Jezus is Koning

In Jesaja 32:1,2 wordt gesproken over het Messiaanse rijk:

  • ‘Zie, een koning zal rechtvaardig regeren en leiders zullen leiden volgens het recht. Zij zijn als een beschutting tegen de wind, als een schuilplaats voor een wolkbreuk, als waterstromen in een dorre streek, als de koele schaduw van een rots in een dorstig, uitgedroogd land’.

Dit rijk is begonnen bij Jezus’ troonbestijging. Bij zijn hemelvaart, na zijn volbrachte taak was Hij rechtmatig Koning. Hij nam zijn plaats van heerlijkheid weer in bij de Vader, die Hij als de Christus had voor Hij op aarde kwam. Alleen: voor die tijd was satan nog overste van deze wereld, door de zondeval was de mensheid aan hem onderworpen geraakt. Jezus zegt kort voor zijn lijden: ‘De overste van deze wereld wordt buitengeworpen’ (Joh.12:26-32). Jezus zegt ook, dat Hij Gods Heilige Geest zal sturen omdat de overste van deze wereld geoordeeld is (Joh.16:5-15). Hij ziet hier, over zijn lijden heen, naar zijn koningschap. Dus de profetie van Jesaja is van kracht voor de tijd van Jezus’ koningschap. Petrus zegt dat dit woord voor hen is, die door het geloof in Jezus Christus opnieuw zijn geboren. In wiens hart en leven Jezus Koning is. Als we opnieuw lezen wat Jesaja zegt, zien we dat er met Jezus, die Koning is, vorsten zullen regeren naar het recht.

Wie?

Wie zijn die vorsten en welk recht hebben ze en waarover heersen zij? Dit zijn drie dingen:

  1. Ten eerste, zij zijn die vorsten, van wie Petrus zegt, dat zij een koninklijk priesterschap vormen: de volgelingen van onze Heer Jezus, die gewassen zijn door zijn bloed en door de Heilige Geest een krachtig getuigenis hebben, waardoor zij overwinnen (Op.12:11).
  2. Ten tweede, dat recht is de volkomen overwinning van Jezus aan het kruis, waar Hij riep: ‘Het is volbracht’. Onze zondeschuld is betaald en de duivel met z’n bende is tentoongesteld en overwonnen (Col.2:13-15).
  3. Ten derde, over wie heersen wij dan? Over mensen? Nee, over de boze geesten, die mensen onder druk zetten, zonde verleiden en binden.

Door de naam van Jezus hebben wij volmacht, in de kracht van zijn geest mogen we de kwade invloeden die anderen kwellen, het recht van Jezus voorhouden en voor hen bevrijding verkondigen. Als we dan de prachtige beeldspraak in Jesaja 32:2 lezen, die beschutting, die toevlucht, die waterstromen, dan wil God ons geweldig gebruiken. En de satan schrikt zich dood, als wij ons bewust worden wie wij zijn in Jezus.

Dankzij Jezus

De veel gehoorde belijdenis van ‘zich christelijk noemenden’: ‘Wij zijn niets en U bent alles’, is deels waar. Deels, want wij waren niets, toen we nog dood waren in zonde en ongerechtigheid. Daarom was het ook zo nodig, dat Jezus kwam en wie maar wilde, levend maakte. Kijk naar de teruggekomen, verloren zoon: na zijn schuldbelijdenis omarmd door zijn vader, gewassen en aangekleed met schone kleren, een ring aan de vinger: teken van ‘hoge komaf’ en aan het feestmaal: maaltijd met Jezus houden. Dus: we waren niets, door Jezus zijn we van de Koninklijke Familie: kinderen van God, zonen van God. In deze status wacht de Heer op ons, dat wij voor mensen-in-nood een beschutting zijn. Zó denkt God over ons en uit zet ons op onze voeten.

Wie de belijdenis ‘wij zijn niets’ vasthoudt, maakt zichzelf krachteloos en doet God verdriet. Dat realiseert men zich misschien niet, want omdat ze van de Heer houden is dat wel het laatste dat ze zouden willen: Hem verdriet doen. Maar Gods Geest laat ons zien, dat satan misbruik maakt van een zogenaamde nederigheid in deze belijdenis. Dan verwacht men het immers allemaal en alléén maar van God, terwijl God op hen wacht en hen wil doen delen in het recht van Jezus, als vorsten nota bene.

Laten we bidden, dat de Heer dit woord van Jesaja aan alle harten zó openbaart, dat Hij echt grote dingen door de mens heen gaat doen, met zijn volle medewerking. De Heer Jezus zegt: ‘Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik jullie’. Een geweldige opdracht en Hij verwacht veel van ons!