2. De bezetene van Gadara

<<<<<

‘En zij kwamen aan de overkant van de zee, in het land van de Gadarenen. En toen Hij uit het schip gegaan was, kwam Hem meteen uit de grafspelonken iemand met een onreine geest tegemoet’ Marc.5:1,2.

Aan de overkant van het meer worden ze geconfronteerd met de oorzaak van het onheil. Er is verband tussen de bezetene van Gadara en de storm. De demonen in de bezetene hebben Jezus proberen tegen te houden door de storm. Deze 2 verhalen zijn een dwaasheid voor de mens in de natuurlijke wereld, ook voor de natuurlijke christen. Mensen die het aardse Israël aanbidden, snappen niets van deze verhalen, want dan zouden ze moeten gaan geloven in het geestelijk Israël van God. Dan zouden ze deze verhalen in de geestelijke wereld kunnen begrijpen en dus ook de leer van Jezus moeten aanvaarden. Dat willen ze niet; het past niet binnen hun gefantaseerde tijdperkenleugens. Ze mogen het boek Openbaring van Johannes, na hoofdstuk 4, niet verder lezen.

Jezus is gekomen, zegt Johannes, om de werken van satan en zijn demonen te verbreken. Hij is niet gekomen om allerlei leugens te brengen over wat er in de zichtbare wereld ons allemaal te wachten staat, nee Jezus is gekomen om de duivel te ontmaskeren. Hij is er om ons te leren hoe we de kennis er van, om kunnen zetten in de praktijk. Wij willen leren van deze geschiedenissen. Jezus was geen hysterisch persoon, Hij kende de werkelijkheid zoals niemand hem gezien had. Hij was gekomen om van de waarheid te getuigen. Jezus onderwijst zijn leerlingen over de theorie, maar Hij is bij hen als ze de praktijk meemaken van die waarheid. Hij zegt als het ware: ‘Ik ben er ook nog, nu jullie de praktijk hebben meegemaakt van Mijn leer’.

Het dodenrijk en zijn bewakers

‘Deze man woonde in de grafspelonken en niemand kon hem binden, zelfs niet met ketens. Hij was namelijk dikwijls met boeien en ketens vastgebonden, maar de ketenen waren door hem in stukken getrokken en de boeien verbrijzeld. Er niemand was in staat hem in bedwang te houden. En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de grafspelonken en hij schreeuwde en sloeg zichzelf met stenen’ Marc.5:3-5.

Aan de overkant, in Gadara, krijgen Jezus en zijn leerlingen te maken met machten van de duisternis, occulte grootvorsten met het klimaat van de afgrond van het dodenrijk in zich. Deze geschiedenis zit vol met illustraties. Een man die tussen de graven woonde – de graven zijn een teken van de overgang naar het dodenrijk. Dat rijk heeft de sterkste wetteloze geesten die er in de hemelse gewesten zijn. Dood zelf en zijn bewakers van het dodenrijk (gevallen serafs – van oorsprong boodschappers) weten iedere geest vast te houden. Ze zijn zo sterk dat niemand aan hun greep ontkomt, want vóór Jezus Christus is niemand uit de dood losgekomen, omdat deze demonen hem vasthouden. Er is geen geest, een menselijke of andere geest, die terugkomt uit het dodenrijk omdat de cipiers van de gevangenis de opdracht hebben deze geesten gevangen te houden. Deze bewakers van het dodenrijk zijn zo sterk dat ze later kans zien de duivel zelf gevangen te houden! (Op.20-1,2).

‘En Hij vroeg hem: Wat is uw naam? En hij antwoordde: Mijn naam is Legio, want wij zijn met velen. En hij smeekte Hem dringend dat Hij hen niet het land uit zou sturen. Nu was daar bij de bergen een grote kudde varkens aan het grazen. En alle demonen smeekten Hem: Stuur ons naar die varkens, zodat wij daarin mogen gaan’ (Marc.5:9-12).

