Zakgeld

Op een doordeweekse ochtend, vlak voor schooltijd, komt een vijftienjarige zoon: ‘Mam, mag ‘k m’n zakgeld, ik heb ‘t nog tegoed van zaterdag’. Moeder: ‘Ik ben bang, dat je nog even moet wachten, ik heb geen kleingeld’. Dan begint hij door te duwen. Hij wil wel even zoeken of er in die andere portemonnee … hij kan wel even gaan wisselen bij de buren…

Alarm! Waarom is die jongen er zo op gebrand nu perse geld te krijgen? ‘Ben je blut?’ Zwijgen. ‘Je wilt toch niet zeggen, dat alles op is. Je had nog over van de vakantie’. ‘Ik wil m’n zakgeld’. ‘Als jij nu geen cent meer hebt, moet je iets bijzonders met je geld gedaan hebben. Zeg het maar’. De volgende minuut rolt het eruit. Gelukkig zonder gedraai. Hij rookt. Vóór schooltijd en in de pauzes rookt hij, samen met andere jongens.

Ja natuurlijk, samen. Zo begint het. Meedoen. Geen uitzondering willen zijn. Sigaret aannemen van een ander. Daarna moet je zelf ook eens delen. Z’n bescheiden zakgeld verdwijnt als sneeuw voor de zon, omdat er regelmatig sigaretten worden gekocht. En nu dus zit hij zonder geld. De jongen is opgelucht, omdat z’n moeder het nogal kalm lijkt op te vatten. Valt mee. Hij had half en half gedacht op z’n falie te krijgen. Ze zijn erg tegen roken thuis.

‘s Avonds wordt er verder gepraat. De vader zegt dat hij niet wil zeuren over een enkel sigaretje, maar dat hij wil weten of zijn zoon stevig genoeg in elkaar zit om ‘nee’ te zeggen. Dat het leven aan elkaar hangt van ja of nee zeggen. Dat het maar het gemakkelijkst is je ja en nee aan te passen aan dat van de meerderheid. Dat je daar geen mens van wordt, maar product van de massa. En de massa luistert naar wie eigenlijk? O zo. ‘Dus zoon, ik neem aan, dat jij een mens wil worden, die zijn eigen ja’s en nee’s kiest’.

De zoon zegt dat hij dat, jazeker, wil. En oké, hij gaat proberen ‘nee’ te zeggen tegen de sigaret. Want ja, hij vindt het zelf eigenlijk ook wel slap om mee te doen, terwijl hij ‘t niet eens lekker vindt en allicht, het is stom om je gezondheid te verwoesten. En, dat nee-zeggen op tijd beginnen moet, dat ziet hij ook wel. Want als je tegen een sigaret niet ‘nee’ kunt zeggen, kun je ‘t dan wel tegen drank, drugs en seks-experimenten? Oké, oké, hij gaat ‘t proberen. Een week later. ‘En?’ Zoon: ‘Ik heb gerookt, elke dag’. Vader: ‘Heb je geprobeerd ‘nee’ te zeggen?’ Zoon schokschoudert bokkig: ‘Dat kan ik toch niet’.

Hoort u dat? Wie zegt zoiets? Past dat bij een gezonde knul van vijftien? Zo’n knul, die juist nogal eens te gemakkelijk denkt dat hij dit of dat ‘wel even kan’. Hoe komt hij dan nu plotseling aan deze houding? Hoe komt hij aan deze uitspraak, aan dit fatalisme? Daar is maar een antwoord op: dat komt uit de onzichtbare wereld. En wat een geluk, dat zijn ouders daar oog voor hebben. En hun maatregelen nemen. Ook in het onzichtbare. ‘Heer, we hebben een jongen, die in zijn ontwikkeling naar een vrije en zelfstandige persoonlijkheid, gemeen wordt afgeremd… En, satan, in de naam van Jezus. laat deze jongen los!’

Bent u benieuwd hoe het is afgelopen? Even geduld a.u.b. Want de jongen rookt nog. En de ouders strijden nog. Dat weten ze allemaal van elkaar. Er wordt open over gepraat thuis. Niet zozeer over af en toe die sigaret, als wel over de vrijheid, dat een mens baas kan zijn over zijn eigen ja en zijn eigen nee.