Nachtmerrie

Bij het opruimen van een taalboekje ‘Dicht- en stijlvormen’ valt mijn oog plotseling op het kopje ‘Volksetymologie’: Nachtmerrie, van nachtmare (mare= spook). Nog merkwaardiger wordt het als ik, ook ‘bij toeval’ een boek opruim dat buiten mijn vakgebied ligt. Op pag.51 van het geschiedenisboek NOVEM staat:

  • ‘Nachtmerrie heeft niets te maken heeft met ons woord ‘merrie’, dat ‘paard’ betekent. Op het desbetreffende schilderij zien we echter wel een ‘merrie’ die ‘s nachts verschijnt. Dat deze schilder de nacht­merrie als een paard afbeeldt, ten onrechte, heeft weer te maken met een onjuiste woordafleiding-door-het-volk (de zogenoemde volksetymologie). Maar als men goed kijkt, ziet men op de persoon die kennelijk slaapt, een harig wezen met een kop voorzien van twee horentjes: een demon. Dit is de eigenlijke nacht-mare: een ongewenst ‘persoon’ die bovenop iemand gaat zitten.
  • De ‘van Dale’ stelt: ‘nachtmerrie, nachtelijke beklemming .. in het volksgeloof toegeschreven aan de ‘maar’, een boze geest, die dan zelf ook nachtmerrie heet’. De Winkler Prins blijkt wat meer inzicht in dit verschijnsel te hebben: Nachtmerrie (cauchemar) is een benauwde droomtoestand. Wie ze in de slaap ondervindt, meent onder een drukkende last te bezwijken; hij verbeeldt zich, dat een of ander wangedrocht hem dreigt te verstikken, terwijl hij zelfs met de krachtigste wilsinspanning zich niet bewegen en ook niet om hulp roepen kan. In het volksgeloof wordt de droom aan de invloed van een demonisch wezen, dat zich op de slaper werpt en hem de adem beneemt, toegeschreven’.

Onkunde en taalkunde

Hoe valt zo’n misverstand (dat een mare een merrie is) nu te verklaren? Onder invloed van de uitspraak van het Engelse night-mare (spreek het uit als: nait-mer) is men het oorspronkelijke mare (dat dus boze geest betekent) gaan verbinden met de klank ‘mer’. Maar aangezien het woord ‘mer’ in het Nederlands niet voorkomt, heeft men er uit onkunde ‘merrie’ van gemaakt, een woord dat men wel kende. En omdat men – het volk – op zulke vreemde gronden sommige woorden is gaan afleiden, noemen we dit verschijnsel volksetymologie (etymologie = woord­ afleidkunde; ‘etyma’ betekent ‘waar’ en ‘logie’ kan betekenen: kennis, leer, woord).

Ongeloof en theologie

Een andere oorzaak van genoemde verwarring bij verschillende woorden heeft naast een taalkundige achtergrond, een theologisch raakpunt. Wat gebeurde er namelijk in de loop van de tijd? Diezelfde ‘men’ ging steeds minder in het bestaan van boze geesten geloven. Het kwam zelfs zo ver dat ook de officiële theologie de realiteit van deze onzichtbare, maar niet minder reële wezens geheel ging ontkennen. Dit alles leidde tot ongeloof, daarna tot ontkenning en uiteindelijk tot onkunde van deze geestelijke werkelijkheden.

Taalwetenschap en tekst

Biedt de theologie dus weinig houvast, de taalwetenschap werpt wonderlijk genoeg, meer licht(!) op de achtergrond van de duistere nachtmerrie. Als we ons in de taalhistorie verdiepen, komt namelijk steeds duidelijker de ware aard van het ‘beestje’ tevoorschijn. We zien dan dat ‘mare’ verwant is met ons murw, dat oorspronkelijk drukken, stampen betekent: een overeenkomst met de drukkende macht van depressie en de laars die dreunend stampt (Jes.9:4) lijkt niet zo vreemd.

