Het verraad van Judas

  

Judas verraadt Jezus – National Gallery of Ireland, Dublin (Caravaggio 1573-1610)

Een afvallige leerling

Bij het uitkiezen van zijn leerlingen zocht de Heer geen supermensen uit om deze op te leiden tot apostel. Niemand was volmaakt, ieder had wel wat. Zij moesten Jezus volgen, niet alleen op aarde, maar vooral in de geestelijke wereld. Dit betekende dat zij zich moesten openstellen voor nieuwe denkwijzen die totaal verschilden van hun traditionele opvattingen. In de oude vertaling staat dat de leerlingen hun Meester gevolgd waren ‘in hun opnieuw geboren zijn’, dus dat hun denken vernieuwd was geworden. Jezus was als Leraar van de gerechtigheid zeer zorgvuldig te werk gegaan, want aan het eind kon Hij getuigen: ‘Zo lang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in uw Naam’.

Na een leerperiode van ruim drie jaar viel slechts één leerling af. Judas volgde zijn Meester niet in zijn denken. In de zichtbare wereld had hij een vertrouwenspositie als penningmeester, maar het woord van de Heer was niet in staat zijn inwendige mens om te turnen. Deze leerling was bezet door een ‘vrome’ geest, dus door een demon die God wou dienen in de zichtbare wereld, maar die vijandig stond tegenover een aanbidding in geest en in waarheid. Judas was innerlijk verbonden met de huichelachtige elite van het volk, die in de natuurlijke wereld de geboden van God precies probeerden te houden, maar van wie het hart ver van de Heer was.

Óf God óf de Mammon

Vaak worden religieuze figuren begeleid door demonen van hebzucht en macht. De farizeeën en schriftgeleerden persten onder schijnheilige voorwendsels de weduwen hun geld af en Judas was een dief. De Heer had het zo duidelijk gezegd had: de mens kan niet God dienen én de mammon, het was een waarschuwing in de richting van Judas. De harten van de andere apostelen werden door de leer van Jezus wél veranderd.

Als veel volgelingen Hem teleurgesteld verlaten, zegt Petrus: ‘Heer, tot wie zullen wij gaan? U hebt woorden van eeuwig leven!’ Het antwoord van de Meester is: ‘Heb Ik niet u twaalf uitgekozen? En één van u is een duivel’. Jezus kon deze ‘vrome’ demon wel ontmaskeren, maar niet uitdrijven. Door zijn gebondenheid werd Judas een exponent van het geslacht van verraders en moordenaars over wie de martelaar Stefanus sprak (Hand.7). Als leerling had hij uiterlijk een dusdanige inbreng, dat zijn medeleerlingen hem niet onderscheidden, maar zijn verharde hart wees de doelstelling van Jezus af, namelijk om uitverkoren te zijn en vrucht te dragen voor het eeuwige leven.

Bij de zalving te Bethanië komt het tot een openlijk conflict. Daar sprak de Heer over zijn komende begrafenis. Hierdoor werd bij Judas elke aardse verwachting de bodem ingeslagen. Petrus wilde later nog wel met zijn Meester sterven, maar Judas niet. Ook werd hem toen duidelijk dat Jezus niet de minste waarde hechtte aan geld. Zijn desillusies boden de satan de mogelijkheid hem te infiltreren. Hij ging toen, net als eens Kaïn, doen wat hij eigenlijk (nog) niet van plan was. Hij ging in op de influisteringen van de satan. Deze dreef hem naar de geestverwante overpriesters en schriftgeleerden om Jezus over te leveren in handen van zondaars.

Tijdens het laatste avondmaal constateerde de Heer dat zijn leerlingen rein waren, doordat zij zijn woorden hadden ingedronken. Als laatste waarschuwing merkte Jezus tegelijkertijd op dat dit bij één niet het geval was, maar Judas bleef volharden. Toen voer de satan zelf in hem en Jezus liet hem los met de woorden: ‘Wat u wilt doen, doe het snel!’

De opperste vijand dreef hem voort, totdat het verraad was volbracht. Als, vroeg in de ochtend van Goede Vrijdag, het besluit is gevallen om Jezus te doden, laat de satan Judas los: ‘Toen kreeg Judas, die Hem verraden had, berouw, omdat hij zag dat Hij veroordeeld was en hij bracht de dertig zilverlingen aan de overpriesters terug en hij zei: Ik heb gezondigd, onschuldig bloed verraden!’ Judas gaat niet naar buiten om te huilen, zoals Petrus, maar ‘vrome’ geesten drijven hem naar de leiders die met dezelfde demonen behept zijn. De schijnelite distantieert zich echter met de opmerking: ‘Wat gaat ons dit aan? U moet zelf maar zien wat ervan komt’. Judas voelt zich nu totaal uitgestoten. De Heer had hem losgelaten en het kartel breekt ook ieder contact af: ‘En de zilverlingen in de tempel gooiend, verwijderde hij zich; daarop ging hij heen en hing zich op’.

Het Koninkrijk van God is voor Judas afgesloten en de aarde kan hem niets meer bieden. De occulte demonen met hun klimaat van de depressie van de afgrond vallen nu op hem. Zij doen hem zijn verlatenheid uitbeelden in de manier waarop hij zelfmoord pleegt.

Op Golgotha hangt de Meester, ook van God en mensen verlaten en ook tussen hemel en aarde. Hij is echter de Rechtvaardige, die zijn leven offert voor de schuld van de wereld. Als ‘zoon van het verderf’ sterft Judas een verschrikkelijke dood en ‘gaat hij heen naar zijn eigen plaats’, dat is naar het dodenrijk. Ook Jezus ‘daalt’ af in het dodenrijk, maar als ‘Zoon van de levende God’, verbonden met Gods Heilige Geest. Zijn ziel wordt in het dodenrijk niet verlaten, maar ‘aan de geesten in de gevangenis’, onder wie ook Judas, predikt Hij de triomf van zijn evangelie. Eerder dan een van de andere leerlingen ziet Judas hoe Jezus de laatste vijand onttroont, hoewel hijzelf geketend blijft aan de duisternis. Tot ons klinkt echter de stem van de opgestane Heer:

‘Wees niet bang, Ik ben de eerste en de laatste en de levende en Ik ben dood geweest en zie: Ik ben levend tot in alle eeuwigheden en Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk’ (Openb.1:18).