Babylon

  • ‘Trek uit haar weg, mijn volk, om niet te delen in haar zonden en niet getroffen te worden door haar plagen’ (Op.18:4).

Wanneer de oude slang in de hof van Eden aan de vrouw meedeelt, dat zij als God zou zijn, openbaart hij daarmee het diepe mysterie van de strijd tussen God en satan. Hoe wist de duivel, dat God kroon- en troonpretendenten zocht, die naast Hem zouden zitten? Hoe kende hij het geheim dat er schepsels zouden zijn, die met God heersen zouden tot in alle eeuwigheid? In Ezechiël 28 lezen wij, dat de duivel in de hemelse hof van Eden eenmaal een was, die te midden van de vlammende stenen, de heilige engelen, wandelde. In deze hof had hij de taak als beschuttende cherub de toegang tot de troon te bewaken, zoals later cherubs de levensboom bewaakten. Heeft hij toen als engel van het licht iets leren begrijpen van het erfgenaam zijn van God? Zou deze heerlijkheid de aartsengelen ten deel vallen? Zouden het de Eliabs, de Abinadabs en de Samma’s van de hemelse gewesten zijn, die het koningschap zouden verwerven? (1 Sam.16:8). In het hart van ‘de morgenster, de zoon van de dageraad’ is toen de gedachte opgekomen, dat hij dit zou erven met de engelen waarover hij gesteld was. Wie was immers aan hem gelijk? Hij sprak:

  • ‘Ik klim naar de hemel, hoog boven Gods sterren plaats ik mijn troon … Ik stijg hoog op de wolken, en word aan de Allerhoogste gelijk’  (Jes.14:13,14).

God schiep echter de méns naar zijn beeld en gelijkenis. De Allerhoogste zocht gemeenschap met de mens en deze zou de kroon ontvangen: ‘Want God heeft niet aan engelen de heerschappij gegeven over de toekomstige wereld, waarover wij spreken. Veeleer heeft iemand ergens verklaard: Wat is de mens, dat U aan hem denkt en het mensenkind, dat U voor hem zorgt?’ (Hebr.2:5,6). God had de mens uitverkoren en nooit zou Hij het plan met deze loslaten. Maar ook de duivel, de tegenstander van God, zal niet ophouden zijn doel na te jagen. Toen satan begreep dat de mens de realisering was van het goddelijke voornemen, wilde hij de mens in zijn macht krijgen om het plan van God te verstoren en via de mens zelf de troon van God bestijgen om zich in de tempel van God (de mens) te zetten en te laten zien dat hij God is (2 Thess.2:4). De satan wilde in de allereerste plaats de mens trekken uit de gemeenschap met zijn hemelse Vader, zodat hij zelf gemeenschap met de mens zou krijgen. De geest van de mens zou dan niet langer verbonden zijn met de Geest van God, maar met de duivel en zijn mede gevallen engelen. Zo zou de strijd om de troon gestreden worden met de wapens van de geest.

De torenbouw van Babel

Van de wereldsituatie voor de zondvloed is ons weinig bekend. De Bijbel deelt echter mee op welke wijze satan gemeenschap zocht met de mens. De geest van de mens werd volkomen uitgeblust en hij was vlees. Hij at en dronk, hij gaf ten huwelijk en werd ten huwelijk gegeven. De boosheid en wetteloosheid van de mensen was groot op aarde en de vleselijke zonden culmineerden, toen de zonen van God (gevallen engelen) geestelijk gemeenschap kregen met de dochters van de mensen. Toen zei God, dat de mensen zich misdragen hadden. God kon geen gemeenschap meer met de mensen hebben en het berouwde Hem hen gemaakt te hebben en het deed Hem pijn aan zijn hart. Toch werd satan geen overwinnaar. God hield vast aan zijn voornemen. Daartoe redde Hij een rechtvaardig en onberispelijk man, een leraar van de gerechtigheid, uit de verdorven aarde (vergelijk 2 Petr.2:5 met Joël 2:23). Maar ook de satan gaf de strijd niet op. Steeds probeert hij door middel van de mens tot heerschappij te komen.

