De ongelovige Thomas Didymus

De ongelovige Thomas Didymus – Slot Sanssouci, Potsdam – Caravaggio

In alle evangeliën komt de naam van Thomas voor in de rij van de 12 apostelen en zonder enige verdere bijvoeging. Alleen Johannes, die met zijn gedachten Jezus, zijn Heer, zo nauwkeurig volgde bij diens onderwijs over de hemelse gewesten, voegde aan de naam Thomas nog Didymus toe. Zelf hadden Johannes en zijn broer ook een kenmerkende naam gekregen, namelijk Boarnérges of zonen van de donder, waarmee ze in de geestelijke wereld getypeerd waren. Zo ontving Simon Barjona de bijnaam Petra of Petrus, dat is rots, want zijn geestelijk inzicht was zo groot, dat op zijn visie de gemeente van Jezus Christus gebouwd zou worden (Mattheus 16:16,18). 

Heeft Thomas de bijnaam Didymus, die tweeling of dubbel betekent, van huis uit meegekregen, dan wijst dit er natuurlijk op dat hij er een van een tweeling was. Maar als de Heer hem zo noemde, dan zou Didymus erop wijzen, dat hij in de geestelijke wereld niet één was, maar verdeeld. Voor Thomas gold dan ‘nomen et omen’, wat betekent dat hij zijn naam met recht droeg. Zijn innerlijke hartsgesteldheid en onzekerheid belemmerden hem om Jezus in de onzienlijke wereld te volgen en iets te aanvaarden wat hij in de natuurlijke wereld niet kon waarnemen. ‘Wij weten niet waar U heengaat; hoe weten wij dan de weg?’ Hij is te vergelijken met enkele andere leerlingen die verder niet genoemd werden bij Jezus’ hemelvaart:

  • ‘En toen zij Hem zagen, aanbaden zij Hem, maar sommigen twijfelden’ (Mattheüs 28:17).

Na het sterven van Lazarus zei Jezus tot zijn leerlingen dat Hij zijn vriend ging opwekken. De bedoeling van zijn treuzelen in het Overjordaanse was, dat de leerlingen hierdoor tot het geloof in zijn hemelse macht zouden komen. De pessimistische reactie van de twijfelaar Thomas was echter: ‘Laten wij ook gaan om met Hem te sterven’. Deze leerling openbaarde hiermee wel zijn liefde tot de Meester, maar in de terugkeer naar Judea, waar Jezus pas aan de grijpende handen van de Joden ontkomen was, zag hij niet anders dan een dreigend gevaar. Wat ‘de hoge weg’ betrof, was zijn uitspraak na drie jaar onderwijs:

  • ‘Wij weten niet waar U heengaat; hoe weten wij dan de weg? (Joh.14:5).

Het dieptepunt in het leven van Thomas kwam, toen Jezus was gestorven en begraven en uit de zichtbare wereld was verdwenen. Hoewel de Heer er toch vaak over gesproken had, kon deze leerling niet in een opstanding geloven. Zelfs toen de andere apostelen tot geloof gekomen waren door het getuigenis van een vrouw en omdat zij het lege graf hadden gezien met de achtergebleven doeken, bleef hij twijfelen. Zijn ongeloof drukte hij uit in de plastische woorden:

  • ‘Als ik in zijn handen niet zie het teken van de spijkers en mijn vinger niet steek in zijn zij, zal ik niet geloven’ (Johannes 20:25).

Daarmee getuigde hij dat voor hem alles was afgelopen. Later schreef Paulus: ‘Als Christus niet is opgewekt, dan is uw geloof zonder vrucht, dan zijn jullie nog in je zonden.’ Voor Thomas gold dan ook de uitspraak: ‘Als wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen’ (1 Cor. 15:17-19).

Jezus kende echter wel de persoonlijke liefde van deze twijfelaar tot Hem. Net als Petrus kon ook Thomas zeggen: ‘Heer, U weet dat ik U liefheb’, dat ik dus uw evangelie van het Koninkrijk van de hemelen van harte heb aangenomen, maar mijn geest is te zwak om U in deze hemelse realiteiten te volgen. Zoals echter later na de Pinksterdag Gods Geest ‘onze zwakheid te hulp komt’, zo kwam Jezus bij zijn verschijnen Thomas in zijn desolate toestand tegemoet. Deze bleef immers contact houden met zijn medeleerlingen, bleef hen trouw en raakte niet los van de vriendenkring. Als de Heer zijn verheerlijkt, geestelijk lichaam opnieuw in de leerlingenkring manifesteert, is Thomas ook aanwezig. Alle twijfel wordt dan weggenomen bij de woorden van Jezus:

  • ‘Breng uw vinger hier en kijk naar mijn handen en breng uw hand en steek die in mijn zij, en wees niet ongelovig, maar gélovig’.

Na deze ervaring zou Thomas in het vervolg niet langer vertrouwen op zijn zintuigen, maar op het onfeilbare en betrouwbare woord van zijn Meester. Hij nam de stap naar de onzienlijke wereld door Jezus te erkennen als zijn Heer. Hij wilde hem voortaan onvoorwaardelijk geloven, gehoorzamen en vereren en door diens Geest geleid volgen in de geestelijke wereld. Hier begon de vernieuwing van zijn denken en werd ook hij net als de ‘rotsman’ Petrus ‘opnieuw geboren waardoor wij leven in hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden’. Ook voor nu gelden de woorden die Jezus tot Thomas zei:

  • ‘Gelukkig zijn zij, die niet gezien hebben en toch geloven’ (Johannes 20:29).