Luthers toorn tegen de Joden

Er zijn twee manieren om het Joodse volk te discrimineren. In onze tijd zien wij hoe christenen, het aardse Israël nog steeds een aparte plaats geven te midden van de volken. Dit heeft tot gevolg dat ze voor de Joden als volk nog een heersersplaats op deze aarde verwachten, maar dat zal dan vooraf moeten gaan door een vreselijke weg van lijden, de zogenaamde grote verdrukking in het natuurlijke leven, waarbij van deze natie, die al zovele eeuwen vervolgd werd, slechts een kleine, natuurlijke rest zal overblijven. Aan de andere zijde zien wij in de kerk (en islam) de discriminatie van de Joden en merken wij de gedachte op, dat dit hele volk als een minderwaardig ras volkomen uitgeroeid moet worden. De gedachten van de Heer zijn echter om dit volk te laten voortbestaan tot het einde, zodat er altijd een rest in kan worden gevonden, die behouden wordt langs de geestelijke weg van Jezus Christus. In het boek van Werner Keller* over het joodse volk, vonden wij een hoofdstuk:

‘Luthers toorn tegen de Joden’

Hoe de grote reformator over de Joden dacht, blijkt uit het volgende:

‘Toen Luther zich teleurgesteld zag in zijn verwachting de Joden tot overgang te kunnen bewegen, verstomde zijn meevoelende stem, voltrok zich in hem een verandering die hem, zoals eens Mohammed, van een vereerder van het Joodse volk tot een onverzoenlijke tegenstander maakte. De welwillendheid waarmee hij hen oorspronkelijk tegemoet was getreden, maakte steeds meer plaats voor een groeiende antipathie tegen de ‘verstokten’ en weldra groeide dit gevoel tot haat uit. In het jaar 1537 zouden de Joden in Duitsland zich er plotseling van bewust worden dat zij van de hervorming voor de verbetering van hun lot niets meer hadden te hopen. Een jaar later nam Luther openlijk stelling tegen de Joden: in 1538 verscheen zijn ‘Brief tegen de sabbathouders’. Onder invloed van de bestudering van het Oude Testament dat door Luthers vertaling voor de eerste maal voor grote kringen in Duitsland toegankelijk was geworden, hadden zich onder de protestanten kleine sektarische groepen gevormd. In hun preken beriepen zij zich – zoals later ook de puriteinen – bijzonder graag op de geschriften van het Oude Testament en heiligden zij – op Joodse aansporing – soms zelfs de sabbat in plaats van de zondag. Tegen deze dwepers trok Luther in zijn geschrift van leer, maar vooral tegen de Joden. ‘Door alle duivels bezeten’ zou dit volk zijn en het laatste oordeel over de Joden zou als straf voor hun verstoktheid al zijn geveld: voor doctor Martinus (Luther) waren zij ‘Een afschrikwekkend voorbeeld van de goddelijke toorn’ en ‘verdammt’ (verdoemd).

Steeds heftiger preekte Luther in de volgende jaren van de kansel en in zijn tafelredes tegen de Joden. Steeds hartstochtelijker spreekt de toorn uit alles wat de wereld nu uit de mond van de hervormer te horen en van zijn pen te lezen krijgt. In 1543 publiceert hij ‘Van de Joden en hun leugens’. Alles wat maar aan gruwelsprookjes is verteld, dist hij op: rituele moord en vergiftiging van bronnen, toverij en hoogverraad tegen het rijk ten gunste van de Turken – en hij concludeert daaruit:

  • ‘Wat moeten wij Christenen nu doen met dit bedorven, verdoemde volk der Joden? Ik wil een goede raad geven. In de eerste plaats dat hun synagogen of scholen in brand worden gestoken.
  • Verder dat hun huizen eveneens afgebroken of vernield dienen te worden, want zij bedrijven daarin hetzelfde als in hun scholen.
  • Ten derde, dat al hun gebedenboeken en Talmoeds hun worden ontnomen, omdat daarin slechts afgoderij, leugens, vloek en lastering wordt geleerd.
  • Ten vierde, dat hun rabbijnen eens en voor altijd wordt verboden verder les te geven, dat men het vrije verkeer en het recht de straat te betreden voor hen opheft…, dat men hun verbiedt woeker te bedrijven en hun alle contante geld en gouden en zilveren kostbaarheden ontneemt; alles wat zij bezitten hebben zij van ons… door hun woeker gestolen en geroofd…’

Enkele vooraanstaande persoonlijkheden van het protestantisme waren over dit opruiende geschrift verontrust. De Zwitserse hervormer Heinrich Bullinger schreef aan de hervormer van de Elzas, Martin Butzer, dat men bij het lezen de indruk kreeg, dat dit ‘door zwijnenhoeders en niet door een beroemde zielenherder was geschreven…’ Luthers toornige geschriften vervulden de Joden met schrik. Niet voor niets schreef Jozef von Rosheim aan de magistraat van de stad Straatsburg:

‘Dat het grove, onmenselijke boek van dr. Maarten Luther dat ons arme Joden met gescheld en laster overlaadt, het volk tot gewelddaden en moord ophitste, omdat men naar Luthers woorden immers moest aannemen dat de Joden vogelvrij waren.’

Ook Philippus Melànchton scheen bezwaren te koesteren. Toch liet hij het geschrift van Luther ‘Van de Joden en hun leugens’ aan de landgraaf van Hessen wegens ‘waarlijk veel nuttigs en leerzaam’ zenden. De landgraaf vaardigde een bevel tot uitwijzing uit, net als Luthers landheer, de keurvorst van Saksen, waarbij aan iedere Jood oponthoud, ja zelfs de doortocht werd verboden. Dat waren de onmiddellijke gevolgen van de uitspraken van Luther, de verdere gevolgen duurden langer tot in de jongste tijd. ‘Zoals kerkvader Hiëronymus de katholieke wereld met zijn onverbloemd uitgesproken Jodenhaat had aangestoken’ merkt Heinrich Graetz op, ‘zo vergiftigde Luther met zijn de Joden vijandige geschriften voor lange tijd de protestantse wereld’.