3. De leer van de genoegdoening tegenover de losprijs aan satan

<<<<<

De transactieleer werd meer dan duizend jaar door het oorspronkelijke christendom beleden. Pas toen het grote verval intrad, kreeg men de zogenaamde genoegdoening leer…”. In zijn ‘Systematic Theology’ schreef de gereformeerde theoloog dr. Louis Berkhof over de ‘losprijs aan satan’:

  • Deze is gebaseerd op het eenvoudige begrip, dat de dood van Christus een losprijs aan de satan inhield, om de claim weg te nemen die hij op de mens had. Origenes was de voornaamste verdediger van deze theorie. Hij leerde dat de satan bedrogen uitkwam, omdat hij niet in de tegenwoordigheid van de heilige Christus kon verblijven en niet in staat was zijn greep op Hem te bestendigen. Deze theorie vond bijval bij veel kerkvaders, hoewel deze niet altijd (net als wij) dezelfde bewoordingen gebruikten. Deze leer bleek zo ingeburgerd te zijn, dat ze tot in de dagen van Anselmus werd gebracht. Daarna werd ze ongepast gevonden en verdween langzamerhand, omdat ze geen steun vond bij de intellectuelen. Mackintosh noemt deze leer de populaire theorie van de vroege kerk’.

Origenes, Anselmus, Mackintosh en Rome

De op deze site gedane uiteenzettingen over de verzoening komen overeen met de gedachtegang van de eerste christenen. De Christelijke Encyclopedie schrijft onder het trefwoord ‘genoegdoening’:

  • ‘Of kunnen we zinvol de vraag stellen, aan wie Christus betaald heeft: aan de duivel (zo heeft de oudste christenheid vooral gemeend) of aan God (Augustinus, Anselmus van Canterbury en de gereformeerde theologen)?’

In dezelfde encyclopedie staat over Anselmus van Canterbury (1033-1109):

  • ‘Hij leerde dat de zonde een aanranding is van de eer van God, dus een ware majesteitsschennis, die noodwendig straf vordert en wel de dood van de hele mensheid óf genoegdoening. Wanneer deze genoegdoening aangebracht werd, moest ze volkomen zijn en dus een oneindige waardij bezitten. Omdat God een volmaakte genoegdoening eiste en de mensheid die niet geven kon, moest God zelf, de tweede persoon in het goddelijk wezen (zie de valse drie-eenheidleer), mens worden, om door zijn verdienste de mens te verlossen. Zijn genoegdoening bestaat niet in zijn zedelijk handelen, waartoe Hij als mens net als wij allen, verplicht was, maar wel in zijn onschuldig lijden en sterven, waartoe Hij als Heilige niet verplicht was. De Vader rekent de verdiensten van Christus aan zondaars toe, die zelf tot genoegdoening onbekwaam zijn en om Jezus’ wil vergeeft Hij hun de schuld en scheldt hun de straf kwijt’.

Toch merkt deze encyclopedie op, dat de term ‘genoegdoening’ enorm veel verzet wekt: ‘Dit zou immers een Umstimmung (een verandering van Gods gezindheid) een anders-stemmen, insluiten.’ God was eerst toornig maar nu is dit voorbij, want Christus heeft ‘genoegdoening geschonken’. God is echter nooit ‘object’, maar altijd ‘subject’ en zulk een ‘Umstimmung’ is ondenkbaar. Vandaar de vraag van deze encyclopedie: ‘Hoe moeten we ons alles concreet voorstellen? Valt er hier iets voor te stellen?’ Hoe verder men zich verwijdert van de leer van de eerste christenen, hoe verder men ook van de waarheid afraakt. Dit is zeker, dat de vroege christenen met Gods Geest waren gedoopt en zij nog inzicht hadden in het Koninkrijk van de hemelen. Zij hanteerden de sleutels van de kennis van dit evangelie.

Anselmus leefde in een tijd van groot verval. Hij voelde zich aangetrokken tot het kloosterleven en hij was het, die het huwelijk van de priesters verbood. De vreemde uitleg dat de christen bij het zich toe-eigenen van de schat in de akker ‘kosten noch moeite mag sparen en zich elk offer moet getroosten, zelfs dat van zijn leven’, is ontstaan bij de Franciscaner monniken, die de gelofte afgelegd hadden van armoede en onthouding. Deze exegese werd door bepaalde protestanten en ook wel pinkstermensen nagepraat en overgenomen, maar zelden of nooit toegepast. Deze verklaring heeft te maken met aardse zaken en niet met het Koninkrijk van de hemelen. Niemand kan de redding en verlossing kopen, want dit wordt uit genade geschonken. Geestelijke goederen krijgt men niet door het zichtbare als ruil aan te bieden. Wat zou trouwens de mens geven in ruil voor zijn leven (Mattheüs 16:26)? De verloren zoon had niets aan zijn vader te bieden en niets te verkopen. Evenmin als Saulus op de weg naar Damascus.