De bezetene van Gadara is niet alleen, hij heeft een inwonend legioen gevallen engelen (cherubs, strijders). De naam van de overste van de machten is Legioen, want achter hem staan duizenden andere demonen. De naam Legioen was vol betekenis voor de Joden. Legioenen waren het beeld van de bezettende macht, de Romeinen. Zij vragen aan Jezus of Hij hen niet buiten het land wil sturen. Het land is het beeld van de natuurlijke wereld in tegenstelling tot het water, het beeld van de geestelijke wereld, van het rijk van de duisternis, het dodenrijk (vergelijk de zee Op.21:1). De inwonende demonen vragen daarom of ze in de varkens – in die tijd nog onreine dieren – mogen gaan. Ze hadden ook om schapen kunnen vragen, maar onreine geesten passen uiteraard beter bij de demonische machten. Zo wordt dit hele verhaal in de natuurlijke wereld getransponeerd naar de geestelijke wereld. Zelfs het vulkanisme in die buurt is beeld van het rijk van de duisternis.

Gadara – een dekapolis van het occultisme

Gadara is één van de tien steden (Dekapolis, Deka=10, polis=stad). Zij samen hadden ze zo’n geweldige macht dat ze zelf mochten regeren. Er was geen stadhouder, geen Pilatus, geen koning Herodes. Het was een dichtbevolkte streek liggend in een heidens gebied. Het was ook een vruchtbaar gebied. Jezus kwam daar vaak en liet de mensen daar in het gras zitten bij zijn toespraken. Buiten Gadara waren de graven uitgehouwen in kalksteenrotsen en basalt, het was een gebied vol afgoderij. Graven waren niet alleen een schuilplaats voor armen en criminelen, maar ook voor spiritisten. Ook de geesteszieke uit het verhaal had daar een schuilplaats gevonden. In deze omgeving bracht Jezus zijn evangelie. Jesaja 65:1-4 zegt over hen: ‘Een volk dat in (occulte) duisternis is, zal een groot Licht zien’.

  •  ‘Al vragen zij niet naar mij, toch laat Ik me raadplegen en al zoeken ze mij niet, toch laat Ik me vinden. Al roept dit volk mijn naam niet aan, toch antwoord Ik: ‘Hier ben ik, hier ben ik.’ Heel de dag sta Ik met uitgestoken handen tegenover een opstandig volk, dat op de verkeerde weg is en zijn eigen ingevingen volgt. Een volk dat mij openlijk tergt, telkens opnieuw: ze ontsteken offers in tuinen en branden wierook op branders van aardewerk, ze zitten in graven en slapen op geheime plaatsen’.

Een volk dat graag bij de graven zit, raadpleegt God niet, maar heeft eigen goden. Deze mensen wilden contact hebben met demonen en geesten van familieleden die in het dodenrijk waren. Als geesten met de gestorvene meegegaan zijn naar het dodenrijk, moet men doordringen tot in het dodenrijk. Zo komt de mens in de sfeer en het klimaat van het dodenrijk, met alle gevolgen van dien. Depressief, geen licht meer zien, altijd maar in het duister of bij het graf zitten. Apollyon, de ontbindende kracht staat als koning van de afgrond in het diepste gedeelte van het dodenrijk. Als je daarmee contact hebt, zit je in de grootste duisternis (Op.13:1,2)

Er zijn mensen die met de ‘was ik maar dood’-gedachte leven. Ook zij komen in contact met het dodenrijk. Wat een verschil met David, toen zijn zoon ziek was en op sterven lag. David ging bidden, maar toen zijn zoon gestorven was, ging hij naar huis en liet een goede maaltijd klaarmaken. Hij liet het kind los. Bij het graf van Jezus zou later gezegd worden: ‘Wat zoek je de levende bij de doden?’ Een levende hoort niet bij de doden. Daarom ging David eten en drinken, hij kon er niet mee bezig zijn.

Een les voor ons om te zien hoe God het wil. De Heer wil niet dat we bezig zijn met de hulpeloosheid, met het ellendige, met het uitzichtloze, met de doden. Eerst is hun lichaam bezet door ziektemachten en vervolgens worden ze bij het sterven door de doodsengelen (de cipiers) gevangen gezet in hun kerkers. Dit geldt niet voor de opnieuw geboren kinderen van God; die zullen de dood niet zien. Maar een wereldling die sterft, wordt door occulte demonen meegenomen naar de bewakers van het dodenrijk. Deze gevallen serafs (engelen) hebben als taak dat ze de geesten van gestorvenen gevangen nemen, bewaken en bewaren.

