De Mensenzoon

De Zoon van God, de Mensenzoon

Jezus zélf heeft het volle accent op zijn menselijkheid gelegd. Tientallen keren hebben de vier evangelisten Jezus’ omschrijving van zijn eigen persoon uit zijn mond opgetekend: ‘De Mensenzoon’. Hij wilde blijkbaar dat zijn volgelingen in Hem niet alleen de ‘eniggeboren Zoon’ zouden herkennen, maar bovenal in Hem een waarachtig méns zouden zien. Geen wonder dat onder de eerste christenen vooral de erkenning van Jezus’ mens-zijn als criterium voor het ware geloof gold: ‘Hieraan herkent u de Geest van God: iedere Geest die erkent dat Jezus Christus mens is geworden, komt van God’ (1 Joh.4:2). In Paulus’ dagen moet er al een geloofsbelijdenis in gebruik geweest zijn, waarin Jezus’ mens-zijn duidelijk naar voren werd gehaald: ‘En groot is ongetwijfeld het geheim van onze godsdienst: Hij is geopenbaard in het vlees, gerechtvaardigd in de Geest, verschenen aan de engelen, verkondigd onder de volken, geloofd in de wereld, opgenomen in heerlijkheid’ (1 Tim.3:16).

Een volkomen mens

Was Jezus nu werkelijk mens, in de volle zin van het woord? De Bijbel laat er geen twijfel over bestaan: ‘Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn Zoon gezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet’ (Gal.4:4). In Jezus heeft God zich volledig met het mensdom geïdentificeerd: ‘Want Hij die heiligt en zij die geheiligd worden hebben allen één Oorsprong; daarom schrikt Hij er ook niet voor terug om hen zijn broers te noemen. ‘Omdat ‘de kinderen’ mensen zijn van vlees en bloed, heeft Hij ons bestaan willen delen.’ ‘Vandaar dat Hij in alles aan zijn broers gelijk moest worden’ (Hebr.2:11,14,17). Het feit dat Jezus waarachtig mens was, bewijst dat God de mens hoog heeft staan – Hij heeft grootse dingen met hem voor: ‘Want God heeft niet aan engelen de heerschappij gegeven over de toekomstige wereld, waarover wij spreken. Veeleer heeft iemand ergens verklaard: Wat is de mens, dat U hem gedenkt, en het mensenkind, dat U voor hem zorgt? U hebt hem voor korte tijd beneden de engelen gesteld, U hebt hem met luister en eer gekroond, alles hebt U aan zijn macht onderworpen’ (Hebr.2:5-8).

Als vertegenwoordiger van het mensenras was Jezus de eerste die in het volle bezit kwam van de heerschappij die God aan de mensheid wou geven: ‘Nu zien we nog niet dat alles aan Hem is onderworpen. Maar wel zien we hoe Jezus met luister en eer gekroond is’ (Hebr.2:8,9). Ondanks de zondeval liet God zijn voornemens met de mens nooit los. Waar Adam als vertegenwoordiger van het mensenras faalde, zou Jezus zijn ‘broers en zusters’ – diegenen onder de mensen die hem door het geloof na willen staan – tot heerlijkheid leiden: ‘Het was passend dat God, einde en oorsprong van alles, als Hij veel kinderen de heerlijkheid wilde binnenleiden, ook de Leider van hun redding door lijden tot de voleinding bracht. Want Hij die heiligt en zij die geheiligd worden hebben allen één Oorsprong; daarom schrikt Hij er ook niet voor terug om hen zijn broers te noemen’ (Hebr.2:10,11). Jezus’ mens-zijn heeft een diepe betekenis voor hen die bij Hem horen. Helaas, de meeste naamchristenen erkennen Jezus als zodanig wel in theorie maar weten er in de praktijk van hun geloofsleven weinig raad mee. Een Bijbelse kijk op Jezus’ menselijkheid is voor een geestelijk leven dat zich volledig wil ontplooien echter onontbeerlijk.

Verlossing en onttroning

Het was de mens Jezus Christus die met zijn leven de losprijs tot vrijkoping van het mensenras betaalde: ‘Want God is één; één is ook de middelaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jezus. Hij heeft zichzelf gegeven als losprijs voor allen’ (1 Tim.2:5,6). Het was als mens dat Jezus Christus satans macht over de dood brak en een eind maakte aan de verlammende angst voor de dood waarmee deze de mensheid overheerst: ‘Omdat ‘de kinderen’ mensen zijn van vlees en bloed, heeft Hij ons bestaan willen delen, om door zijn dood de vorst van de dood, de duivel, te onttronen en hen te bevrijden die door de vrees voor de dood heel hun leven aan slavernij onderworpen waren’ (Hebr.2:14,15). De overwinning die de Heer als vertegenwoordiger van het mensenras over de vijand behaalde, mag zich ook in het leven van Gods kinderen uitwerken – hier en nu: ‘Maar de genade laat zich niet afmeten aan de misstap van Adam. De fout van één mens bracht allen de dood, maar aan allen schonk Gods genade een rijke vergoeding door de grote gave van zijn genade, de ene mens Jezus Christus’ (Rom.5:15). ‘Door de overtreding van één mens begon de dood te heersen, als gevolg van zijn val. Hoeveel heerlijker zullen zij die de overvloed van de genade en de gave van de gerechtigheid ontvangen, leven en heersen, dankzij de ene mens Jezus Christus’ (Rom.5:17).

