Aan God of aan de satan?

De sleutels weggenomen

Dat Jezus zijn leven als losprijs aan de duivel betaalde, kunnen veel christenen maar niet aanvaarden. Men vraagt dit na bij zijn dominee, pastoor of voorganger en komt tot de ontdekking dat ook zij deze transactie niet begrijpen of willen begrijpen. Dit is ook niet zo verwonderlijk, want de kerkelijke leiders hebben eeuwen geleden de sleutels van het koninkrijk der hemelen, die Jezus gaf, weggegooid en er talrijke formulieren, dogma’s en leerstellingen voor in de plaats gesteld. Dat deze vele surrogaten de christen niet verheffen en hem beletten zijn positie in de hemelse gewesten in te nemen is helaas een triest gegeven. Zij houden hem op de aarde en verhinderen dat zijn gedachten worden vernieuwd door de Heilige Geest en dat hij zijn denken niet kan richten op de dingen die boven zijn, waar Christus is. Het is daarom geweldig te mogen beleven dat de Heer Jezus, ook in deze tijd, Gods Heilige Geest uitstort bij diegene die daar om bidden. De sleutels van het koninkrijk der hemelen kunnen weer gehanteerd worden en de hemel gaat open voor hen die serieus naar God zoeken.

Vergeving

Toen de mens zich in ongehoorzaamheid van God afkeerde, werd hij gehoorzaam aan de duivel en kwam er scheiding tussen God en de mens. Toen hij zondigde, ging hij tegen het bevel en de uitdrukkelijke waarschuwing van God in. Vanaf dat ogenblik werd hem door satan belet zich te verheffen in de hemelse gewesten en zijn plaats in te nemen als burger en toekomstige heerser in het hemelse Koninkrijk. Hij werd op aarde door de dood gevangen gehouden – dood in zonden en misdaden – en bij zijn sterven kwam hij in het dodenrijk, waar de laatste vijand hem niet alleen gevangen hield, maar ook inactief maakte zodat zijn innerlijk zich niet kon ontwikkelen, laat staan opstijgen. Natuurlijk was de hemelse Vader door de val van de mens in een moeilijke situatie gekomen, want het stond ver van Hem af om zijn oorspronkelijk scheppingsplan los te laten.

God had de wereld die Hij zelf zeer goed geschapen had, lief. Zijn naam en zijn eer stonden op het spel, zoals dit bij een ouder het geval is, wanneer zijn kind door verkeerde daden zijn naam en zijn eer aantast en hem in moeilijkheden brengt. Vergelijk het met een kind die bij zijn vader in de schuld komt te staan. Het brengt zijn ouders verdriet, moeite en tegenslag. Let op de gelijkenis van de verloren zoon, die uitriep: ‘Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u’. De jongen voelde zich niet meer waard een zoon genoemd te worden. Hij wilde daarom zijn leven wel als een dagloner aan zijn vader toewijden. De vader aanvaardde echter deze boetedoening niet, maar vergaf zijn zoon.

Bij vergeven is geen sprake van een boete opleggen of van verzoeningsgeld vragen of een tegenprestatie eisen. Wie zijn kind vergeeft, schénkt alleen. Er wordt geen losprijs gevraagd, want de vader is alleen barmhartig, vol van liefde en vergevingsgezindheid. Zo wordt van God gesproken: ‘Hij straft ons niet naar onze zonden, hij vergeldt ons niet naar onze schuld’ (Ps.103:10). Niemand kan zeggen dat een vader onrechtvaardig is, wanneer hij zijn kind zonder meer vergeeft. Wanneer Jezus op de gezindheid van de christen wijst, zegt Hij dat hij zelfs zeventig maal zeven maal moet vergeven, hen die hem iets misdeden en daar berouw over hebben. Wanneer Jezus hier de gedachten van zijn hemelse Vader vertolkt, zou Hij dan zelf anders handelen? God vergeeft echter satan, zijn demonen en hun aardse aanbidders nooit.  

Wanneer opnieuw geboren christenen het kwaad vergeven, dat mensen tegen hen (na berouw) gedaan hebben, zijn die zonden vergeven en kan zelfs satan er niet meer mee komen aandragen en de daders ermee aanklagen. De regel is: wie u hun zonden kwijtscheldt, dan zijn die kwijtgescholden! De conclusie is dan ook: als God vergeeft, doet Hij aan zijn recht niets tekort en er staat geschreven: ‘Hij vergeeft graag!’ (Psalm 86:5). Er is vandaag veel inzicht en moed nodig om het vrome, maar bewuste kwaad te ontmaskeren. Er staat gelukkig nergens geschreven dat de goedwillende christen zelfmoord moet plegen om de satan te pleasen. Wees gewaarschuwd! 

