Bekleed met Christus

  • ‘Want u bent allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. Want u allemaal, die in Christus gedoopt bent, hebt u met Christus bekleed. Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: u bent allen immers één in Christus Jezus. Als u nu van Christus bent, dan bent u zaad van Abraham en naar de belofte erfgenamen’ (Galaten 3:26-29).

Een heerlijke realiteit

Het staat er werkelijk: jullie zijn zonen van God! Jullie zijn vrije zonen. Jullie hebben een verheven naam ontvangen, die van goddelijke oorsprong is. Het woord zonen schenkt de zekerheid, dat jullie erfgenamen zijn van God en mede-erfgenamen van Christus. Als zonen zijn jullie troonpretendenten met wie God zijn hele schepping gaat renoveren en besturen. Door jullie worden het reddings- en verlossingsplan wereldomvattend. In de laatste dagen zal van zee tot zee de belofte worden vervuld: ‘Ik zal uitstorten van mijn Geest op alles wat (voor God) leeft; en uw zonen en dochters zullen profeteren en uw jonge mannen zullen gezichten zien en uw ouden zullen dromen begrijpen’. Voor allen wordt dan de geestelijke wereld een blijde, heerlijke realiteit. ‘De zonen van het licht’, ‘de zonen van de dag’ en ‘de zonen van de vrede’ worden dan geopenbaard. Allen zijn ‘deelgenoten van de hemelse roeping’ en ‘deelgenoten van de goddelijke natuur’. Allen zijn zonen van de hemelse Vader. Tot ons allen spreekt de Heer: ‘Hou niet vast aan het onreine en Ik zal u aannemen en Ik zal u tot Vader zijn en u zult Mij tot zonen en dochters zijn’. Kom hogerop en volhard in de wedloop om het doel van de zonen van God te bereiken: de onberispelijkheid en de volkomenheid. Er staat:

  • ‘Wie overwint, zal deze dingen erven en Ik zal Hem een God zijn en hij zal Mij een zoon zijn’ (Rom.8:17,19; Hand.2:17; 1 Thess.5:5; Luc.10:6; Hebr.3:1; 2 Petr.1:4; Matth.5:45; Rom.8:23; Op.21:7).

De blik op het zoonschap verduisterd

Onder het naamchristendom is de blik op het zoonschap verduisterd. Daarom hebben de vertalers zo dikwijls het woord ‘kinderen’ op de plaats gezet waar ‘zonen’ behoort te staan. De belijdenisgeschriften beschouwen de christen als een nietig wezen. De allerheiligste zou nog maar een klein beginsel van de gehoorzaamheid bezitten. Waar hoort men prediken: Wij zullen de Zoon van God gelijkvormig worden? Toch staat er: ‘Wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij aan Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, zoals Hij is. Ieder die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelf, zoals Hij rein is’ (1 Joh.3:2,3). Als God in het nieuwe tijdperk dat wij zijn ingegaan, ‘in zijn heiligen verheerlijkt wordt’, zullen zijn zonen geopenbaard zijn.

Veel christenen zijn echter geestelijk blind, want zij ‘zien niet het schijnsel van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, die het beeld van God is’ (2 Cor.4:4). Zij hebben de genade en rijkdommen verschoven naar het hiernamaals. De boodschap van de zonen van God zal echter een grote menigte toebrengen uit alle volken, talen en natiën. Deze allen zullen dan met blijdschap het Koninkrijk van God binnengaan. In Romeinen 8:19 staat, dat de zuchtende schepping reikhalzend uitziet naar de openbaring van de zonen van God. De levende natuur wacht niet tevergeefs en ook wij worden in deze hoop behouden. Het einddoel van onze redding is immers de volkomenheid naar geest, ziel en lichaam. God heeft de belofte geschonken van een totaal herstel. Wij aanvaarden dit in geloof en de hoop in ons overbrugt wat wij hebben en wat wij nog zullen ontvangen. Wij hunkeren naar de verlossing van ons lichaam, dus naar het tijdstip dat ons geestelijk lichaam radicaal gescheiden zal zijn van ieder lichaam van de wetteloosheid (de demonen), dat zich aan ons heeft gehecht. Wij houden er rekening mee dat wij verlost zullen worden van het lichaam van de dood en dat van de zonde. Wij leven in het geloof dat iedere boze geest zal wijken. Dit gebed om verlossing wordt in de geopenbaarde zonen van God volledig beantwoord in de lofprijs: ‘God zij dank, het is gebeurd door Jezus Christus, onze Heer’ (Rom.7:25). In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars.

