Jezus is ons Voorbeeld

  • ‘Wie zegt dat hij met God verbonden is, moet zelf leven zoals Jezus geleefd heeft’ (1 Johannes 2:6).

Veel mensen zeggen dat ze in God geloven. Ze zijn van mening dat er wel een Opperwezen moet zijn, een hogere macht die z’n hand heeft in het wereldgebeuren. Anderen hebben diepe bewondering voor de wondere wereld van de natuur, omdat ze daarin bewijskracht vinden voor het bestaan van God. Weer anderen zeggen: Ik heb de Heer Jezus lief, omdat Hij voor mij gestorven en opgestaan is. Ze gaan regelmatig naar kerk of samenkomst en spreken graag over zaken die met het geloof in God te maken hebben. De Heer Jezus doet in dit verband een opmerkelijke uitspraak. Hij zegt:

  • ‘Rivieren van levend water zullen stromen uit het hart van wie in Mij gelooft’.

Geloven in de Christus heeft dus alles te maken met wat de Schrift van Hem getuigt. Welk getuigenis geeft de Schrift dan van de Christus? God heeft zijn Zoon de wereld ingezonden om zichzelf aan de mensen bekend te maken. De levensopdracht van Jezus is de mens terug te brengen tot zijn Schepper van wie hij vervreemd en afgedwaald is. Daartoe heeft de Redder en Verlosser zich volkomen ingezet en de losprijs betaald met zijn leven. Nog steeds is Hij op zoek naar het verlorene.

Verlangen tot openbaring

Maar er is meer. Hij verlangt ernaar zich nu aan de zijnen te openbaren, dat wil zeggen te laten zien wie God werkelijk is en welke bedoelingen de Vader heeft met de mens als kroon van zijn schepping. Om dit volledig gestalte te kunnen geven, heeft de Vader zich eerst volkomen aan de Zoon bekendgemaakt. Dit ontwikkelingsproces wordt duidelijk in de Schrift beschreven. De Meester was bereid alle gerechtigheid van God te vervullen. Hij wilde Gods wil doen en diens eeuwig plan volkomen uitwerken in zijn leven. Hiervoor moest Hij een (leer)weg gaan. Hij moest de gedachten van God eerst leren kennen, om ze vervolgens in zijn leven te praktiseren. Om hiertoe in staat te zijn schonk de Vader Hem de vervulling met heilige Geest. Ongekende mogelijkheden lagen nu voor Hem open.

Het begon bij Jezus met de theorie: het horen van de Thora, de onderwijzing van God. Toen Jezus 12 jaar was, ging Hij voor het eerst met z’n vader en moeder mee naar de tempel. Het betekende zijn volledige opname in de gemeenschap van Israël. Zo telde Hij mee bij de mensen, wier aanwezigheid vereist was om de eredienst in de synagoge te houden. Over de tijd die er ligt tussen z’n 12de en 30ste levensjaar, geeft de Bijbel nauwelijks of geen informatie. Lucas schrijft dat Hij ‘volgens zijn gewoonte’ naar de synagoge ging. Die uitdrukking kan al gauw de negatieve gevoelswaarde krijgen van sleur, een routinematige handeling. Toch mogen we er zeker van zijn dat de opgroeiende Jezus met z’n hele hart en met volle aandacht betrokken was bij zijn geestelijke vorming en toerusting. Het werd Hem van lieverlee duidelijk dat Hij de vervulling was van de profetie van Mozes:

  • ‘Uit uw eigen broeders zal de Heer uw God een profeet laten opstaan zoals ik, naar Wie u moet luisteren’ (Deut.18:15). En aan het slot van de Thora staat: ‘Er is in Israël nooit meer een profeet opgetreden als Mozes, die de Heer van aangezicht tot aangezicht gekend heeft’ (Deut.34:10).

Voorbereiding en vervulling

Daarmee eindigt de Thora. Het wachten was op de vervulling van de profetie van Mozes. Wanneer zou de nieuwe profeet opstaan? 18 jaar lang zijn die woorden tot Jezus gekomen. God heeft zijn gedachten op de tafel van het hart van Jezus kunnen schrijven. Daar was heel wat tijd voor nodig. Jezus’ voorbereiding gebeurde dus in alle rust. Het is bekend dat in de joodse synagoge in een tijdsverloop van drie jaar de Thora gelezen werd vanaf Genesis tot en met Deuteronomium. Jezus had dus zes keer de gedachten van de Vader gehoord. Waren niet de Israëlieten zesmaal om de stad Jericho getrokken, terwijl de ark (met daarin de tien woorden) vooropging? De zevende dag werd de dag van bevrijding voor het volk van God.