De losprijs

In God was het verlangen en de wil om weer gemeenschap met de mens te hebben, zodat Hij deze kon omvormen tot een geestelijk wezen. Een mens die in de gestalte van God zou zijn, dit wil zeggen: geheel zou beantwoorden aan de eeuwige gedachten van de Schepper en volkomen zou zijn toegerust om aan zijn eeuwige bestemming te voldoen. In de Mensenzoon, Jezus Christus, was dit plan volkomen gerealiseerd. Deze vond het daarom geen diefstal om aan God gelijk te zijn (en niet 1/3 godheid, Joh.1:1), want Hij droeg het hele beeld van God (Fil.2:6). Hij kon al vóór zijn lijdenstijd zeggen: ‘Vader, verhef mij nu tot uw majesteit, tot de grootheid die ik bij u had voordat de wereld bestond’ (Joh.17:5). Dit betekent: geef Mij de heerlijkheid die de volmaakte mens toekomt. Het positieve antwoord is dan ook: ‘Ik heb mijn Naam in Hem verheerlijkt en Ik zal Hem nogmaals verheerlijken’. Jezus wist dat de Vader Hem alles in handen had gegeven (Joh.13:3). Hij had recht op de plaats om met de Vader op de troon te zitten.

De bedoeling van God was echter dat niet maar één mensenkind daar zou zijn, maar dat veel zonen tot heerlijkheid zouden worden gebracht. Maar al deze mensenkinderen waren als slaven onder de claim van satan, zowel degenen die hij in het dodenrijk gevangen hield, als zij die op aarde onder de bezetting van de duistere demonen leefden. De verwachting van satan was dat hij allen die nog geboren zouden worden, ook nog in zijn macht zou weten te krijgen en hen dus ook nutteloos zou maken.

Niet door geweld

Wilde de Vader met de mensheid ook verder zijn doel bereiken, dan zou Hij deze – met schuld beladen – beschadigde en onderdrukte schepsels onder het slavenjuk vandaan moeten halen. Kon God dit dan niet met geweld? Het antwoord is dat Hij rechtvaardig is en nooit geweld gebruikt om zijn doel te bereiken. God is geen rover en dief, maar is rechtvaardig en daarom kocht Hij de mens vrij. Er is sprake van een losprijs: ‘Jezus kwam om zijn leven vrijwillig te geven als losprijs voor velen (Matth.20:28) en: ‘Die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen’ (1 Tim.2:6). Een losprijs is het geld dat voor een krijgsgevangene of voor een slaaf wordt betaald. Daarnaast kan dit woord ook ‘verzoeningsgeld’ betekenen. Degene die het losgeld betaalt, geeft de slaaf of de gevangene gelegenheid om een nieuw leven te beginnen. Dr. J.F. Nielsen schrijft in zijn commentaar op Mattheüs 20:28:

  • ‘Naar onze mening is het niet juist te stellen dat Jezus zijn leven als ‘losgeld voor velen’ aan God zou hebben betaald’ (De prediking van het Nieuwe Testament, uitgave Callenbach).

Hij gaf zijn leven wel over aan God maar om dit door zijn Vader te laten gebruiken als losgeld. Dat satan onrechtvaardig en wetteloos is, mag bekend worden geacht. Hij houdt zich niet aan deze transactie, maar God wel!

Aan het kruis

Toen Jezus aan het kruis hing, was Hij nog geen overwinnaar. De engelen van satan sloegen Hem met vuisten, zoals een demon dit later in mindere mate ook Paulus zou doen. Dit houdt echter niet in dat het innerlijke wezen van de Heer beschadigd werd. Tijdens zijn leven op aarde was Hij overwinnaar. Hij heeft zijn heerlijkheid afgelegd op Golgotha en werd opnieuw verheerlijkt, toen Hij de sleutels van dood en dodenrijk in ontvangst nam en – door de Geest van God bekrachtigd – opstond en Zich verhief naar de hemelse gewesten, waar Hij Zich zette op de troon aan de rechterhand van de Vader. Toen werd waarheid: ‘Ik zal mijn Naam in Hem nogmaals verheerlijken!’

Nu zijn er veel christenen die denken: ‘De duivel accepteert niets!’ Inderdaad is het heel moeilijk om iets te bedenken dat satan zou aangrijpen om zijn prooi ervoor los te laten, die hij immers met grote zorgvuldigheid bewaakt in het dodenrijk en in zijn greep houdt en onderdrukt op aarde. Ten koste van iedere prijs wil hij immers verhinderen dat de mens de plaats zal innemen, die hij met zijn verderfengelen voor zichzelf begeert. Hij wil immers op de troon van God zitten. Zijn gedachten waren: ‘Ik wil opstijgen boven de hoogste wolken (de gemeente) en mij aan de Allerhoogste gelijkstellen’ (Jes.14:14; Ez:28). Nu zag hij dat Jezus deze hoge plaats had verworven en daardoor waren zijn plannen verijdeld. Tenzij hij de Mensenzoon óók in handen kon krijgen! Daarom wist de Vader, die Zich eerst had overtuigd dat zijn Zoon bereid was Zichzelf vrijwillig over te geven, dat satan zijn aanbod zou aannemen (Joh.2:16, 10:17,18; Marc 14:36 b). Dit aanbod ging van God uit, want Hij was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende. Een gaaf en volkomen, volwassen geestelijk mens kwam in de plaats van vele geschonden en beschadigde zondeslaven, onder de claim van satan.

