In Mattheüs 10:28 zegt Jezus: ‘Wees niet bang voor hen die wel het lichaam, maar niet de ziel kunnen doden. Wees liever bang voor hem die in staat is èn ziel èn lichaam om te laten komen in de hel’. God is niet de vernietigende macht, maar de duivel. Deze had de macht over de dood, maar Jezus heeft hem onttroond, zodat Hij allen zou bevrijden die tot slavernij waren veroordeeld (Hebr.2:14,15). Het gaat hier dus over een bevrijdingsproces van kinderen van God. Zij hebben deel aan de opstanding (Op.20:5,6). Dit proces begint bij de nieuwe geboorte en eindigt bij de opstanding van de doden.
Wat de Heer zijn leerlingen voorhield, gold in de eerste plaats Hemzelf. In de hof van Gethsémane kreeg Jezus te maken met een grote angst, niet om wat de mensen Hem zouden aandoen, maar Hij wist Zich van God verlaten. Hij werd belaagd door demonenlegers die ook zijn ziel wilden doden en vernietigen. Het was het uur van de duisternis. Op het kruis werd Hij omringd door stieren en buffels van Basan. Hij zag hoe een verscheurende en brullende leeuw op Hem aanstormde. Talrijke honden omringden Hem (Psalm 22:13-17). Al deze dieren waren het beeld van demonen. Jezus was de losprijs. Hij gaf zich vrijwillig aan zijn Vader om de mensheid vrij te kopen; daarom stormde Satans demonen op Hem aan om ook zijn innerlijke mens tot hun prooi te maken:
- ‘Want God had de wereld lief door zijn enige Zoon, Die zijn leven vrijwillig heeft gegeven zodat ieder die in de Zoon gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft’ (Johannes 3:16).
Het grote reddingsplan ging van God uit. Hij stelde de satan voor om zijn gave en heilige Zoon in te ruilen voor een beschadigde mensheid die met schuld was beladen. Hij zei tot de satan, net zoals Hij dit eenmaal bij het lijden van de rechtvaardige Job gezegd had: ‘Goed, doe met hem wat je wilt’ (Job 2:6). Als bezitter kon immers de eigenaar van de wereld zeggen: ‘Ik geef het aan wie ik wil’ (Lucas 4:6). God geloofde dat de mens zo goed was geschapen, dat altijd herstel mogelijk was. Daarom kocht Hij de geschonden wereld terug. De duivel geloofde niet in het herstel van de mens en daarom was deze transactie tegelijkertijd een geloofsstrijd tussen God en de duivel. Jezus bezat het geloof van God, want:
- ‘Denkend aan de blijdschap die voor hem weggelegd was, liet hij zich niet afschrikken door de schande van het kruis’ (Hebr.12:2).
In zijn blijdschap erover kocht Hij de akker.
Jezus was tijdens het uur van de duisternis aan de satan overgeleverd en deze probeerde Hem naar lichaam én ziel te doden. Petrus schreef dat Jezus ‘onze zonden in zijn lichaam op het kruishout heeft gedragen’ en ‘dat Hij werd gedood naar het lichaam’ (1 Petrus 2:24 en 3:18). Zijn ziel bleef echter ongeschonden. De duivel kreeg geen greep op zijn innerlijke mens. Hij probeerde Jezus ongehoorzaam te maken aan de wil van de Vader, toen de door Hem geïnspireerde voorbijgangers spottend zeiden: ‘Red jezelf dan maar en kom van dat kruis af!’ (Matth.27:40).
Jezus was dus wel in de macht van de vijand, maar deze kon Hem niet doen zondigen. Daarom werd Jezus in zijn bitter lijden geen slaaf, want alleen wie de zonde doet, is een slaaf van de satan. Zelfs aan het kruis heeft de Heer geen zonde gekend of gedaan en was er geen bedrog in zijn mond. Toen Jezus stierf en zijn lichaam in het graf gelegd werd, kon Hij naar zijn innerlijke mens als overwinnaar in het dodenrijk neerdalen. Bij zijn sterven riep Hij uit: ‘Het is volbracht!’ Zijn taak als Lam van God was toen afgelopen en de geest van Jezus, die zijn lichaam verliet, werd weer opnieuw verbonden met Gods Geest die Hem verlaten had. Hij werd ‘tot leven gewekt naar de geest’ (1 Petrus 3:18). Zijn geest kwam in Gods handen, die het beeld vormen van Gods Geest. Jezus kwam niet als slaaf uit het dodenrijk, maar als de grote overwinnaar. Hij was wel overgeleverd aan de machten van de duisternis, maar Hij was nooit hun slaaf.
Heeft Jezus zijn offer aan God gebracht?
- ‘Geen van de machthebbers van deze wereld heeft die wijsheid gekend; zouden ze haar wel hebben gekend, dan zouden ze de Heer die deelt in Gods luister niet hebben gekruisigd’ (1 Cor.2:8).
