat wil zeggen de plaats waar geen bodem meer is. Het Griekse woord Abyss betekent hetzelfde. Iedere vastigheid, zekerheid, vreugde en straaltje licht wordt hier gemist. Het is het rijk van de duisternis, de plaats van twijfel, vrees, wraak en verderf. Onze Redder is zelf bij zijn sterven deze duisternis binnengetreden, maar de hoofdengel ’Dood’ kon de Heer Jezus niet vasthouden. De Meester was en is immers zonder zonde en Dood hemzelf moest hem vrijlaten bij gebrek aan rechtmatig ‘bewijs’!

De sleutels van het dodenrijk ontnomen

De Romeinenbrief stelt deze merkwaardige vraag:

  • ‘Wie zal in de afgrond neerdalen?, namelijk om Christus uit de doden te doen opkomen’ (Rom.10:7). Daar in deze peilloze diepten, is de verheerlijking van Jezus begonnen. ‘Naar het lichaam werd hij gedood maar naar de geest tot leven gewekt. Hij is naar de geesten gegaan die gevangen zaten, om dit alles te verkondigen aan hen die ten tijde van Noach weigerden te gehoorzamen, toen God geduldig wachtte en de ark gebouwd werd’ (1 Petr.3:20).

Wij weten dat de geest van de mens Jezus, verbonden met Gods Heilige Geest, de verderver de sleutels van het dodenrijk ontnomen heeft en dat hier de triomf over het rijk van satan begonnen is, omdat de machten ‘onder de aarde’ hebben moeten erkennen: Jezus Christus is Heer, tot eer van God, de Vader, in wiens handen Hij zijn geest bevolen had (Fil.2:11). Te midden van de gedrochten van de hel, de draken, slangen, schorpioenen, veldduivels en het onrein gevogelte heeft Hij als mens de overwinning geproclameerd van Gods licht en Gods liefde voor het menselijk geslacht: ‘Want over engelen ontfermt Hij zich niet, maar Hij ontfermt zich over het (geestelijk) nageslacht van Abraham’ (Hebr.2:16).

Boze geesten zullen zij uitdrijven

Bij Gardara roepen de demonen het uit: ‘Wat hebben wij met jou te maken, Jezus van Nazareth? Ben je gekomen om ons te vernietigen?’ (Marcus 1:24). Een legioen demonen, dat zijn er dus ongeveer vijfduizend, smeekte dat het niet vóór de tijd gepijnigd zou worden. Want wat gebeurt er? Als het Koninkrijk van God nabij is, worden de demonen uitgedreven en in de afgrond geworpen. De kracht van de Heilige Geest is zo ontzagwekkend, dat Jezus hen allen samen gelasten kan om naar de bodemloze put te gaan, waar zij thuis horen. De overste van dit onnoemelijk grote concentratiekamp ‘Dood’ hemzelf, zal bovendien niet dulden dat zijn dienaars van de aarde, in de Abyss neerdalen zonder prooi. Daarom zal dan pijniging hun deel zijn. Maar nu is op aarde een andere tijd aangebroken, die waarin het Koninkrijk der hemelen wordt geopenbaard. Door het machtwoord van hen, die vervuld zijn met de Geest van God, dus de kracht van de Allerhoogste, worden de demonen gescheiden van de geest van hun slachtoffer. In opdracht van een koninklijk priesterdom worden zij gebonden; de band waarmee zij de mens gebonden hielden, wordt ontbonden en zij worden naar de afgrond verwezen. Satan mist dan zijn doel. Zijn demonen moeten hun prooi loslaten en toezien hoe zijn boze geesten de straf voor hun ongehoorzaamheid ondergaan. De afgrond wordt boven hen gesloten en zij zijn in de kerker.

Geestelijke gaven zijn nodig

Meer dan ooit danken wij de Heer voor de volkomen verlossing die Hij heeft bewerkt. Wij mogen ons er niet alleen over verheugen dat wie door Christus vrijgemaakt is werkelijk vrij is en ‘dat wij zonder vrees, verlost uit de hand van de vijanden, Hem mogen dienen in heiligheid en gerechtigheid voor Zijn aangezicht, al onze dagen.’ Wij worden óók opgeroepen zijn medewerkers te zijn in de strijd. Daartoe heeft Hij zijn zonen en dochters de geestelijke gaven gegeven. Hij wil dat zijn volk hiernaar streven zal, zodat het goed toegerust is tot de strijd. Het is de wil van God dat er geen mens verloren gaat, maar dat allen tot behoud komen. Ook de gebondene en de bezetene!