Jezus Christus – De blinkende morgenster

Wie de sleutels van het Koninkrijk van de hemelen hanteert bij Ezechiël 28 en Jesaja 14, wordt bepaald bij de grote veranderingen in het geestelijke leven van het volk van God in de eindtijd. Het gaat over het gééstelijke volk Israël van alle eeuwen en niet over een Jezus Christus verwerpend volk in het land Israël. Al zullen er ook daar Joden zijn die zich alsnog gaan bekeren in de toekomst. Dan wordt immers de late regen uitgestort ‘op alles wat (voor God) leeft’, dus op allen die bij de Zoon van God willen horen en gemeenschap hebben met de Vader, want alleen zij hebben ‘leven’ (Joël 2:28).

Het Woord van God overwint – Alle tirannen voor eeuwig in vuurpoel geworpen 

 

Volgens Romeinen 8:19 zal de zuchtende schepping verlost worden door de geopenbaarde zonen van God. Door hun overwinning breekt de tijd aan dat er ongestoord vrede en gerechtigheid op aarde zullen zijn, want de overste van deze wereld komt ten val, zoals in dit profetische beeld de koning van Babel. Hij wordt gevangen genomen en in de afgrond of het dodenrijk geworpen (Op.20:2). In dit hoofdstuk wordt al gezinspeeld op de heerlijkheid die geopenbaard zal worden, wanneer de legers op witte paarden, gehuld in wit en smetteloos linnen, achter hun Heer optrekken om de staf van de tirannen, die in grote woede volken sloegen en geselden, te verbreken (Op.19:11-21). De machten, die in hun toorn volken onderdrukten en meedogenloos vervolgden, worden dan gevangen genomen en veroordeeld.

In Openbaring 12:7-12 staat beschreven op welke manier de duivel op de aarde geworpen wordt. Hij verliest de strijd tegen de aartsengel Michaël en zijn engelen, die de gemeente bijstaan (Dan.12:1). Zo wordt het de zonen van God mogelijk gemaakt om te winnen en zij overwinnen: ‘door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis’. Dit betekent dat de duivel geen enkele invloed meer kan uitoefenen op hen, die oprecht door het geloof hun woonplaats hebben in de hemelse gewesten. Dezen zijn dan onaantastbaar en onkwetsbaar: zij hebben hem overwonnen!

Zij die van de aarde zijn en van geen strijd en overwinning in de hemelse gewesten (willen) weten, die dus ook ongewapend zijn, worden massaal gedemoniseerd. Geen wonder dat de satan ontzettend kwaad is, omdat weer een weg is afgesneden waarlangs hij zijn doel had willen bereiken. De troon van God wordt bezet door hen die de overwinning behaald hebben. De aanklager van de broers, die hen dag en nacht aanklaagde voor God, is buiten geworpen. Hij wordt verwijderd van de berg van de samenkomst door de zonen van God. Zijn operatieterrein en dat van zijn demonen is dan alleen nog de aarde, dus in allen die – naar de innerlijke mens – niet overgeplaatst zijn in de hemelse gewesten. De witte wolk, beeld van de gemeente in haar hemelse positie, is voor de satan echter onbereikbaar en onaantastbaar. De duivel wordt ‘overweldiger van de volken’ genoemd, omdat hij door leugen, zonde en ziekte, de mensheid onder zijn macht heeft gebracht (Hand.10:38).

De schimmen uit Jesaja 14 herinneren aan de intenties en overleggingen van de duivel, die hem als cherub bezighielden en ten val brachten. Hij wilde in de onzienlijke wereld opstijgen, hoger komen, verheven worden boven alle engelen en een plaats innemen op de troon van God om met Hem te regeren over al de werken van zijn handen in de hemel en op de aarde. Hij wilde ook opstijgen boven de toppen van de wolken, dat is boven de gemeente die God zich uit de mensheid had gewenst, om met haar zijn troon te delen. Van de nieuwe mens zegt de Hebreeën:

  • ‘U hebt hem voor korte tijd lager dan de engelen geplaatst; u hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond, alles hebt u aan hem onderworpen’ (Hebr.2:7,8).
  • De gemeente zal aan de Allerhoogste gelijk zijn, want van Jezus wordt gezegd: ‘Hij die de gestalte van God had hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens’ (niet als 1/3e deel van een verzonnen godheid) (Fil.2:6,7). En van de zonen van God staat dat zij aan Hem zullen gelijk zijn (1 Joh.3:2).