Gods verlossing kwam openbaar in en door zijn volk. Zo ook in het leven van Jezus. Hij heeft zich verzadigd aan het ware brood uit de hemel. Dat heeft Hem geestelijk doen groeien, zodat Hij volkomen op de hoogte was van Gods voornemen. Als voor Jezus de ‘zevende dag’ aanbreekt, komt al Gods redding in Hem openbaar. Het ‘aangename jaar van de Heer’ breekt dan aan. Achttien jaar had de Heer gelezen; nu kon Hij gelezen wórden … want Hij was het woord van God geworden! Hierin is de Heer ons ten voorbeeld. Het begon bij Jezus met het begrijpen wat het woord over God zegt en leert. Johannes zegt: ‘Niemand heeft God ooit gezien, maar de eniggeboren van God, die rust aan het hart van de Vader, Hij heeft Hem doen kennen’ (Joh.1:18). Uit deze tekst blijkt dat Jezus een intieme relatie met zijn Vader had. De Vader kon Zich volkomen aan hem openbaren, ook dank zij zijn volstrekte gehoorzaamheid.

Kennen we Hem?

Nu worden wij door de Vader uitgenodigd om gemeenschap met zijn geliefde Zoon te hebben en naar Hem te luisteren. Hij heeft voor ons woorden van eeuwig leven. Als wij willen weten wie en hoe God is, moeten we de Christus leren kennen. De kernvraag is dan ook: Kénnen we Hem? Wie deze vraag bevestigend beantwoordt, kan niet heen om wat er staat in 1 Johannes 2 vers 6: ‘Wie zegt dat hij met God verbonden is, moet zelf leven zoals Jezus geleefd heeft’ (1 Joh.2:6). Het kennen van de Christus zal dus leiden tot een praktische, heilige levenswandel. Al lijkt dit (te) hoog gegrepen, toch is Gods bedoeling met ons leven voor het hier en nu: zijn zoals Jezus was en doen wat Jezus deed en doet. Petrus zegt: ‘En het is ook uw roeping, want Christus heeft voor u geleden en u een voorbeeld nagelaten; u moet in zijn voetstappen lopen’ (1 Petr.2:21).

Als er één leerling was waarvan gezegd kon worden dat hij de Meester kende, was het Johannes wel. Hij was altijd in de nabijheid van de Heer te vinden. Gods woord getuigt van hem dat de Heer hem liefhad (Joh.19:26; 21:7). Waarom wordt dit zo nadrukkelijk van Johannes vermeld? Omdat hij erop gespitst was Gods gedachten te verstaan en die zich toe te eigenen. Net als Maria, die alles op de tweede plaats stelde om maar niets te missen van wat de Heer te zeggen had. Zij hadden Jezus lief en daarom kon Hij Zich aan hen openbaren.

Zoals Hij… ook wij!

Johannes had de geweldige reikwijdte van de boodschap van zijn Meester begrepen. Daarom durfde hij te zeggen: ‘Want zoals Hij is, zijn ook wij in deze wereld’ (1 Joh.4:17). Dit was zijn belijdenis en zo’n belijdenis vraagt geloof. Belijden betekent letterlijk in de (Griekse) grondtekst: hetzelfde spreken. ‘De Zoon belijden’ wil dus zeggen: belijden wat Jezus belijdt en spreken wat Jezus spreekt. Jezus zegt: ‘Ieder dan die Mij belijden zal voor de mensen, die zal ook Ik belijden voor mijn Vader, die in de hemel is’. Hij wordt de Hogepriester van ónze belijdenis genoemd (Hebr.3:1). Hij komt als Hogepriester met onze belijdenis bij de Vader. Hij gaat onze woorden tot werkelijkheid maken, als wij in geloof spreken wat Hij spreekt.

Jezus geloofde en beleed in het uur van de diepe duisternis dat Hij overwinnaar zou zijn (Ps.116:3,9). Op grond van die belijdenis kon de Vader Hem maken tot Leider voor zijn volk. Jezus en wij hebben dezelfde oorsprong (Hebr.2:11, vert. prof. Brouwer). Jezus en wij horen dus in beginsel bij elkaar. Daarom horen ook wij te wandelen zoals Hij gewandeld heeft. Dat is onze roeping. Dat is onze verantwoordelijkheid. Professor Martin Buber zegt in zijn ‘Vertellingen van Rabbi Nachman’:

  • ‘Het feit dat de mens vallen kan, betekent ook dat hij stijgen kan. Voor het stijgen van de mens bestaan er geen grenzen en het hoogste is voor ieder bereikbaar. De enige heerser is uw keuze’.

Dit is een uitspraak om een goed over na te denken. Jezus zegt: ‘Velen zijn geroepen (tot dat hoogste) maar weinigen uitverkoren’ (Matth.22:14). Als velen geroepen zijn, hoe komt het dan dat maar weinigen uitverkoren zijn? Omdat velen helaas er niet naar streven om hun (hoge) roeping en verkiezing (door de Vader) ook daadwerkelijk te bevestigen (2 Petr.1:10). Ze blijven steken in de zaken en bezigheden van de natuurlijke wereld. Hun keus wordt mee bepaald en beïnvloed door boze geesten. Die willen koste wat kost verhinderen dat het zaad van God (het woord van God) in de mens tot volle vrucht komt. God echter roept ieder door zijn eeuwig evangelie tot het verkrijgen van de heerlijkheid van zijn Zoon, Jezus Christus (2 Thess.2:14). Het is dus voor állen bedoeld!