Eigenaardig en weer een ander aspect aangevend, is het Russische mara, dat visioen, verzoeking, maar ook kobold kan betekenen. Kobold is afgeleid van kobalos, een wezen dat in een onderaardse woning huist. Onwillekeurig denk je aan Filippenzen 2:10: ‘opdat in de naam van Jezus zich alle knie zal buigen van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn’. Staat dit laatste misschien teveel van ons af, toch zullen vele mensen die een (tuin) kabouter bezitten, er met andere ogen naar gaan kijken als men weet dat de kabouter afkomstig is van deze ‘kobalos.’

Huisgeest

Staat bij veel mensen de kabouter in de tuin, vroeger blijkt hij ook in huizen zijn plaatsje ‘veroverd’ te hebben; uit woordstammen van het Hoogduits leren we dat de kabouter ook huisbestuurder, of ‘het huis welgezinde’(?) kan zijn. Bovendien vermeldt het woordenboek dat het woord te maken heeft met ‘geweld’. Een geheel andere ontwikkeling zien we bij het (oud-) Frans. Enerzijds wordt een klankverband gelegd tussen het Franse cauche-mar, anderzijds bestaat er geen verband met het aspect ‘nacht’ (nuit). Wat dit betreft is het Franse woord zijn eigen weg gegaan, terwijl de geestelijke achtergrond hier meer op de voorgrond treedt. Het Franse woordenboek vermeldt onder ‘kabouter’ namelijk: gnome, esprit (= geest), follet (=mal), d.w.z., kwelduivel. Daarom valt de verklaring die Van Dale geeft onder ‘kabouter’ wat tegen: aardmannetje; kleine, gedienstige huisgeest.

Van Dale noemt evenmin de ‘gnoom’ in dit gedeelte; wel in de aparte rubriek bij ‘gnoom’, met de toch wel belangrijke verklaring: aard-geest, berg-geest, kabouter. Mogen genoemde duistere figuren in de kinderliteratuur als onschuldige en soms zelfs als goedmoedige wezens geschetst worden, heel wat duidelijker wordt het na lezing van andere taalwetenschappers: Guntert vat de maren op als doodsdemonen en brengt het Germaanse woord bij de onder moord besproken basis, die trouwens met murw identiek kan zijn. Commentaar van de ongelovige maar zeergeleerde prof. dr. Van Haeringen bij het woord nachtmerrie: Niet te bewijzen noch te weerleggen.

Oorsprong van woorden

Nu is een van de zwakke punten in de etymologie of woordafleidkunde vaak de onzekere oorsprong van woorden. Eeuwenlang hebben taalgeleerden zich verdiept in het ontstaan van de taal, respectievelijk de verschillende talen. Wat was de eerste, oorspronkelijk gesproken taal? Welke taal heeft God gesproken? Hoe kan God spreken zonder het bezit van een aards lichaam, voorzien van strottenhoofd en stembanden? Hoe heeft God gesproken toen er nog geen mensen waren? Tot wie kon Hij spreken? En wat zou de zin ervan zijn? Geen enkele geleerde heeft hierover iets zinnigs kunnen zeggen.

Ook over het ontstaan van latere talen die dichter bij ons liggen, bestaat nog veel onzekerheid. In etymologische woordenboeken vind je dan ook dikwijls toevoegingen als: ‘afkomst onzeker, vermoedelijk, waarschijnlijk, niet uit te maken’. Er wordt bijna altijd een grote slag om de wetenschappelijke arm gehouden; stellige uitspraken zijn uiterst zeldzaam. Daarom is het pertinente commentaar van prof. van Haeringen bij het woord ‘nachtmerrie’ zo verrassend: ‘Wat ook het juiste uitgangspunt mag zijn, aan de verwantschap met het Ierse morrigain (naar ‘mor’ is ‘groot’), letterlijk koningin van de boze demonen hoeft niet te worden getwijfeld’.

