Vrede op aarde

Toen Jezus geboren werd, brachten de engelen op de velden van Efratha de belofte van God over dat er vrede op aarde zou zijn. Deze boodschap moet de herders als muziek in de oren hebben geklonken, want zij leefden in een tijd van onderworpenheid aan de Romeinse overheersers. Logisch toch dat de herders zich haasten om de Vredebrenger te begroeten? In die dagen zullen veel Joden hebben uitgezien naar een verlossing in de zienlijke wereld. Hun gedachten gingen terug naar de richters en koningen van vroeger, die hun land, hun stad en hun tempel bevrijdden van hun vijanden. Maar: hoe zou God deze rust nu door het geboren kind realiseren?

Weinigen hebben bij de geboorte van Jezus begrepen, dat de tijd van een theocratisch rijk op aarde voorbij was en dat de nieuwgeboren koning een koninkrijk ging stichten dat niet van de aarde was, een gebied waarvoor men niet met het zwaard of met de vuist zou hoeven te strijden. Zijn Koninkrijk zou gevestigd zijn op ‘hoger grond’ en zijn volgelingen zouden dit terrein veroveren op de machten en overheden in de hemelse gewesten, want dezen blokkeerden nog steeds voor de mens de toegang tot het eeuwige Koninkrijk van God.

De leerlingen van Jezus zouden niet sterk en machtig zijn door uiterlijk vertoon, door lichaamssterkte en door wapengeweld, maar door de Geest van God die hen zou onderrichten, leiden en kracht geven. Op aarde zouden zij een volk vormen dat verdrukking zou ondergaan. Ze zouden hier leven als gasten en vreemdelingen, maar op hun ‘eigen bodem’ zouden zij – van al hun vijanden verlost – mogen heersen en in vrede wonen.

De aankondigingen die het Kind in de voerbak begeleidden, brachten al snel een scheiding aan tussen hen die zich naar Hem noemden. Zouden zij de vrede onder de volken verwachten en een stad van God op aarde bouwen òf een vrede van God ontvangen die het natuurlijke verstand te boven gaat en die gericht is op een tempel van God in de geestelijke wereld? Zou de kerk haar woonplaats beneden hebben en zich gaan identificeren met het natuurlijke Israël òf zou zij geestelijk georiënteerd zijn, dus een geestelijk Israël worden dat de veelkleurige wijsheid van God allereerst bekend maakt in de hemelse gewesten?

Vanaf het begin is deze vraag actueel geweest. Denk aan het Judaïsme, dat door besnijdenis en wetsbetrachting de gerechtvaardigde mensen door het geloof, toch weer in het volk van de Joden wilde onderbrengen. Ook nu zijn bepaalde kringen gebonden aan het houden van de sabbat, het zich onthouden van onrein voedsel of is, zoals bij de rooms-katholieke kerk, de priesterdienst door kleding en riten geheel op oudtestamentische leest geschoeid.

Ook de kruisvaarders probeerden in de middeleeuwen verband te leggen tussen een bevrijding van het ‘heilige land’ en het plan van God met de kerk. Hun motief was: ‘God wil het’ en daarom voerden zij ‘de oorlogen van de Heer’ op aardse grond. En ook al is Israël eeuwenlang zwervende geweest, deze gedachte van een verbondenheid van God met een natuurlijk volk en zijn land is altijd blijven bestaan. In deze tijd staat de staat Israël nog steeds in het middelpunt van de belangstelling. Het ‘land van de voorvaders’ is immers opnieuw het nationale tehuis voor de dolende Jood.

Wat doen nu veel ‘christenen’?

Zij stellen de ontwikkeling van de gemeente achter bij de bouw van de Joodse staat. Zij gaan zelfs zover dat zij het geestelijke Israël met zijn nieuw Jeruzalem en zijn hemelse tempel als werkelijkheid loochenen en deze geestelijke realiteiten, spottend en minachtend als ‘vervangingstheologie’ bestempelen. In hun toespraken, hun tijdschriften en op diverse sites worden gelovigen verplicht de aandacht te vestigen op politieke gebeurtenissen en op aardse wapens, om met hun gebed en geld ongenuanceerd het streven te ondersteunen van een atheïstisch, of Jezus-verwerpend volk dat net als de afvallige koningen in het oude verbond zijn hulp verwacht van een wereldmacht. Amerika moet dan voor de modernste vliegtuigen zorgen om de ‘oorlogen van de Heer’ te kunnen voeren!

Ook Nederland kende de slogan: God, Nederland en Oranje, als een bij elkaar behorend drievoudig snoer, waarvoor men tachtig jaar had gevochten om deze eenheid te verkrijgen. Prins Willem van Oranje was voor velen de Mozes die het volk uit het diensthuis van Spanje had geleid. Spraken de Engelsen ook niet over hun geboortegrond als van ‘God’s own country’? Men heeft daar zelfs een Brits-Israëlleer uitgevonden, waarin deze uitspraak wordt geaccentueerd en waarin de Engels sprekende wereld de verloren tien stammen zouden zijn.

Zongen de Hugenoten niet: ‘De Heer zal opstaan tot de strijd, Hij zal zijn haters wijd en zijd, verjaagd, verstrooid doen zuchten’? Stond ook niet op de gespen van de koppelriemen van de S.S.-ers in de tweede wereldoorlog: ‘Gott mit uns’? In al deze voorbeelden wordt het bezit van de aardse grond verbonden met de gedachte dat ‘het land van de voorvaders, God op zijn hand heeft’, dat de strijd voor het vaderland Gods wil is en Hij de wapens, welke die dan ook mogen zijn, zegent.

Zal de heerlijke belofte van vrede op aarde dan niet vervuld worden? Jazeker, maar de Bijbelse realisatie ervan begint door mensen met een goede wil. Dat zijn zij van wie het denken vernieuwd is door de Zoon, van wie de Vader zei: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, luister naar Hem!’ Jezus opende voor hen de toegang tot de hemelse gewesten en Hij gaf aan zijn leerlingen inzicht in de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen. Hij leerde dat voor hen daar een plaats was bereid en dat zij daar hun wandel hadden, daar opgeleid zouden worden tot goed toegeruste zonen van God. Naar hen zou de zuchtende schepping uitzien. Zij zouden werkelijk de vijanden van God en mensen in een totale strijd onderwerpen. Hun wapens zouden geen mens beschadigen, want zij gebruiken het zwaard van de Geest, dat is het Woord van God. Zij beschermen zich met het schild van het geloof en met de helm van de redding die op hun hoofd is. Zij zijn bekleed met het pantser van de gerechtigheid. Zo zullen zij hun erfdeel in de hemelse gewesten in bezit nemen en in hun harten zal vrede zijn (Ef. 6:10-24).

Vanuit hun overwinning zullen de geopenbaarde zonen van God ook de vrede en de gerechtigheid en het leven als een licht op aarde rondom zich verspreiden. Zij zullen zich blijvend voegen onder de bescherming van Hem van wie geprofeteerd werd:

  • ‘Groot is de macht en eindeloos de vrede voor de troon van David, voor zijn koninkrijk; hij zal het stichten en onderhouden door recht en gerechtigheid vanaf nu en voor altijd. De geestdriftige liefde van de Heer van de hemelse machten.’  

Ten slotte: wij strijden een strijd in de hemelse gewesten en God is voor ons, zo wie zal tegen ons zijn?