In Genesis 11 vinden wij het verhaal van een nieuwe val van de mens. Satan verleidde daar de volken van de wereld tot een gezamenlijk optreden tegen God. Hij deed dit nu door bijzondere gemeenschap te oefenen met de geest van de mens. Juist het middel waarmee de mens contact opneemt en onderhoudt met de Allerhoogste, zijn geest, werd een instrument in de hand van de duivel. Nimrod, de geweldige jager voor het aangezicht van de Heer (een geweldenaar tegen God) uit het geslacht van Cham, bouwde Babel. De inwoners van deze metropolis zouden alle grenzen doorbreken en hun naam schrijven in de sterren van de hemel. Men zou een toren bouwen, die tot in de hemel reikte. Achter deze zichtbare en indrukwekkende krachtsontplooiing stonden de onzienlijke machten uit de geestenwereld en de grote inspirator van deze opzet was de duivel zelf. Opgravingen hebben het model bloot gelegd van deze vele, zeven verdiepingen tellende Zikkuraths. Tientallen, misschien honderden jaren gingen voorbij en de mens bouwde een toren van de aarde naar de hemel. Steeds hoger klommen de priesters naar de bovenste terrassen voor hun ceremoniën.

De zonde van het occultisme, van de afgoderij en duivel aanbidding, deed haar intrede bij de mens. De geest van de mens kreeg op directe wijze contact met de duivel en zijn onreine geesten. In het opperste van de toren zetelden de astrologen, de sterrenwichelaars, de waarzeggers en de tovenaars. Deze toren was de hogeschool van occultisme en demonenaanbidding. Hier werd het kwaad bedreven dat de Bijbel aanduidt met ‘zonde tot de dood’. Babel was een woonplaats van duivelen en een schuilplaats van alle onreine geesten geworden. God kon er niet meer wonen. Demonendienst maakt de gemeenschap met God tot een onmogelijke zaak. Voortaan is Babel geïdentificeerd en verbonden met het rijk van de duisternis. Babel betekent poort van de hemel, maar het is de poort die tot het verderf voert, want hier wordt gemeenschap geoefend met de boze geesten in de hemelse gewesten. In deze felle strijd om de troon zei God: ‘Nu zijn ze één volk en spreken zij allen dezelfde taal. Wat zij nu doen is nog maar een begin; later zal geen enkel plan van (mens en duivel) hen meer te stuiten zijn’ (Gen.11:6). Niets zou voor hen nog onmogelijk zijn! Toen nam God zijn bescherming weg, de talen van demonen en mensen werden in de geestelijke wereld verstoord en Hij liet hen geworden. De taal, die een uiting is van de geest, werd verward. Er ontstond een chaotische afgodendienst, waarin het rijk van de duisternis tegen zichzelf verdeeld werd. Stad en toren werden verlaten. Opnieuw zocht de Allerhoogste voor zich een mens, een man die rechtvaardig was en met wie Hij gemeenschap kon hebben en vriendschap kon sluiten. Uit het Ur van de Chaldeeën werd Abraham geroepen, opdat God uit hem een nieuw volk kon formeren.

Babel en het volk van God

Het volk uit Abraham had de opdracht de enige ware God te dienen en zich verre te houden van afgoderij. Het moest zelfs de volken, die allen gemeenschap met demonen hadden, uitroeien, want zij verontreinigden het land:

  • ‘Wanneer de Heer uw God ze aan u uitlevert, zodat u ze verslaat, dan moet u ze aan de vernietiging wijden. U mag geen verbond met hen sluiten en geen medelijden met hen hebben’ (Deut.7:2). ‘Het mag bij u niet voorkomen dat iemand zich inlaat met waarzeggerij, met geestenbezwering, voorspellingen of toverij, zich met bezweringen inlaat, geesten en orakels ondervraagt of de doden oproept. Want van iedereen die dergelijke dingen doet heeft de Heer uw God een afschuw; en om dergelijke gruweldaden drijft Hij die volken voor u weg’ (Deut.18:10-12).

