Wijwater wordt wijn

Een lezer deelde ons zijn gedachten mee over het water wat Jezus in wijn veranderde:

  • ‘Ik wil het wonder, dat Jezus water in wijn veranderde (Johannes 2:1-12), eens tegen de achtergrond plaatsen, die de Bijbel ons toont. Het verhaal begint met de opmerking, dat er op de bruiloft gebrek aan wijn was. De moeder van Jezus ging zich er mee bemoeien en zei tot haar Zoon: ‘Ze hebben geen wijn meer’. Het antwoord van Jezus was: ‘Vrouw, wat heb Ik met u te maken?’ Hij liet zijn moeder weten: Ik ben de Zoon van God. Ik doe alleen wat mijn hemelse Vader zegt. ‘Mijn uur is nog niet gekomen’. Dit laatste houd ik maar op het uitstorten van de Heilige Geest. Maria raadt dan de bedienden aan: ‘Wat Hij u ook zegt, doet dat!’ Zij moesten luisteren naar het vleesgeworden Woord van God. Hij zou nooit het onmogelijke en verkeerde van hen vragen. Misschien zouden ze niet willen voldoen aan de opdracht van Jezus om de lege vaten te vullen, omdat deze dienden voor ‘het reinigingsgebruik van de Joden’. Maria weet dat Jezus de mens nooit zal laten zondigen, ook als Hij hun dadelijk de opdracht zou geven, de vaten een andere bestemming te geven. De dienaars waren waarschijnlijk in een paniekstemming, omdat het feest dreigde te stagneren. Dit heeft hen misschien over de religieuze drempel geholpen. Toen Jezus zei: ‘Vul de vaten met water’, deden ze dit zelfs tot de rand. Jezus vond dat hele reinigingsproces maar onbelangrijk. Hij zou immers zijn volk een heel ander tijdperk binnenvoeren. De les was: jullie reinigen je wel naar het uiterlijke, maar je kunt slechts behouden worden door het geloof in Mij, als je doet wat Ik zeg’.

De lezer wijst hier op een schijnbaar onbetekenende opmerking, die bij het lezen ervan bij hem toch naar voren sprong, namelijk die over de waterkruiken, neergezet voor het Joodse reinigingsgebruik. Het effect van zo’n beschrijving gaat meestal verloren, omdat men zich niet verplaatst in de tijd of omstandigheid waarin het gebeurde werd opgetekend. Bovendien rekent men te weinig met het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, dat Jezus verkondigde en waarmee Hij was verweven, zodat er sprake is van ‘het evangelie ván Christus’ (Marc.1:1).

Jezus was altijd bezig deze andere dimensie te ontsluieren en de dwalingen te ontmaskeren. Als daarom aan het slot van het verhaal wordt meegedeeld, dat Jezus met dit eerste teken zijn heerlijkheid openbaarde, heeft dit alles te maken met de nieuwe leer. Er staat dat Jezus en zijn leerlingen tot de bruiloft werd uitgenodigd. De bekende Zwitserse theoloog F. Godet wees – vanwege de gebruikte werkwoordsvorm – erop, dat de Heer pas bij zijn komst werd uitgenodigd. Ongetwijfeld hadden Hij en zijn leerlingen mede schuld aan het tekort aan wijn. Dit verklaart ook het verborgen verzoek van Maria tot haar Zoon: ‘Zij hebben geen wijn’.

De uitdrukking: ‘Mijn uur is nog niet gekomen’, hier en in Johannes 8:20, 12:23 en 17:1 wijst op zijn lijden en sterven en op zijn verheerlijking daarna. In Johannes 7:6 staat dat de toen nog ongelovige broeders van Jezus erop aandrongen, dat Hij nu eens openlijk met zijn wonderen en tekens voor de dag zou komen. Dit niet in een randgebied, maar in Jeruzalem tijdens het Loofhuttenfeest, als de menigten uit de hele wereld zouden samenstromen. Ook toen zei Hij, dat zijn tijd nog niet was gekomen, want dan zou immers de haat volledig tegen Hem losbarsten.

Bij het bezoek aan zijn orthodoxe ‘familie’ had Jezus die lege kruiken – die samen wel zo’n 700 liter water konden bevatten – wel opgemerkt. Ze waren leeg, doordat de gasten zich cultisch hadden gereinigd. Jezus en zijn leerlingen hielden zich echter niet aan deze voorschriften van de ouden (Lukas 11:38). Op de bruiloft in Kana werd de geestelijke religie van Jezus dus al ogenblikkelijk geconfronteerd met de rituele religie. In Marcus 7:1-23 doen de voorstanders van de reinigingsvoorschriften later een openlijke aanval op de Heer. Zij vielen erover dat sommigen van de leerlingen met onreine handen, dat is met ongewassen handen, hun brood aten. ‘Want de farizeeën en alle andere Joden eten namelijk pas als ze hun handen gewassen hebben, omdat ze zich aan de traditie van hun ouden (of voorouders) houden’. Van de markt komende – dus na met heidenen in contact te zijn geweest – aten zij niet dan na zich gereinigd te hebben, bijvoorbeeld door het onderdompelen van hun handen. Dit deden zij ook met hun bekers, kannen en koperwerk. Jezus doorbrak met zijn leer deze vormendienst en Hij sprak de geestelijke leiders aan als huichelaars. Hun godsdienst was waardeloos voor God. Zij eerden Hem met de lippen, maar hun hart was niet voor Hem. Zij eerden God tevergeefs, omdat zij leringen leerden die geboden van mensen waren (vergelijk ook Matth.23:25,26).

Het predicaat ‘ouden’ of was een eretitel voor voorname Schriftgeleerden. Hun overleveringen werden door de gewone Schriftgeleerden en hun Farizese aanhang als even heilig en verplichtend verklaard als de wet van Mozes. De overlevering werd als ‘mondelinge wet’ herleid tot de openbaring van God op de Sinaï. Op een subtiele wijze bond Jezus op de bruiloft te Kana de strijd aan met een occult ritueel geloof. Hij deed het niet openlijk maar bedekt, omdat zijn tijd om voor zijn leer te lijden en te sterven nog niet gekomen was.