Engelen kunnen op twee manieren ongehoorzaam worden. Zij kunnen ervoor kiezen dat zij geen dienende geesten willen zijn (Hebr.1:14). Zij willen niet hen dienen, die de redding en verlossing erven, maar zij willen heersen en de mens verleiden en onderdrukken. De tweede zonde is dat engelen hun taak verwaarlozen en hun woning gaan verlaten (Gen.6:1-4; Judas:6; 2 Petr.2:4). Ze gaan contact zoeken met de mens, denk aan Kaïn: ‘De belager ligt aan de deur en wil bij je binnen komen’. God wil in de mens wonen, maar als een demon in de mens komt, neemt hij de plaats in waar Gods Geest wil wonen.

De mens die bewust contact zoekt met het dodenrijk…

De tweede zonde is de grofste zonde. Als een macht IN de mens dringt, wordt de mens dubbel gestraft. Het oproepen van occulte geesten, glaasje draaien, Tarotkaarten, waarzeggerij, toverdokters, magnetisme, enz, heersen als geen enkele andere macht. Gelukkig is Jezus Christus sterker en heeft deze demonen onttroond. Maar mensen die zeggen dat ze maar liever dood willen zijn of mensen die geesten van gestorvenen aanroepen, zoeken de gemeenschap met die demonen juist op. Als die mens sterft en de inwonende demonen niet loslaat, neemt hij hen mee naar het dodenrijk. In Openbaring 9 lezen we dat er machten uit de afgrond door de antichrist worden opgeroepen, occulte demonen, wetteloze geesten: ‘Zij dringen in de mensen, de mensen zullen de dood zoeken, maar zij zullen die niet vinden. Ze zullen begeren te sterven, maar de dood vlucht van hen weg’. Occulte demonen vluchten, want zij willen niet terug naar de afgrond en zijn doodsbenauwd voor de straf die op hem wacht.

Het door mensen opgeroepen beest uit de afgrond, Apollyon en dè antichrist, vervult met deze sterkste demon uit de afgrond

Uiteindelijk komt er een beest op uit de afgrond (Op.13:1). Dan is er ook sprake van desertie, dit keer van een geweldige macht. Die macht komt op uit de zee, omdat er vandaag zeer slechte mensen zijn die hem graag oproepen voor hun macht over de hele aarde. De antichrist, het beest uit de aarde, roept hem uiteindelijk helemaal naar boven op en maakt hem geheel los uit de afgrond. Apollyon heeft alle eigenschappen van het dodenrijk en de satan geeft hem alle macht en kracht en zijn troon. De antichrist is daardoor ook bezet gebied, want hij heeft de koning van de afgrond IN zich. Vandaar dat hij dè zoon van het verderf wordt genoemd.

In 2 Thess.2:3 staat dat de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, de antichrist, zich zal openbaren. Hij krijgt in de zichtbare wereld ook nog alle macht van satan. Alle machten van de duivel worden in hem samengevoegd. Alleen de gemeente van Jezus Christus kan deze macht overwinnen.

Armageddon

De antichrist en de macht die in hem was, het beest uit de afgrond, worden na de slag van Armageddon, uiteindelijk levend(!) in de vuurpoel geworpen, dat is de tweede dood. Dat is hun einde voor eeuwig. Zonder einde! De duivel is dan zo afgetakeld dat hij gestraft wordt en voor 1.000 jaar in het dodenrijk wordt vastgebonden en opgesloten. Pas bij Gog en Magog wordt hij weer voor een korte tijd losgelaten (Op.20:7-10).

De man in de graven

‘En toen Hij aan de overkant was gekomen, in het land van de Gerasenen, kwamen twee mensen die door demonen bezeten waren, Hem tegemoet; zij kwamen uit de grafspelonken en waren zeer gevaarlijk, zodat niemand langs die weg voorbij kon gaan. En zie, zij riepen: Jezus, Zoon van God, wat hebben wij met U te maken? Bent U hier gekomen om ons te pijnigen vóór de tijd?’ Matth.8:28,29.

Mattheüs beschrijft ook de storm plus het verhaal over de bezetene in Gadara, maar er zijn wat andere accenten. Mattheüs spreekt over 2 mannen, hij zal zijn ‘collega’, die hem in alles volgde, ook wel gedood hebben. Hoe dan ook: het was een merkwaardig beeld: de man verbreekt de boeien en doet net als de bij hem inwonend legioen demonen; hij overvalt passerende mensen. Deze man wordt nu geconfronteerd met Jezus Christus, de levensvorst en met het eeuwig evangelie dat werkt. We weten verder niets van die man, of hij gebonden is door machten van het voorgeslacht, of hij zelf contact gezocht heeft met deze demonen.