Met Christus bekleed

In de aankondiging: ’U bent allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus’ staat tussen ‘geloof’ en ‘in Christus Jezus’ terecht een komma. Deze woorden moeten gescheiden worden. Wij worden geen zonen van God vanwege ons geloof in de verzoening van onze zonden. Hierdoor werden we kinderen van God. Door de krachtige werking van de Heilige Geest worden wij echter sterke jonge mannen en vrouwen, die de satan hebben overwonnen (1 Joh.2:14). De bedoeling van de apostel komt beter uit in de Leidse vertaling: ‘U bent allen zonen van God in Christus Jezus door het geloof’. In het geloof aanvaardt de christen het meerdere als hij belijdt: ik hoor bij het mystieke lichaam van Christus Jezus als een gerijpte zoon of vrouw, als een medewerk(st)er van God. De Bijbel zegt dat de rechtvaardige alleen leeft door het geloof, dat hij een rechtvaardige is vanwege het verzoenend bloed van Christus. Het zoonschap wordt geopenbaard door het geloof dat wij in het lichaam van Christus zijn. Ons geloof schenkt ons een onomstotelijke zekerheid van deze intieme relatie.

Het woord ‘zonen’ is een meervoudsvorm en daarom voegen wij ons in de zichtbare wereld bij een gemeente, die beeld is van het lichaam van Christus. De apostel vervolgt: ‘Want u allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, hebt u met Christus bekleed’. Paulus spreekt hier niet over de waterdoop, want hierdoor komt men niet in Christus. Ook niet over een opgehoest doopformuliertje op 18 jarige leeftijd zonder een Bijbels gelegd fundament. Men getuigt daar alleen dat men in Jezus Christus gelooft. In het begin van Galaten 3 had de apostel er echter al op gewezen, dat de Galaten de Heilige Geest hadden ontvangen ten gevolge van de prediking van het geloof. Nu zegt hij: ‘toen werden jullie in Christus gedoopt. Jullie geestelijk lichaam werd toen onder gedompeld in het geestelijk lichaam van Christus, dat is in Gods Heilige Geest.’ De kanttekenaars van de Statenvertaling wijzen bij dit vers terecht op deze doop:

  • ‘Hetwelk verstaan moet worden van al degenen, die niet alleen de uitwendige doop des waters, (babybesprenkeling) maar ook de inwendige doop in de Geest ontvangen, 1 Petrus 3:21; gelijk blijkt in Simon de tovenaar, Handelingen 8:13,21, die wel de uitwendige, maar niet de inwendige doop heeft ontvangen’.

In de natuurlijke wereld heeft men er veel voor over om keurig in het nieuwe pak te zitten. Men vraagt dan aan zijn huisgenoten: hoe zie ik eruit? Stelt men deze vraag ook wel eens, als men aan zijn geestelijk kleed denkt? Hoe zien de engelen ons? Is ons geestelijk lichaam overkleed met het lichaam van Christus, of dragen wij nog andere kledingstukken die tot de bekleding met het lichaam van de zonde behoren? De bekleding met het lichaam van Christus betekent: gerechtigheid, kracht, herstel, licht, vrede, blijdschap, dus een waarachtig leven aandoen.

Een nieuwe mensheid

Aan de hemelse kleding is niet te zien of men Jood of Griek, slaaf of vrije, man of vrouw is. Jezus is immers gestorven en daarom is Hij geen Jood meer. Wie in Hem zijn, zijn met Hem mee gestorven. Zij rekenen niet meer met maatschappelijke of nationale verschillen en onder hen is geen ongelijkheid in ras of sekse. Zij zijn allen tot één nieuwe mensheid geschapen. ‘U bent allen immers één (mensheid) in Christus Jezus’. Daarom zijn christenen geen losse individuen bij het dienen van hun Heer. Zij komen in de gemeente, die het lichaam van de Heer op aarde vertegenwoordigt. In de samenkomst verheffen zij hun harten in aanbidding tot God en zijn hun geestelijke lichamen aan elkaar gehecht. Zij zijn vol ijver om de eenheid van de Geest te bewaren door de band van de vrede: één lichaam en één Geest… één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen met zijn geestelijk lichaam (Efeze 4:3-6). Deze eenheid bepaalt de sfeer in een gemeente. Wie zich vrijwillig bij dit lichaam voegt, zal op deze wijze door zijn positieve inbreng de groei van het lichaam bevorderen.