Oorsprong van de nachtmerrie

Zijn velen onkundig met betrekking tot het ontstaan van het woord nachtmerrie, de feitelijke, geestelijke oorsprong is zo mogelijk nog minder bekend. En dan denken we hierbij niet aan het ongeletterde gewone volk uit de middeleeuwen, maar ook aan de geletterden: dichters en schrijvers in deze tijd. Een willekeurig voorbeeld: de dichter Hendrik de Vries introduceerde de figuur Nergal (een symbolische naam), de God in de Openbaring die zich als goed en als kwaad manifesteert. Het is de alles verzengende macht die in Babylon optreedt. Hij beschikt over positieve en negatieve krachten, is zowel goddelijk als duivels. En zo zijn er vele schrijvers die, wat ik zou willen noemen, het theo-bolisme aanhangen (samentrekking van theologisch en diabolisch). Trouwens, in het Oude Testament roept ook Job (2:10) uit: ‘Zouden wij het goede van God aannemen en het kwade niet?’ En geloven velen niet in onze dagen nog ‘heilig’ in Zondag 10 van de Catechismus, dat ‘gezondheid en ziekte en alle dingen van zijn Vaderlijke hand ons toekomen’?

Einde van de nacht-mare

Gelukkig betekent de komst van Jezus Christus een uitzichtloos vooruitzicht voor alle boze geesten, want Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk ontmaskerd en zo hen overwonnen (Col.2:15). En niet alleen aan het kruis. Bij zijn verblijf op aarde had de Heer al legioenen demonen in de afgrond geworpen op zijn gezaghebbend woord. Maar ook zonder dat Hij iets zei – Jezus was en is immers het vleesgeworden Woord van God, voortgekomen uit Gods Logos, konden de demonen het doodsbenauwd krijgen, wanneer de Heer in hun buurt kwam. Dan schreeuwden ze het al uit: ‘Bent U hier gekomen om ons vóór de tijd te pijnigen?’ (Matth.8:29). Ze smeken de Christus tot tweemaal toe; ze sidderen voor zijn macht en majesteit, omdat ze weten dat Jezus sterker is dan alle demonen bij elkaar.

Een nachtmerrie voor alle nachtmerries

Wat in deze geschiedenis ook opvalt, is het feit dat Jezus niet naar de gebondenen in de graven toe gaat, maar zij komen uit de donkere holen en spelonken (graven) tevoorschijn. Jezus Christus is immers niet alleen het Woord van God, Hij is ook het Licht! Eigenlijk was het ‘dom’ van die ‘maren’ om uit hun schuilhoeken te komen. En hoewel ze niet dom ‘geboren’ zijn, hebben ze er nooit iets bijgeleerd, anders zouden ze de Heer van de heerlijkheid niet gekruisigd hebben (1 Cor.2:8). In overeenstemming met de overlevering van de mensen en met de wereldgeesten hadden ze niet in de gaten dat heel de volheid van de Godheid lichamelijk in Jezus Christus woont (Col.2:9). Nacht-mare wordt ‘blij-mare’.

Voor de gelovigen is het einde van de wereld geen angstig vooruitzicht, maar betekent ze een onbeschrijflijk schitterende toekomst. Jezus heeft niet alleen aan zijn leerlingen de macht over de boze geesten gegeven, maar in principe ook aan alle gelovigen, door zijn Naam (Marcus 16:17) en door zijn Geest: ‘Welnu, met de Heer wordt de Geest bedoeld, en waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid. Wij allen die met onbedekt gezicht de luister van de Heer zien, zullen meer en meer door de Geest van de Heer naar de luister van dat beeld worden veranderd’ (2 Cor.3:17,18). Het einde van alle ‘nare mare’:

  • ‘Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer: ‘opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Heer, tot eer van God, de Vader!’ (Rom.14:11; Fill.2:10,11,12; 2 Cor.5:10; Jes.45:23).

Het definitieve einde voor elke nachtmerrie!