Het gebruik van zijn naam

Waar Gods kinderen delen in de overwinning van de ‘ene mens Jezus Christus’, mogen zij vrijmoedig de naam gebruiken die Hem als beloning voor zijn gehoorzaamheid als mens werd toevertrouwd: ‘Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd; Hij werd gehoorzaam tot de dood, de dood aan het kruis. Daarom ook heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen staat, zodat in de Naam van Jezus iedere knie zich zou buigen, in de hemel, op aarde en onder de aarde en iedere tong zou belijden tot eer van God, de Vader: Jezus Christus is Heer!’ (Fil.2:8-11). Jezus is niets menselijks vreemd. Hij weet wat het is om verzocht te worden. Vandaar dat Hij ons hierin bij kan staan: ‘Vandaar dat Hij in alles aan zijn broers gelijk moest worden, om een barmhartig en trouw Hogepriester te worden bij God en de zonden van het volk uit te boeten.

Omdat Hij zelf de proef van het lijden doorstaan heeft, kan Hij allen helpen die beproefd worden’ (Hebr.2:17,18). ‘Want wij hebben een hogepriester die in staat is om mee te voelen met onze zwakheden; Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde’ (Hebr.4:15). Door als waarachtig mens te leven, heeft Jezus bewezen dat het mogelijk is een heilig leven te leiden: ‘Wat de wet niet vermocht, machteloos als ze was door ons zondige bestaan, dat heeft God bewerkt: wegens de zonde heeft Hij zijn Zoon gezonden in datzelfde zondige bestaan en heeft Hij in dat bestaan zelf de zonde gevonnist. Zo moest de eis van de wet vervuld worden door ons die geen zondig leven meer leiden, maar leven volgens de Geest’ (Rom.8:3,4).

Waar Jezus ‘op dezelfde manier aan vlees en bloed deel gekregen heeft’, is dit de genadeslag voor het religieuze denken, waarbij de lichamelijkheid van de mens als iets verachtelijks wordt beschouwd. Vandaar dat Paulus schrijven kon: ‘Wees op uw hoede, let erop dat niemand van u zich laat meeslepen door waardeloze, bedrieglijke theorieën, die steunen op menselijke tradities, op de machten van de kosmos, maar niet op Christus. Want in Christus woont lijfelijk de godheid in heel haar volheid’ (Col.2:8,9). Er zou kunnen staan: ‘Christus, in wie alles wat maar goddelijk is in een menselijk lichaam werd geopenbaard’. Vandaar dat er in het christendom geen plaats is voor valse ascese: ‘Als u met Christus gestorven bent en bevrijd bent van de machten van de kosmos, waarom laat u zich dan verordeningen opleggen, alsof u nog in die wereld leeft? ‘Niet aanraken, niet proeven, niet vastpakken!’ Hoewel zo’n zelfgemaakte religie, met haar zelfkastijding en minachting voor het lichaam, voor wijsheid moet doorgaan, is zij van geen enkele waarde, omdat zij alleen gericht is op bevrediging van het vlees’ (Col.2:20-23).

Jezus’ mens-zijn bewijst dat God grote waarde hecht aan onze lichamelijkheid. Ons lichaam is er voor de Heer: ‘Het lichaam is er echter niet voor de ontucht, maar voor de Heer en de Heer voor het lichaam. God heeft niet alleen de Heer opgewekt, Hij zal ook ons laten opstaan door zijn kracht. U weet toch dat uw lichamen lichaamsdelen zijn van Christus? Dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u woont. Eer God dus met uw lichaam’ (1 Cor.6:13-15,19,20). Jezus werd lichamelijk opgewekt. Hij toonde zijn volgelingen zijn verheerlijkt lichaam en nodigde hen uit Hem te betasten: ‘Bekijk mijn handen en mijn voeten maar, Ik ben het zelf. Betast Me en je zult het zien. Een geest heeft immers vlees noch been, zoals jullie zien dat Ik heb’ (Luc.24:39). Jezus’ opstanding garandeert ook óns een verheerlijkt lichaam:

  • ‘Christus is opgestaan uit de doden, als eersteling van hen die ontslapen zijn. Want omdat de dood er is door een mens, is de opstanding van de doden er ook door een mens. Zoals allen sterven in Adam, zullen ook allen in Christus herleven’ (1 Cor.15:20-22). ‘En het is ook uw roeping, want Christus heeft voor u geleden en u een voorbeeld nagelaten; u moet in zijn voetstappen treden’ (1 Petr.2:21). ‘Omdat wij in deze wereld leven zoals Jezus’ (1 Joh.4:17).