Het eeuwig wereldwijde evangelie

  • ‘Als het goede nieuws over het koninkrijk in de hele wereld wordt verteld als getuigenis voor alle volken, zal het einde komen’ (Matth.24:14).

Jezus beschreef aan het einde van zijn aardse loopbaan, in het midden van een groepje leerlingen, in zijn Olijfbergrede de wereldomvattende verkondiging van zijn evangelie: ‘Als het goede nieuws over het koninkrijk in de hele wereld wordt verteld als getuigenis voor alle volken, zal het einde komen’ (Matth.24:14). Het plan van God met de mens zal worden uitgevoerd. Deze zal bij het slangenzaad de kop vermorzelen. Het Woord van God zal erop uit trekken als een overwinnaar en om te overwinnen. Op de eerste ‘kerk’ vergadering te Jeruzalem werd nadrukkelijk vastgesteld, ‘hoe God zelf het plan heeft opgevat om uit de heidenen een volk te vormen dat zijn naam vereert’. Hij zou de God van de hele aarde worden genoemd. Het herstel van het vervallen huis van David was bedoeld ‘zodat de mensen die overgebleven zijn de Heer zullen zoeken, evenals alle heidenen over wie mijn naam is uitgeroepen’. In Handelingen 15:14-17 staat dus, dat mensen uit alle volken de Heer zullen zoeken en dat de naam van de Heer over hen is uitgeroepen. Later zou Paulus erop wijzen, dat tot het moment dat alle heidenen zijn toegetreden, er zich ook uit het volk Israël, gelovigen zullen bevinden (Rom.11:25,26).

Dit evangelie van het Koninkrijk

Ondanks het verzet van de duivel die het onkruid tussen de tarwe zaait, ondanks de afval die zijn dieptepunt bereikt in ‘de zondige mens’, ondanks het verbasteringsproces dat een schijnlichaam van Christus openbaart, bereikt de profetische rede van Jezus haar hoogtepunt met de woorden: ‘Dit evangelie van het Koninkrijk zal in de hele wereld verteld worden’. Deze geweldige belofte is als een lichtstraal in de duisternis. Jesaja profeteerde over deze voor ons bedoelde genade met de woorden: ‘Duisternis bedekt de aarde en donkerte de naties, maar over jou schijnt de Heer, zijn luister is boven jou zichtbaar. Volken laten zich leiden door jouw licht, koningen door de glans van je schijnsel’ (60:2,3). Het woord ‘evangelie’ (euagelion) betekende oorspronkelijk een beloning voor het brengen van goed nieuws. Als achtergrond van het nieuwtestamentisch spraakgebruik vinden we in Jesaja 52:7 de omschrijving, die later Paulus in Romeinen 10:15 aanhaalt: ‘Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode, die vrede aankondigt, die goede boodschap brengt, die heil verkondigt, die tot Sion spreekt: Uw God is Koning.’

Het evangelie óver Jezus beantwoordt de vraag: wie is Hij? Wat denk je van Hem? Het resulteert in de boodschap van verzoening en schuldvergeving. Dit evangelie moet echter gevolgd worden door de leer die Jezus zélf verkondigde, het evangelie ván Jezus Christus (Marc.1:1). Dit laatste geeft gestalte aan de mens van God, die tot alle goede werken volmaakt is uitgerust. Dit eeuwige evangelie brengt de mens tot vervulling met Gods Heilige Geest en tot een heilige levenswandel. Het speelt in op de nood van de massa. De eenvoudige en duidelijke openbaring ervan maakt de hongerigen en dorstigen naar de gerechtigheid tot leerlingen van Jezus. Na deze openbaring volgt het voortgezet onderwijs, zoals er staat: ‘Leert hen onderhouden álles wat Ik u geboden heb’. Na de melk volgt dus het vaste voedsel voor de volwassenen (Hebr.5:14).