Afgoderij is occultisme en ieder occultisme maakt de band en gemeenschap met God onmogelijk. Voor Israël gold het: ‘Want u bent een volk dat aan de Heer uw God gewijd is. U heeft Hij onder alle volken op aarde uitverkoren om zijn eigen volk te zijn’ (Deut.7:6). Maar Israël pleegde geestelijk overspel, dat is: het zocht gemeenschap met de demonen en het diende de afgoden (1 Cor.11:20). Salomo bouwde een hoogte voor Kamos, de gruwel van Moab en voor Moloch, de gruwel van de Ammonieten (1 Kon.11:7). Jerobeam stelde zich priesters aan voor de hoogten, voor de veldgeesten (2 Kron.11:15). De ontucht van Izebel en haar toverkunsten duurden voort (2 Kon.9:22). Wij lezen van Manasse, die zich inliet met toverij en waarzeggerij. Hij stelde bezweerders van doden en van geesten aan (2 Kon.21:6). Door deze gemeenschap met onreine geesten was er al snel geen zonde meer, of zij werd in Israël bedreven. De zonden van het volk van God gingen die van Sodom en Gomorra te boven (Ez.16:47). Toen verliet de Heer Israël. Hij gaf hen over aan de demonen, die zij zelf opgeroepen hadden. De koning van Babel verscheen en voerde Israël weg. Het volk van God zou voortaan in slavernij verkeren. Achter Nebukadnezar en zijn legers en de grote stad die hij gebouwd had, stond opnieuw de onzichtbare vorst van de duisternis. Achter deze koning bevond zich de overweldiger van de volken, die wil opstijgen boven de hoogten van de wolken en zich aan de Allerhoogste gelijk wil stellen (Jes.14:13,14).

Ook nu weer werd Babel geïdentificeerd en geïnspireerd door de duivel zelf. Babel was opnieuw het land met: ‘de vele toverijen en de zeer krachtige bezweringen’ en met de astrologen ‘die de hemel indelen, die de sterren waarnemen, die maand voor maand doen weten wat u overkomen zal’ (Jes.47:9,13). Deze koning Nebukadnezar dwong zijn onderdanen neer te knielen voor het gouden beeld van zestig ellen hoog en zes ellen breed om dit te aanbidden, opdat in een moment allen occult gebonden zouden worden aan de demonen uit de afgrond. Slechts drie mannen bleven staan en trotseerden dit dwangbevel. Zij hadden enkel gemeenschap met de enige God en bleven vrij. Zij doorstonden de vuurproef en een engel van de Heer snelde te hulp bij deze strijd in de hemelse gewesten. Deze drie mannen zijn met Daniël het bewijs dat God zijn bedoelingen met de mens ten uitvoer zal brengen. Als het teken aan de wand geschreven wordt, gaat Babel ten onder.

Babel in het nieuwe verbond

Zowel het eerste als het tweede Babel zijn wezensgelijke beelden van de grote strijd, die zich afspeelt in de hemelse gewesten. De merkwaardigste profetieën uit de Schrift zijn die, welke betrekking hebben op de knecht van de Heer. In deze hoofdstukken van Jesaja wordt honderden jaren voor zijn geboorte de naam voorspeld van Kores, die het volk uit ballingschap zou laten trekken. Jesaja 45:1 noemt deze koning van Perzië een Messias, een gezalfde van de Heer. Hij is daardoor het type van Jezus Christus, die zijn volk uit de macht van de duisternis verlost en in vrijheid stelt. De Heer laat zijn plan met de mens niet los. God zal een Zoon verwekken, met wie Hij onafgebroken gemeenschap heeft door de Geest, Jezus Christus, de rechtvaardige. Iedere verzoeking van de satan heeft Hij weerstaan, ook om zich neer te werpen voor de overste van de wereld en zich zo occult te laten binden. Jezus heeft zijn plaats op de troon al ingenomen, maar eerst heeft Hij de verzoening tot stand gebracht, zodat Hij deze ereplaats niet alleen zal bezetten, maar met een volk dat door Hem tot heerlijkheid wordt geleid. Tegenover de demonologie van Babel staat de uitstorting van Gods Geest. In verband met Israëls verlossing uit Babel werd al geprofeteerd: ‘Want Ik zal water laten stromen op dorstige aarde en beken op droge grond. Ik zal mijn geest uitstorten over uw nazaten, en mijn zegen over uw nakomelingen’ (Jes.44:3). De Geest die op het Pinksterfeest uitgestort werd (het onderpand van de erfenis) garandeert de mogelijkheid voor ieder die gelooft te overwinnen en een plaats te verkrijgen door Jezus in de troon, zoals Hij overwonnen heeft en zit op de troon van de Vader (Op.3:21). Deze doop in Heilige Geest staat lijnrecht tegenover de doop van de duivel in afgoderij en occultisme.