Men beroept zich weleens op Paulus, die in Filippenzen 3:7,8 schrijft:

  • ‘Maar wat voor mij winst was, ben ik vanwege Christus als verlies gaan beschouwen. Sterker nog, alles beschouw ik als verlies. Het kennen van Christus Jezus, mijn Heer, overtreft immers alles. Vanwege hem heb ik alles prijsgegeven; ik heb alles als afval weggegooid’.

Maar de apostel werd een kind van God op de weg naar Damascus en zegt:

  • ‘dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om zondaren te redden; ik was de eerste en juist over mij heeft Christus zich ontfermd’ (1 Tim.1:12-16).

Er staat wel ‘vanwege hem heb ik ‘alles’ prijsgegeven’. Men moet ‘alles’ niet weglaten, want dit ziet op zijn vertrouwen, afkomst, besnijdenis en zijn gerechtigheid die hij meende te bezitten door de wettische inzettingen van de voorvaders fanatiek te onderhouden. Al deze zaken waren blokkades voor hem om verder op de weg van het redding te wandelen.

Vrijgekocht van de wet?

Sommigen leren dat Christus de mens vrijkocht van de wet. Zij beroepen zich op Galaten 4:4 waar staat: ‘onderworpen aan de wet, maar gezonden om ons vrij te kopen van de wet’. Men wordt niet van de goddelijke wet vrijgekocht, want deze wordt juist door Gods Geest in het hart geschreven. Zij die echter onder de wet van Mozes waren, die de arme en zwakke wereldgeesten gebruiken moesten, werden vrijgekocht van de claim van de satan. Ditzelfde gebeurde trouwens ook met hen die niet onder de wet van Mozes waren, want de losprijs betrof alle zondaars (1 Tim.2:6). Christus heeft ook niet de wet van God aan het kruis genageld, want deze heeft Hij juist vervuld en haar eis wordt ook in ieder mens vervuld, die naar de Geest leeft (Rom.8:3). In Colossenzen 2 schrijft de apostel echter over de dwaasheid van de menselijke verboden. Het oude verbond werd op het kruis voor verouderd en verjaard verklaard en de wet van de schaduwen en van de verboden werd daar buiten werking gesteld.

Vergeving en rechtseis

De genoegdoeningsleer gaat van het standpunt uit: ‘voor wat, hoort wat’. Daarom wordt die leer in de theologie aangeduid als ‘commerciële theorie’. Dit houdt toch ook een transactie in! Men stelt het zo voor dat de toorn van God, die werd opgewekt door de vele overtredingen van zijn wet, alleen kon worden gestild door het bloed van zijn Zoon. God wilde dus bloed zien als genoegdoening.

Om een voorbeeld te geven: een vader heeft vier zonen. De oudste zoon is volmaakt gehoorzaam, maar de drie anderen zijn echte kwajongens. De oudste zoon wordt nu gebruikt om voor elkaar te krijgen dat zijn broers veranderen en hun schuld bij hun vader belijden. Deze vader is hier wel blij mee, maar zegt toch: luister, die jongens hebben mij zolang getreiterd, dat ik mijn rechtmatige wraak op hen wil nemen. Ze zullen ervoor boeten. De oudste zoon stelt dan maar voor dat zijn vader hem straft in de plaats van zijn broers. De vader was jarenlang beledigd, zijn gezag was jarenlang ondermijnd. Er moest daarom een straf volgen en deze kwam op de oudste zoon terecht. Op deze manier zou de hiërarchie hersteld zijn. Straf en pijn konden dit in orde maken. Een kind dat iets kwaads had gedaan, zegt: sla mij maar, ik heb het verdiend. Het goedmaken gaat echter door belijdenis van schuld, door liefde en door vergeven!