De inhoud van dit evangelie

Het evangelie van het Koninkrijk van God wordt geïdentificeerd met de persoon van Jezus, want Hij is de wettige vertegenwoordiger van de hemelse Vader. Hij heeft de geheimen van dit Koninkrijk onthuld. Hij heeft verteld wat sinds de grondvesting van de wereld verborgen gebleven was (Matth.13:35). Nooit was een Bijbelschrijver in het oude verbond ertoe gekomen deze mysteries van de onzienlijke wereld te ontdekken. Voor hem gold: ‘Wat verborgen is, behoort de Heer, onze God, toe; wat openbaar is, komt ons toe’ (Deut.29:28). In het nieuwe verbond geldt echter: Want de Geest in ons doorzoekt alle dingen, zelfs de diepste gedachten van God (1 Cor.2:10). Niemand in het oude verbond had de Heilige Geest ontvangen en niemand van hen had ooit God gezien (Joh.7:39; 1:18). De totaal nieuwe leer die Jezus gebracht heeft, doet God werkelijk kennen. De essentie van zijn goddelijk wezen is enkel geest en leven en het evangelie van Jezus voert de mens naar de bronnen van het levende water.

Johannes had de boodschap van het hemelse Koninkrijk uit Jezus’ eigen mond vernomen, want hij schreef: ‘Dit is wat wij hem hebben horen zeggen en wat we u zeggen: God is licht, er is in Hem geen spoor van duisternis’ (1 Joh.1:5). Wat een fantastische ontdekking voor iemand die in het oude verbond was opgevoed, maar ook voor de christen die nog een oudtestamentisch godsbeeld heeft. Licht is beeld van het leven. Jezus sprak over de opdracht die Hij van de Vader had, dat zijn gebod eeuwig leven is. Dit eeuwige leven wordt onderhouden en gevoed door ‘het eeuwige evangelie’. Dit maakt de mens tot ‘mede-eigenaar van de hemelse roeping’ en tot ‘mede-eigenaar van het Koninkrijk van God (Hebr.3:1; Openb.1:9; 14:6). De vreugdebode brengt geen God als verwekker van ellende, rampen, onheil en ziekten, maar hij spreekt over de onderwerping van het rijk van de duisternis, zelfs van een overwinning op de dood, want wie Christus’ woorden ter harte neemt, zal nooit de dood zien (Joh.8:51).

Als dit evangelie in hem volledig zijn doel bereikt, zal hij zelfs niet meer sterven, maar in een kort ogenblik worden veranderd (1 Thess.4:15-17). Het evangelie van het Koninkrijk leert de Vader en de Zoon kennen, die beiden in de onzienlijke wereld zijn. Het toont de kracht en de hulp van Gods Heilige Geest. Het doet ons omgaan met de heilige engelen, die allen uitgezonden zijn in dienst van hen, die het geluk zullen erven (Hebr.1:14). Het maakt ons ook bekend met de machten, krachten, de geestelijke wereldleiders van deze duisternis en de boze geesten in de hemelse gewesten tegen wie wij de strijd hebben te voeren (Ef.6:12). Met dit evangelie zullen wij zelfs nu al engelen oordelen, dat is scheiding maken tussen de goede en de kwade geesten (1 Cor.6:3).