In Hebreeën 9:14 staat dat Christus ‘zichzelf heeft kunnen opdragen als offer zonder smet’. Uit het verband blijkt dat Christus als hogepriester met zijn eigen bloed het heiligdom inging (vers 12). Toen Hij voor God verscheen, had Jezus zijn offer al gebracht! Zo slachtte de aardse hogepriester het offer niet in het allerheiligste, maar het werd in de binnenste voorhof geslacht. Jezus bracht dus zijn ‘volbrachte’ offer tot de Vader. Het hier gebruikte werkwoord betekent toedragen, brengen naar of aan (Volgens de Sprachliche Schlüssel: darbringen). Jezus ging het hemelse heiligdom binnen om te laten zien, dat de geroepen heiligen de belofte van de eeuwige erfenis in ontvangst konden nemen. Zij hadden er recht op (vers 15).
De verzegelde boekrol geopend
Jezus maakte in de hemel melding van de dood van de erflater. Toen kon het testament in werking treden. Er staat in vers 16: ‘Want waar een testament is, moet noodzakelijk van de dood van de erflater melding gemaakt worden’. Het Lam stond na zijn overwinning voor God als geslacht en toen kon de boekrol, het herstelplan van God, worden geopend (Op.5:5-7)! Aan het kruis was Jezus tot een vervloeking geworden, dit wil zeggen dat Hij daar ‘ver van de Heer en van zijn kracht en majesteit was’ (2 Thess.1:9). Aan het kruis was Hij ook als tweede Adam ‘in ballingschap’.
De losprijs aan de satan betaald – De kostbare parel
Nadat Jezus de losprijs betaald had, riep Hij uit: ‘Het is volbracht!’ Als overwinnaar ging Hij toen het dodenrijk in en stond op de derde dag op uit de doden en daarna voer Hij naar de hemel. Toen ging Hij als hogepriester het hemelse heiligdom binnen met zijn eigen bloed. God voorzag zichzelf van een offerlam (zie ook de schaduw in Genesis 22:8). De Satan aanvaardde dit offer, omdat hij niet geloofde dat God al die verbrande stenen tot leven zou kunnen wekken (Neh.4:2). Hij wisselde veel vuile centen in tegen de waardevolle gouden munt, veel minderwaardige parels tegen de parel van grote waarde. In 2 Corinthiërs 5:19 staat dat God ‘door Christus de wereld met zich heeft verzoend: hij heeft de wereld haar overtredingen niet aangerekend. En ons heeft hij het evangelie van de verzoening toevertrouwd’.
Van Gods kant is er alleen genade. Hij kocht de vijandige wereld vrij door het bloed van zijn Zoon en zo verzoende Hij haar met zichzelf. God vroeg geen offer, Hij rekende de overtredingen zelfs niet toe. Het woord verzoening ziet hier op het herstel van de verstoorde verhouding. Van Gods kant werd geen offer gevraagd, want Hij vergaf de schuld en rekende de mens niets toe. Deze was voor Hem niet toerekeningsvatbaar zoals dit bij een kind ook het geval is. Dit leeft immers in de tijd van de onwetendheid, zoals zoveel mensen die het evangelie van Jezus Christus nooit gehoord hebben.
- ‘God slaat echter geen acht op de tijd waarin men Hem niet kende, maar roept nu overal de mensen op om een nieuw leven te beginnen’, dat is: zich bekeren en tot God terugkeren (Hand.17:30).
- Jezus bad voor zijn moordenaars: ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen’ (Lucas 23:34).
- Paulus schreef: ‘Toch heeft hij zich over mij ontfermd, omdat ik door mijn ongeloof, mijn onwetendheid niet wist wat ik deed, onze Heer heeft mij zijn genade in overvloed gegeven’ (1 Tim.1:13,14).
God vraagt geen bloed, want Hij is enkel goed. De bloedige offers die in het oude verbond gebracht werden en aan het vuur ten prooi vielen, waren alle schaduwen of beelden van het offer van Christus. In Hebreeën 10:19,20 staat:
- ‘Broers en zusters, dankzij het bloed van Jezus kunnen we zonder schaamte binnengaan in het heiligdom, omdat hij voor ons met zijn lichaam een weg naar een nieuw leven gebaand heeft, door het voorhangsel heen’.
‘Deze weg heet de heilige weg en geen onreine zal erop wandelen’ (Jes.35:8). Wanneer mensen met het rijk van de duisternis verbonden zijn, kunnen zij niet ingaan, want:
- ‘hoe zullen wij dan aan die straf ontkomen wanneer we geen acht slaan op de zoveel meer omvattende redding die begonnen is met de woorden van de Heer en die voor ons bevestigd werd door hen die deze woorden hebben gehoord?’ (Hebr.2:3).
Op deze weg kan men het zich niet permitteren te zondigen, ‘want wie de naam van de Heer aanroept, zal breken met de ongerechtigheid’ (2 Tim.2:19). Wie willens en wetens zondigt, heeft de duisternis liever dan het licht. Wie deel heeft gehad aan Gods Geest en aan zijn gaven en het goede woord van God en de krachten van de toekomende eeuw heeft geproefd en daarna tot afvalt, dus de heilige weg verlaat, zondigt niet meer in onwetendheid. Zo’n persoon kruisigt of verwerpt wat dit betreft opnieuw de Zoon van God (Hebr.6:4-6). De weg van de verlossing is alleen voor de oprechten die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.