Wanneer er staat: ‘De mens Christus Jezus, die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen’ betekent dit, dat Hij Zich gegeven heeft aan de Vader om door Déze als losprijs te worden gebruikt. In Romeinen 8:32 staat, dat God ‘zijn Zoon niet heeft gespaard, maar voor ons allen heeft overgegeven’. De Vader gaf dus zijn Zoon prijs aan de duivel, zoals iemand die een offer prijsgeeft aan het vuur. Het was: één voor allen! ‘Jezus heeft ons voor God gekocht met zijn bloed’ (Op.5:9). Satan hield het niet voor mogelijk dat Jezus als overwinnaar de Dood zou onttronen en de duivel de sleutels van het dodenrijk zou ontnemen: ‘En geen van de beheersers van deze eeuw heeft van haar geweten, want als zij van haar geweten hadden, zouden zij de Heer van de heerlijkheid niet gekruisigd hebben’ (1 Cor.2:8). Hierdoor verloor de satan zijn claim op de mensheid.

Verzoening

Nadat Christus zijn offer gebracht had, verzoende God Zich met de wereld die voor Hem was vrijgekocht met het bloed of het leven van zijn Zoon. Er staat: ‘dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen’ (2 Cor.5:19). Wat betekent verzoenen? Het Griekse werkwoord ‘katallassoo’ betekent ‘de prijs betalen om iets te verkrijgen’ (Ds. F.J. Pop in zijn commentaar op 2 Corinthiërs 5:18). De rooms-katholieke verklaarder dr. G. Bouwman merkt bij Efeziërs 2:16 op, dat het werkwoord ‘verzoenen’ de grondbetekenis heeft van ‘anders maken’. Het Griekse woordenboek spreekt over ‘verwisseling, ruilen, vereffening’. Inderdaad is de verhouding tussen de Vader en de mensheid, nadat Jezus Christus de losprijs betaalde, geheel anders geworden. De duivel heeft immers geen enkel recht meer op de mens, noch om hem als slaaf te gebruiken, noch om hem in zijn ontplooiing tegen te houden. De Vader heeft de mens alles vergeven en de weg geopend naar het rijk van God voor ieder die gelooft en dit ook zelf wil. De massa’s aanbidders van het kwaad vandaag laten we hier buiten beschouwing.

‘Dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende,’ betekent het volgende: de Zoon was het eigendom van de Vader en Hij werd geruild voor de wereld die aan de duivel ‘overgegeven was’. Toen werd de wereld van God en de Zoon werd overgegeven en viel in handen van de duivel. Wanneer in 2 Corinthiërs 5:20 geadviseerd wordt: ‘Laat u met God verzoenen’, wil dit zeggen: maak gebruik van deze ruil en keer terug naar de Vader, dus ‘uit de duisternis tot het licht en van de macht van de satan tot God’ (Hand.26:18). In Colossenzen 1:20 staat dat God door Christus het heelal of de schepping met Zichzelf verzoend heeft, vrede stichtend door het bloed van het kruis. ‘Alles wat op de aarde en wat in de hemelen’ was, verwisselde van bezitter. Het Nederlandse woord ‘verzoenen’ betekent: weer tot vriendschap brengen door genoegdoening te geven. Dan worden twee partijen tot elkaar gebracht. Een ‘zoen’ was de vredekus die de hereniging bezegelde. De oudere betekenis van ‘zoen’ is ‘verzoening’ of ‘zoengeld’.

De toorn van God

Soms denkt men nog: ‘Droeg Jezus de toorn van God?’ Het is daarom goed om het begrip toorn te verduidelijken. Toorn is een zich verheffen van de geest om te vergelden of om wraak te nemen. Gods toorn richt zich echter niet op mensen, maar op de boze geesten. Die zijn voor eeuwig door Hem verstoten en Hij geeft ze over aan het verderf. Wanneer nu de mens contact heeft met deze onreine demonen, komt hij door deze gemeenschap vanzelfsprekend onder de toorn van God. In 1 Thessalonicenzen 1:10 staat, dat Jezus verlost van de komende toorn. Dit wil zeggen dat Hij de goedwillende mens losmaakt (verlost) van de boze geesten en hem dus onder die toorn wegtrekt. De toorn van God zijn dus eigenlijk de boze geesten met wie God nooit enig contact opneemt en die voor het verderf zijn bestemd. Clemens van Rome schreef omstreeks 96 n.C. het volgende over de goedheid van de Schepper:

  • ‘Laten we de blik op de Vader gericht houden, de Schepper van heel de wereld en laten we vasthouden aan zijn heerlijke en alles overtreffende vredesgeschenken en weldaden. Laten we naar Hem kijken met verstand en laten we opzien met de ogen van onze ziel naar zijn grootmoedige wil. Laten we beseffen hoe Hij zonder toorn staat tegenover heel de schepping!’