Een getuigenis voor alle volken

Op de vraag van de leerlingen wat het teken zou zijn van de komst van de Heer en van de voltooiing van deze wereld, is het antwoord dat dit evangelie van het Koninkrijk verteld zal worden door hen, die getuigen van wat ze gezien en gehoord hebben, wat zij met eigen ogen gezien hebben en hun handen gevoeld hebben van het Levende Woord (1 Joh.1:1). Deze ontplooiing en volwassenheid van de ware gemeente is het grote teken in de onzienlijke wereld: ‘Een vrouw, bekleed met de zon, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd’ (Op.12:1). De wereld zal in deze getuigen zien dat God de zon van gerechtigheid is, dat Jezus de afstraling is van zijn heerlijkheid, zoals de maan dit is van de zon. Ook zullen alle volken de zonen van God zien, die de zuchtende schepping bevrijden. Ze zijn als de twaalf apostelen die het hemelse licht in ongekende helderheid deden stralen. In hen is het woord vlees geworden. Zij getuigen: ‘Wij zijn uit God; wie God kent, hoort naar ons’ (1 Joh.4:6). Deze brengers van het eeuwig evangelie hebben het klimaat van het Koninkrijk van God in zich en dit wordt dan ook door de hoorders zo ervaren. Het evangelie óver Jezus is al op grote schaal over de wereld verkondigd. Dit is goed, maar het moet nog wel gevolgd worden door het evangelie ván Jezus of door het eeuwige evangelie. Alleen het evangelie van het Koninkrijk neemt iedere bedekking weg. Dan wordt Jezus echt het licht van de wereld en worden wij zonen van het licht genoemd.

Het is de duivel de eeuwen door gelukt veel christenen de grootse en heerlijke beloften van de komende tijd af te pakken. De ‘vervangingsleer’ beweert immers dat de gemeente elk moment kan worden weggenomen en dan op aarde zou vervangen worden door het natuurlijke Israël. Dit volk zou dan in de tijd van de antichrist op mysterieuze wijze tot bekering komen, hoewel er dan geen boodschappers van de goede boodschap meer zijn. Israël zou dan de taak van de gemeente overnemen en haar dus vervangen. De apostel schrijft echter in Romeinen 11:25 en 26 dat Israël behouden wordt, wanneer de volkomenheid van de heidenen het Koninkrijk van God zal binnentreden. Het natuurlijk Israël zal dan door het geestelijk Israël tot jaloersheid of na-ijver worden gebracht (Rom.10:19, 11:11,14). Zo, op deze manier, zal het Israël naar het vlees bij het geestelijk Israël gevoegd worden. Er komt dan één kudde en één Herder. Heidenen en joden zijn dan allen op de ene ware, geestelijke olijfboom geënt. Met elkaar vormen zij het volk van het nieuwe verbond.

Het einde

Gods Geest is aan het werk tot aan het einde van de aarde. Daarom is het noodzakelijk dat ook het evangelie van het Koninkrijk wereldwijd wordt verbreid. Dan wordt de profetie vervuld, dat het einde gekomen zal zijn. Dan worden allen tot de zonen van God gebracht, ‘iedere ziekte en elke kwaal onder het volk en zij genezen hen’ (Matth.4:24). Tot de verste wereldeinden dringt het gerucht van het Israël van God door. Openbaring 7 spreekt in dit verband over de twaalf stammen van Israël, wat wijst op een grote verscheidenheid en veelkleurigheid. Het symbolisch getal 144.000 wijst erop dat allen de autoriteit van de apostelen bezitten. Allen hebben het zegel van de levende God aan hun voorhoofd. Ze zijn hierdoor als volk Gods eigendom. Door de kracht van de Heilige Geest zijn ze geschikt voor het koning- en priesterschap bij het verzamelen van de oogst van de aarde. Door hun prediking komen ze van noord en zuid, van west en oost, uit álle volk en stammen en natiën en talen’.

Verbaas u niet: onder hen zijn Russen, Mongolen, Iraniërs, Saoediërs, Albanezen. Ze komen uit alle landen. Uit alle continenten komt een grote groep mensen, die niemand tellen kan en verwonder u weer niet: onder hen zijn ook (bekeerde) Joden. Allen richten zich naar het hemelse Jeruzalem, naar de residentie van Jezus Christus, die daar zijn volk onder zijn vleugelen verzamelt. Allen wuiven met palmtakken, wat doet denken aan de intocht van onze Heer in het oude Jeruzalem. Allen zingen het grote hosanna, omdat zij op weg zijn naar de hoogste hemelen. Zij komen binnen onder ‘jubellied en zegezang’. Ze juichen: ‘Dit is de dag, die de Heer gemaakt heeft’. Wat een machtige visie gaf de Heer aan zijn gemeente!