Jezus wordt – net als de troonengel – ook de ‘morgenster’ genoemd wordt. Hij is de blinkende of schitterende morgenster, als eersteling en begin van de nieuwe schepping van God (Openb.3:14 en 22:16). Uit de Bijbelse geschiedenis is bekend dat God de eerste zonen niet aanneemt. Denk maar aan Kaïn en Abel, Ismaël en Izaäk, Esau en Jacob, Ruben en Juda, Eliab en David. Zo is ook het in de natuurlijke schepping gegaan: niet Adam, de eerste zoon van God, maar Jezus, de geliefde Zoon in wie de Vader zijn vreugde had, de laatste Adam, de tweede of nieuwe mens uit de hemel, was Gods uitverkorene. En zo was het ook in de zuiver geestelijke wereld: niet Lucifer, maar Jezus Christus.

De loopbaan van de blinkende morgenster, Jezus Christus, begint op deze aarde. Hier werd Hij toen de tijd gekomen was gegenereerd of verwekt. Ook Hij daalde af in het dodenrijk, maar keerde bij zijn opstanding in een verheerlijkt lichaam terug naar de aarde. Vanwege zijn gehoorzaamheid werd Hem het voorrecht gegeven naar de hemel te gaan om daar de troon van God te beklimmen en de plaats te ontvangen die Lucifer zo graag had willen hebben. Hem werd alle macht gegeven in hemel en op aarde.

Jezus zit nu ‘op de berg van de samenkomst ver in het noorden’. Nu al is Hij daar ‘met heerlijkheid en eer gekroond’. Vanuit deze positie is Hij bezig Zich een gemeente te vormen uit alle volken en werelddelen. De zonen van God volgen hun Meester, want deze is gekomen ‘om veel zonen tot heerlijkheid te brengen’ (Hebr.2:10). Zij beginnen ook op aarde en worden overgezet in de hemelse gewesten (Ef.2:6). Zoals het water uit de zee opstijgt en in het uitspansel een wolk vormt, zo zijn zij bestemd om een verheven plaats in te nemen. Langs deze weg bereiken zij de troon van God, want

  • ‘Wie overwint zal samen met mij op mijn troon zitten, net zoals ik zelf overwonnen heb en samen met mijn Vader op zijn troon zit’ (Openb.3:21).

De eeuwige stad van God

De gemeente vormt het huis van God in de geestelijke wereld. Zij rust op de berg Sion, beeld van Gods Geest. Zij groepeert zich, net als de 144.000, daar om het Lam van God op de berg van de samenkomst ver in het noorden (Openb.14:1). Om een ander beeld te gebruiken: zij vormt de witte wolk waarop de Mensenzoon de Koning van de koningen en de Heer van de heren, zit (Openb.14:14). Boven haar zal niets in de hele schepping zich kunnen verheffen, want zij bezit de heerlijkheid van God zelf.

  • ‘En hij zei tegen mij: Deze woorden zijn betrouwbaar en waarachtig. En de Heer, de God van de heilige profeten, heeft Zijn engel gezonden om Zijn dienstknechten te laten zien wat met spoed moet gebeuren. En zie, Ik kom spoedig. Gelukkig is hij die de woorden van de profetie van dit boek in acht neemt. En ik, Johannes, ben het die deze dingen gezien en gehoord heb. En toen ik ze gehoord en gezien had, viel ik neer om te aanbidden voor de voeten van de engel die mij deze dingen liet zien. En hij zei tegen mij: Pas op dat u dat niet doet! Want ik ben een mede dienstknecht van u en van uw broers, de profeten en van hen die de woorden van dit boek serieus nemen en ernaar leven. Aanbid God. En hij zei tegen mij: Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet, want de tijd is nabij. Wie onrecht doet, laat hij nog meer onrecht doen. En wie vuil is, laat hij nog vuiler worden. En wie rechtvaardig is, laat hij nog meer gerechtvaardigd worden. En wie heilig is, laat hij nog meer geheiligd worden. En zie, Ik kom spoedig en Mijn loon is bij Mij om aan ieder te vergelden zoals zijn werk zal zijn. Ik ben de Alpha en de Omega, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste. Gelukkig zijn zij die Zijn geboden doen, zodat zij recht mogen hebben op de Levensboom en zij door de poorten de stad mogen binnengaan. Maar buiten bevinden zich de honden, de tovenaars, de ontuchtplegers, de moordenaars, de afgodendienaars en ieder die de leugen liefheeft en doet. Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om bij u in de gemeenten van deze dingen te getuigen. Ik ben de Wortel en het Nageslacht van David, de blinkende Morgenster. En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen en laat hij die wil, het Levenswater nemen, voor niets. Want ik getuig aan ieder die de woorden van de profetie van dit boek hoort: Als iemand iets aan deze dingen toevoegt, zal God hem de plagen toevoegen die in dit boek geschreven zijn. En als iemand afdoet van de woorden van het boek van deze profetie, zal God zijn deel afdoen van het Levensboek en van de heilige stad, van de dingen die in dit boek geschreven zijn. Hij Die van deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen. Ja, kom, Heer Jezus! De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u allen. Amen’ (Openbaring 22:6-21).