In 1 Johannes 1:9 staat, dat God trouw is aan zijn schepping die Hij niet prijsgeeft en ook rechtvaardig is, wanneer Hij de beleden zonden vergeeft. Hij is immers onaantastbaar voor het kwaad, wordt er niet door gekwetst, maar staat er volledig boven. Met straffen zou God alleen maar de ellende vermeerderen. Zijn enige doel is het behoud en de verlossing van de mens. God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis. Hoe zou Hij dan straffen kunnen bedenken? De Heer zei: ‘Als u iemands zonden vergeeft, dan zijn ze vergeven’ (Joh.20:23). Bij vergeving hoort geen straf. Vergeving betekent: kwijtschelden, niet toerekenen, geen compensatie of genoegdoening eisen. Paulus schreef:

  • ‘Wees goed voor elkaar en vol medeleven; vergeef elkaar zoals God u in Christus vergeven heeft’ (Ef.4:32).
  • Er staat: ‘Laat de goddeloze zijn slechte weg verlaten, laat de onrechtvaardige zijn snode plannen herzien. Laat hij terugkeren naar de Heer, die zich over hem zal ontfermen; laat hij terugkeren naar onze God, die hem dan ruimhartig zal vergeven’ (Jes.55:7).

De profeet voegde er nog onmiddellijk aan toe dat God anders denkt dan de aanhangers van de genoegdoening leer:

  • ‘Mijn plannen zijn niet jullie plannen en jullie wegen zijn niet mijn wegen – zegt de Heer. Want zo hoog als de hemel is boven de aarde, zo ver gaan mijn wegen jullie wegen te boven, en mijn plannen jullie plannen!’

De verloren zoon

De verloren zoon beleed:

  • ‘Ik zal naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: ‘Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden’ (Lucas 15:18).

Deze vader zegt dan niet: ‘ja jongen, dat is allemaal mooi en best, ik zal je wel vergeven, maar tot straf moet je een tijd lang het minste en vuilste werk doen. Je vraagt er toch zelf om als knecht te worden behandeld.’ De vader die Jezus aan de mensen beschreef, was echter met ontferming bewogen. Zijn jongen kreeg nieuwe kleren en schoenen en een kostbare ring aan de hand.

Verder was er geen sprake van een verootmoedigingssamenkomst, waar boete werd gedaan, maar wel van een geweldig feest met muziek en zelfs dans dat ter ere van de teruggekeerde zondaar werd gegeven! Als een kind door een slecht persoon verleid wordt en vrijwillig met hem meegaat, dus in zijn bezit komt, is het ouderlijk rechtsgevoel gekwetst. Een ander gaat er immers met zijn kind vandoor. Hij misbruikt zijn kind. Het rechtsgevoel eist dat de ander van zijn kind moet afblijven. Denk eens aan ouders die hun aan drugsverslaafde kinderen willen terughalen uit de duistere omgeving waarin zij zitten. Wanneer zo’n kind dan mee naar huis gaat, wordt er feest gevierd, want dan is de basis gelegd voor bevrijding.

De onmacht en rampen van de ‘genoegdoening leer’

Het is duidelijk dat de leer van de genoegdoening de duivel buiten spel zet. Deze probeert altijd buiten schot te blijven en de mens als schuldige voor te stellen, zo zelfs dat hij beweert dat wij allen in zonde ontvangen en geboren zijn. Wie nog over de duivel spreekt, zou middeleeuws denken en hoort zeker niet bij de intellectuelen, die de transactieleer verwerpen.

Wat heeft de genoegdoening leer voor praktisch gevolg? Wanneer men in de gemeente in een strijd is gewikkeld om een kind of een echtgenoot of om zichzelf, zegt men: duivel, je hebt geen recht op hen of ons. De mens is immers gekocht door het bloed van het Lam van God. De slavenhouder is zijn claim kwijt. In zo’n worsteling bidt men: ‘Doe mij recht, Heer, tegenover mijn tegenpartij’.

Een rampzalig leer!

In de leer van de genoegdoening is er geen ruimte voor bevrijding uit het bezit en de macht van de duisternis. Wanneer men zegt: ‘Satan, je hebt geen recht op mij’, luidt zijn antwoord op grond van de leer van de genoegdoening:

“Waarom niet? Ik stond immers buiten het lijden en sterven van Christus. Dat was een commerciële handeling tussen de Zoon en de Vader. Deze eiste een bloedig offer om zijn toorn te stillen. Ik heb daar verder niets mee te maken. Mijn slaven zijn niet vrijgekocht..!”

Toen God de mens vrijkocht met het leven van zijn Zoon, was dit omdat Hij het bezit van de Satan respecteerde. Hij hield Zich streng aan zijn eigen wet: ‘jij zult niet stelen.’ Hij pleegt nooit geweld, maar door de transactie met de Satan werd Hij op rechtmatige wijze eigenaar van de wereld:

‘Ja, zijn liefde zocht ons en zijn bloed dat kocht ons. Door genade ben ik een kind van God, want God is enkel goed!

***********

 

Gerelateerd: