Jezus, Koning van de gemeente

  • ‘Hij heeft ons tot een koninkrijk gemaakt’ (Openbaring 1:6).

Wanneer de Heer uit de doden opstaat, wordt vervuld wat God aan David gezworen had, dat een van zijn nakomelingen op deze troon zou zitten (Hand.2:30,31). Jezus zit – als een nakomeling van David – op dit ogenblik en voor eeuwig op de troon van God, want Hij zegt: ‘Wie overwint zal samen met Mij op mijn troon zitten, net zoals Ik zelf overwonnen heb en samen met mijn Vader op zijn troon zit’ (Op.3:21). Na zijn opstanding zegt de Heer daarbij ook dat Hem alle macht is gegeven in hemel en op aarde. Bij zijn hemelvaart was het tijdstip gekomen dat Jezus deze heerschappij aanvaardde en zich zette op de troon van zijn vader David, dat is op de troon van God. Jezus regeert vanaf zijn troon in de onzienlijke wereld, vanwaar altijd de heerschappij uitgegaan is over het volk van God. Daarom staat er: ‘Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekróónd’ (Hebr.2:9). Petrus getuigde dat de profeten spraken ‘over de voor ons bestemde genade’ (1 Petr.1:10-12). De beloften van God gelden dus allereerst Jezus Christus en dan ook degenen die ‘in Christus’ zijn, dat zijn allen die bij de ware gemeente horen. Jezus mag de Koning van de gemeente, het geestelijk Israël, worden genoemd. Dit wil zeggen dat Hij over zijn volk regeert. Dit is geen toekomstige zaak, want er staat:

  • ‘Hij heeft ons verlost uit de macht van de duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van zijn geliefde Zoon’ (Col.1:13). Johannes schrijft: ‘Hij heeft ons tot een koninkrijk gemaakt’ (Op.1:6).

Het Koninkrijk van Jezus is geestelijk en hoort bij de geestelijke wereld. Hij regeert over een geestelijk Israël, dus over een geestelijke broederschap. Op aarde zijn zijn onderdanen vreemdelingen en gasten en de geestelijke wereld is hun tehuis, Daar wandelen, leven en strijden en overwinnen zij.

Er is een Koning en een Koninkrijk. Tot Pilatus zei Jezus: ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze wereld hoorde, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben om te voorkomen dat ik aan de Joden werd uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is niet van hier’ (Joh.18:36). Het woordje ‘niet’ is een aanduiding van de waarheid en werkelijkheid. Het Koninkrijk van Jezus was zuiver geestelijk, dus van een andere dimensie. Dit Koninkrijk wordt immers niet gevormd door een natuurlijk volk. Daarom weigerde de Heer, ondanks het aandringen van de menigte, een natuurlijk koningschap over Israël te aanvaarden, zoals er staat: ‘Jezus begreep dat ze Hem wilden dwingen om mee te gaan en Hem dan tot koning zouden uitroepen. Daarom trok hij zich terug op de berg, alleen’ (Joh.6:15).

Het koningschap van Jezus is ook niet uit de natuurlijke wereld, net zoals zijn priesterschap. Het komt immers overeen met dat van Melchizédek, want Hij is Hogepriester en Koning in het hemelse Jeruzalem. Zijn zalving was niet met natuurlijke olie waarmee men koningen en priesters zalfde, maar met de Heilige Geest (Hand.10:38). Zomin als het aardse priesterschap van Aäron kan terugkeren, zomin zal er een herstel zijn van het natuurlijke koningschap van David. Aäron en David hoorden beiden bij een verouderd verbond van schaduwen.

Koning Jezus is nu bezig zich een volk te verzamelen. Het is bekend dat het natuurlijk Israël weigerde Jezus als geestelijk Koning te erkennen. Daarom zei de Heer: ‘Hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen verzamelen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels verzamelt en u hebt niet gewild’. Dat het niet over een aards koningschap ging, blijkt uit zijn volgende woorden: ‘Zie, uw huis (tempel) wordt aan u overgelaten’, of ‘prijsgegeven’ (Vert. Brouwer) aan de machten van de duisternis. De Canisiusvertaling heeft: ‘Zie, uw huis zal in puin blijven liggen’. Wanneer een Jood Jezus aanneemt, wordt ook hij onderdaan van het geestelijke Koninkrijk. Dan zal ook hij Hem zien, zoals er staat: ‘vanaf nu zullen jullie Mij niet meer zien, tot de tijd dat je zult zeggen: Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer!’ (Matth.23:37-39)

Alleen dat overblijfsel van het volk Israël dat gedoopt zou en zal worden in Gods Heilige Geest, die in de naam van de Heer kwam, wordt behouden. Dat ziet Hem immers met eer en heerlijkheid gekroond! Aan het kruis heeft Jezus Christus de zonde weggenomen van de hele wereld, waaronder ook de schuld van de Joden vanwege de verwerping. Ook de Jood die in Jezus gelooft, heeft de volle vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom, dat is het ware huis van God (Hebr.10:19).

Jezus zoekt een geestelijk volk uit alle stammen en natiën en talen. In Mattheüs 21:43 staat: ‘Daarom zeg ik u: het koninkrijk van God zal u worden ontnomen en gegeven worden aan een volk dat het wel vrucht laat dragen.’ Jezus richt ons oog niet naar het aardse Jeruzalem, noch naar enige andere heilige plaats, maar Hij zei:

  • ‘Maar er komt een tijd en die tijd is nu gekomen, dat wie de Vader echt aanbidt, Hem aanbidt in geest en in waarheid. De Vader zoekt mensen die Hem zo aanbidden, want God is Geest, dus wie Hem aanbidt, moet dat doen in geest en in waarheid’ (Johannes 4:23,24).