Als iemand geen sterke geest heeft, wordt hij overweldigd. Luther (op wie een heleboel is aan te merken) heeft bij dit verhaal opgetekend:

  • ‘Alle kwaad en ongeluk in deze wereld, ook alle ziekte, komt van de duivel. Als je iemand blind ziet worden, dan is dat het werk van de duivel, want hij kan alleen maar schade aanrichten.’

Jezus is overwinnaar, Hij onderscheidt de geesten en ziet wat er met deze man aan de hand is. Opvallend is dat deze man zelf naar Jezus toekomt, maar dan begint het legioen te spreken:

  • ‘Wat heb ik met U te maken, Jezus, zoon van de Allerhoogste? Ik bezweer U dat U mij niet pijnigt.’ Mattheüs schrijft erbij ‘dat U mij niet pijnigt vóór de tijd’.

Die demonen weten dat de tijd aanbreekt dat zij uiteindelijk gepijnigd worden voor eeuwig en dat zij zolang teruggestuurd en opgevangen en in de cel worden gezet door koning Dood hemzelf.

Jezus’ spreekt in de gevangenis

Later zal Jezus neerdalen in het dodenrijk. Neerdalen is ook een beeld, want het dodenrijk is een situatie en geen plaats. Hij ziet daar dezelfde angst bij de demonen voor Hem, de Levende die verbonden is met Gods Geest, als Hij daar midden in het rijk van de duisternis staat. Dan komt er zo’n paniek omdat Jezus de sleutels eist. Dood hemzelf zal hem de sleutels moéten geven. Hij is de sterkere! Daardoor maakt Jezus ons vrij van de dood en zeggen wij: ‘Prijs de Heer, Hij heeft voor ons de dood overwonnen.’

De machten, dat legioen, smeken Jezus om niet teruggestuurd te worden. Maar waarom zou Jezus dat niet doen? Medelijden met de absolute vijand in de geestelijke wereld hebben is een teken van zwakheid. In het Oude Testament wordt men gestraft als men medelijden heeft met de vijand. Koning Saul had medelijden met Achab, de koning van Amalek en liet hem leven. De profeet Samuël zei toen:

  • ‘Omdat u het woord van de Heer verworpen hebt, heeft Hij u verworpen, zodat u geen koning meer zult zijn’ (1 Sam.15).

Achab neemt Benhadad gevangen. Deze Benhadad doet een boetekleed aan, waarop Achab zegt: ‘Je bent mijn broer’. De profeet zegt daarop:

  • ‘Zo zegt de Heer: omdat u de man die onder mijn ban staat, uit uw hand hebt laten gaan, zal uw leven in de plaats van het zijne wezen en uw volk in de plaats van zijn volk’ (1 Kon.20).

Zowel Saul als Achab werden gedood in de strijd, omdat ze de vijand van Gods volk lieten leven. Zij toonden aan hen barmhartigheid. Jezus heeft echter geen medelijden, Hij stuurt hen in de onreine geesten van de kudde zwijnen. Zij worden helemaal gek, stormen de berg af en komen in het water terecht, beeld van de afgrond en verdrinken. Een uitgevonden ‘alverzoening’, bestaat niet. Voor alle bewuste God- en Jezus haters rest alleen de vuurpoel voor eeuwig.

Wat is nu het belangrijkste van dit verhaal?

Jezus toont ons, dat ook wij macht hebben gekregen om demonen naar de afgrond te verwijzen (Marcus 16; Op.11:4-6; Op.20:1,2). De leerlingen kregen letterlijk, zichtbaar onderwijs over wat er in de geestelijke wereld gebeurd, wanneer demonen bij de mens worden uitgeworpen.

Ook voor ons is dit een les die we in de laatste dagen steeds vaker zullen moeten toepassen. Ook wij hebben de macht van God en Jezus gekregen om in de laatste dagen te kunnen standhouden en overwinnen. Ook wij hebben de macht om de hemel te sluiten, zodat er geen regen zal vallen in de dagen dat wij profeteren. En ook wij hebben macht over de wateren om die in bloed te veranderen en de aarde te treffen met allerlei plagen, zo vaak wij dat willen.

Laten wij horen wat de geest van de profetie tot ons zegt (Op.1:3, 19:10, 22:7,10,18,19)!