In de laatste fase van de strijd zal de duivel nog eenmaal proberen zijn doel te bereiken. Hij kan onze Heer Jezus niet meer van de troon stoten, maar hij zal proberen Gods werk te verstoren in de nieuwe schepping. Daartoe probeert hij deze alles te ontnemen wat met de werking van Gods Geest in verband staat. Geen doop of vervulling met de Heilige Geest, geen spreken in talen, geen onderscheiding van geesten, geen genezing, geen wijsheid of kennis die rechtstreeks van boven is, geen profetie, geen gezichten en geen levensheiliging. De Bijbel waarschuwt de Geest niet uit te blussen en deze niet te bedroeven. Opnieuw heeft satan zijn slag kunnen slaan onder het volk van God. In het nieuwe verbond hadden zij immers de opdracht om rechtstreeks te strijden tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. Het hele leger van de vijand was hun onderworpen, mits zij vervuld waren met Gods Heilige Geest. Jezus sprak toch: ‘Als Ik door de Geest van God de duivelen uitwerp, is het Koninkrijk van God over u gekomen.’

Maar na twintig eeuwen christendom nadert de grote afval haar voltooiing. In plaats van Heilige Geest zien wij de werkingen van de geest van filosofie en vrome geesten die de mensen binden aan leringen van gestorven voorvaders, aan oude documenten en gewijde formulieren. De zonde van het occultisme viert hoogtij. Predikanten en geestelijken verwijzen de schapen naar de magnetiseurs en oosterse geneeswijzen. Tal van christenen in onze dagen hebben occulte bindingen en iedere vorm van zonde wordt onder hen gevonden. De gemeenschap van Gods volk met de levende God is bij velen vervangen door die met de demonen. Bij de grote massa van christenen is zelfs geen besef meer van enig kindschap van God. Daarom kan Babel opnieuw macht uitoefenen en de kinderen van God in slavernij brengen. De grote moeder van de hoererij (occulte zonden) en van de gruwelen van de aarde (wetteloosheden) zal, gedragen door het beest uit de afgrond, het leven proberen te ontnemen aan de heiligen en de getuigen van Jezus (Op.17:6, 13:7). Zoals Nebukadnezar zich keerde tegen de mannen die alleen gemeenschap onderhielden met de levende God, zo zal deze antigoddelijke macht zich keren tegen hen die het beeld van het beest niet aanbidden en de vrouw zal dronken zijn van hun bloed.

Maar niet allen vallen onder de overheersing van het grote Babylon. Want het zal zijn in de laatste dagen dat God opnieuw zijn Geest zal uitstorten op alles wat voor Hém wil leven. Dan gaan de zonen en dochters weer profeteren en worden alle vervuld met Gods Geest. Daarom klinkt nu de stem: ‘Trek uit haar weg, mijn volk, om niet te delen in haar zonden en niet getroffen te worden door haar plagen’ (Op.18:4). Uitgaan uit Babel betekent bevrijd worden van de invloeden van de demonen. Babel is immers een woonplaats van duivelen en alle onreine geesten en verfoeilijk gevogelte (Op.18:2). Daarom drijven de Geestvervulde kinderen van God weer demonen uit en binden zij de onreine geesten in de naam van Jezus. God geeft zijn plan met de mens niet prijs. Er zijn er die zich niet met vrouwen hebben bevlekt (van alle geestelijk overspel met demonische leringen gereinigd). Dit zijn de losgekochten van de aarde die het Lam volgen waar Hij ook heengaat en in wier mond geen leugen is gevonden (Op.1:1-5). Zij vormen een koninklijk volk, een volk van erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Jezus Christus, een gemeente zonder vlek en rimpel. De tijd is aangebroken:

  • ‘Dat zij gevangen zullen nemen, die hen gevangen namen en dat zij zullen heersen over hun drijvers’ (Jes.14:2).