Paulus eindigt met een merkwaardige sluitrede: Christus is het zaad van Abraham (vs.16). De Galaten zijn in Christus. Daarom zijn ze zaad van Abraham en naar de belofte erfgenamen. In de geestelijke wereld zijn geen natuurlijke Joden of Grieken. Daar bevindt zich het geestelijk Israël of het Israël van God, een uitdrukking waarmee Paulus zijn brief besluit.

Het geestelijk Israël

Zonder de brieven van Paulus zouden wij maar een klein fundament onder onze voeten hebben. Dat de gemeente het geestelijk Israël is komt in de geschriften van Paulus overduidelijk naar voren. De volgende punten lichten dit toe:

  • Abraham verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is. Deze stad is het hemelse Jeruzalem. Op de poorten van deze stad staan de namen van de twaalf stammen der kinderen Israëls en op de fundamenten die al aan Abraham getoond werden, staan de namen van de twaalf apostelen van het Lam (Openb.21:12-14).
  • In Galaten 4:26 zegt Paulus: ‘Het hemelse Jeruzalem is vrij; dat is onze moeder’. Binnen de poorten van het hemels Jeruzalem woont het hemels Israël. Het is daar geboren. De aartsvaders verlangden naar een beter, dat is een hemels vaderland (Hebr.11:16). Hun geestelijke nazaten zijn ‘gasten en vreemdelingen’ op aarde.
  • Christus is ook het zaad van David. Jezus noemt zich de wortel en het geslacht van David. Tot het herstel van alle dingen behoort ook de wederoprichting van de troon van David, ‘want de Heer God zal aan Jezus de troon van zijn vader David geven’ (Hand.3:21; Lucas 1:32).
  • In Christus is het geestelijk Israël een koninklijk volk, want het is overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon van David (Col.1:13). Jezus is dus de Koning van de koningen.
  • Jezus is de grote hogepriester, die de hemelen is doorgegaan. In Hem vormt het geestelijk Israël dus een koninklijk priesterschap (Hebr.4:14; 1 Petr.2:9).
  • Het geestelijk Israël ontwikkelt zich tot een tempel van God, heilig in de Heer, een woonplaats van God in de geestelijke wereld (Efeze 2:22). De apostel Petrus raadt deze zonen Gods aan: ‘Laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis’ (1 Petrus 2:5).
  • Christus is het grote Offerlam, dat op de geestelijke berg Sion zal staan. Hij wordt daar omringd door duizend maal twaalf maal twaalf zonen van God. Het Israël van God met een apostolische opdracht (Openb.7:4; 14:1).
  • Door de verzoening van zijn zonden is het geestelijk Israël ‘genaderd tot de berg Sion’ (Hebr.12:22). Als zonen van God beklimmen zij deze berg.
  • Israël werd in Mozes gedoopt in de wolk en in de zee. Het geestelijk Israël wordt in water en in Heilige Geest gedoopt (1 Cor.10:1).
  • Er is sprake van een sabbat die overblijft voor het volk van het nieuwe verbond. Deze rust van het Israël van God bestaat in het voortdurend bezig zijn met de dingen die boven zijn, waar Christus is.
  • Er is een christelijke besnijdenis die zonder handen plaats vindt, door het afleggen van het lichaam van het vlees. Deze besnijdenis hoort bij het geestelijk Israël (Col.2:11).
  • In Christus zijn wij het Israël van God, ‘want hoeveel beloften van God er ook mogen zijn, in Hem (zijnde) is het: ja; daarom is ook door Hem het: Amen; tot eer van God door ons’ (2 Cor.1:20).