Uit logeren

Ze is tien jaar en gaat bij een vriendinnetje logeren. Na een dag of wat belt de moeder op en vraagt: ‘Hallo, gaat het goed?’ ‘Nu wel weer mam, maar vanmorgen niet. Ik kreeg zo’n pijn in m’n buik en toen werd alles zwart voor m’n ogen. Tante Ankie heeft me op bed gelegd en toen heb ik geslapen.’ ‘Wil je dan niet liever nu naar huis komen?’ ‘Nee hoor, gewoon vanavond, dat hebben we toch afgesproken. Daaaaag mam.’

Als de telefoon is neergelegd, drenst het op de moeder aan. Wat heeft het kind? ‘Stop’, zegt ze hardop. ‘Nu geen ruimte geven aan je oude vijand, die de dingen erger wil maken dan ze zijn. Geest van hysterie, de tijd is voorbij dat jij macht over mij had met je angst en paniekklimaat, de tijd is voorbij dat ik in dat klimaat ziekten, kwalen en benauwdheden als ‘echt’ moest voelen, bedenken en meemaken. Heer, U bent er. Bij mij en bij mijn dochter. Daar ga ik op door denken.’ Zo wordt het een goede dag.

‘Pijn over, wijfje?’, vraagt de moeder als de dochter tegen de avond thuiskomt. ‘Nee mam, ‘k ben er moe van.’ Ze gaat lusteloos op de bank zitten. ‘Niks voor haar’, denkt de moeder (nieuwe talen bidden). ‘Kom, ga lekker onder de douche, knap je vast van op.’ Na het eten klaagt ze weer over pijn. ‘Het kan haar blinde darm wel zijn…’, denkt de moeder. Een buurvrouw, die verpleegster is, wordt erbij gehaald. ‘Nee hoor’, zegt zij, ‘volgens mij niet. Laat haar maar lekker slapen.’

De avond verstrijkt. Het kind ligt stil in bed, kan niet slapen, heeft pijn. ‘Dokter bellen?’, overweegt de moeder. Ze signaleert het begin van de bekende paniek. ‘Heer, U helpt mij om rustig te kunnen denken.’ Ze pakt de telefoon om te overleggen met haar man, die voor zijn werk van huis is. Helaas, man is niet te bereiken. Dan een oudste van de gemeente bellen. Niet thuis. Intussen paniekt het: Daar zit je nu alleen, in de zenuwen, het kind kan wel… (begint het invullen van wat het kind allemaal zou kunnen hebben). Andere oudste bellen. Goddank, contact, gesprek, gebed. En rust. Als ze daarna naar boven gaat, ligt het kind kalm en bijna in slaap. Er volgt een ongestoorde nachtrust.

De andere dag is de pijn er nog. Wel is de dochter vrolijker. Ze heeft een beetje verhoging. Wil graag in bed blijven, wil dat mamma voorleest en telkens een poosje bij haar zit. ‘Mam’, komt het op een gegeven moment, ‘ik vind tante Ankie wel lief hoor, maar ze is soms zo streng en ze slaat zo gauw.’ Volgen een paar voorvalletjes uit de logeerdagen. ‘s Middags komt er weer een verhaal. Nu over de vader die erg boos werd. En over het vriendinnetje dat zoveel voor haar moeder moet doen. ‘Ik snap het best mam, ik moet ook wel eens wat voor jou doen en daar zijn meer broertjes en zusjes, maar mam, je hebt daar haast geen tijd om te spelen.’

Ze eindigt met: ‘Ik wou voor Marloes niet eerder naar huis – en ik vind d’r ouders heus wel lief, maar dat ze zó doen tegen de kinderen, dat snap ik gewoon niet… ‘ ‘Nee’, denkt de moeder. ‘Jij snapt nog niet hoe het zit tussen mens en vijand-van-de­-mens. Goddank, dat ik het snap en geleerd heb die twee uit elkaar te halen. Bij mij. En bij jou. Want nu snap ik ook pas goed hoe het zit met die buikpijn van jou. Niks blinde darm. Een darm van een vijand, dat is het. En wel dezelfde die mij vanaf mijn kinderjaren op deze manier getreiterd heeft. Geest van hysterie, jij wilde dit kind innerlijk uit haar doen brengen, jij wilde dat zij in paniek zou raken (en bijvoorbeeld naar huis vluchten en nooit meer logeren), jij wil dat zij levenslang ‘vatbaar’ zou worden voor jouw soort paniek, compleet met uitwerking in het lichaam. Gaat mooi niet door. Dank Heer voor deze prachtige dochter van me. Dank dat het kind zelf weerstand heeft geboden. Dank dat onze bescherming werkt. Dank dat uw engelen een handje helpen’. Daarop drinken zij samen een glas appelsap.

‘s Avonds is alle pijn weg. Een blij, tevreden kind zegt, terwijl ze wordt ingestopt: ‘Dit vond ik een fijne dag mam. Met jou. En met Jezus.’