1. Verkering – huwelijk – seksualiteit

In deze van God losse wereld wordt de gemeente van Jezus Christus keer op keer geconfronteerd met allerlei veranderingen in de maatschappij, ook op seksueel en relationeel gebied. Iedere opnieuw geboren christen, en dus ook iedere gemeente die ernst maakt met het evangelie, zal onvermijdelijk duidelijk een Bijbelse stelling in moeten nemen m.b.t. die veranderingen. Zo ook ten opzichte van de relatie man-vrouw.

Paulus schrijft in Colossenzen 1:17: ‘Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem’. Opnieuw geboren christenen leven uit de Christus, die de Vader al vóór de grondvesting van de wereld in gedachten had. Iedere andere filosofie, religie of visie is voor hen taboe. Jezus Christus is immers de enige, die de ware God heeft geopenbaard en de waarheid bekend heeft gemaakt. Alle levenszaken van geestelijke en natuurlijke aard worden dus geleerd en onderhouden vanuit zijn evangelie, het woord van God, Gods Logos (Joh.1:1). Andersoortige informatie wijzen wij dus af. Daardoor kan van de opnieuw geboren christen terecht gezegd worden dat hij ‘geheel anders’ is (Ef.4:20). Anders dan de moraal van deze wereld, anders dan het gedrag van de wereldling. Uiteraard is dit laatste generaliserend bedoeld, want met Romeinen 2:14 en uit eigen observatie weten wij gelukkig dat er velen zijn die nog rechte wegen gaan.

Christus en de gemeente

Paulus leert ons in Efeze 5:22-33 dat het huwelijk een ware afbeelding hoort te zijn van de relatie Christus – gemeente. Hij noemt deze in vers 32 zelfs een ‘grote’ verborgenheid. Als de werkelijkheid, namelijk het één zijn van de Heer en zijn volk, zo groots is, dan ook het beeld van deze verborgenheid: het huwelijk. Beeld en werkelijkheid moeten elkaar immers altijd dekken en hebben beide hun waarde en heiligheid. Waarom is bv. de zichtbare handeling van de waterdoop een juiste dekking van de onzienlijke vreugdefeiten? Omdat de bekeerling uit liefde en geloof in God en Jezus gekozen heeft voor een leven dat volledig ‘ondergedompeld’ wil zijn in Gods wil en plan (woord). Waarom de tekens van brood en wijn bij de viering van het Avondmaal? Waarom geen chocolademelk en krentenbollen? Omdat brood en wijn de symbolen zijn van het lichaam (gemeente) van de Heer en zijn reinigend bloed. Tekens door Hem zelf ingesteld. Op deze manier bezien we ook werkelijkheid en beeld van de man/vrouw relatie. Alleen hieruit blijkt al dat het voor ons onmogelijk is met deze zaken om te gaan ànders dan het woord ons voorhoudt, wat ‘men’ om ons heen ook zegt en doet. Als men serieus gehoorzaam en zuiver wil functioneren binnen de door God bedachte eenheid ‘Christus – gemeente’, dan wil men ook diezelfde oprechtheid tonen binnen de door God bedachte eenheid ‘man-vrouw’.

De gemeente

Hieruit afgeleid stellen we dan ook dat de gemeente in praktische zin helemaal betrokken is bij wat er zich afspeelt op het terrein van relaties. Zij die verkering hebben, maar net zo goed verloofden en getrouwden kunnen niet zeggen dat deze zaken alleen privéaangelegenheden zijn. Ten eerste is in de gemeente het woord van God leidinggevend en ten tweede, in het verlengde daarvan, de oudsten in de gemeente. Dat heeft niets met bevoogding of bemoeizucht te maken, maar wel alles met de opvoeding in Christus van de gemeente. Zoals in het hele leven van de mens er een evenwicht moet zijn tussen rechten en plichten, zo ook in de omgang met God en de deelname aan een plaatselijke gemeente. Concreet gesteld: zou men wel de gemeente inschakelen voor jezelf (trouwdienst, inzegening, advies, erkenning, receptie, cadeaus enz.) en tegelijkertijd diezelfde gemeente uitschakelen als het gaat om de christelijke regels en moraal met betrekking tot verkering en huwelijk? Een weerspannig ‘dat bepalen we zelf wel?’ Nee natuurlijk. Rechten èn plichten. In alles zal het bij ons zijn: één God en één gemeente, één moraal en één wandel (Ef.4:4,5 en Fil.2:3). Geen gedeeldheid, geen tweeslachtigheid. Niet het drinken uit de beker van de Heer èn uit de beker van de boze geesten (1 Cor.10:21). Dit tot één-zijn geeft de grootste zegen en vreugde.

De start

Wat staat er nu eigenlijk aan de wieg van een beginnende relatie tussen een jongen en een meisje, een man en een vrouw? In 1 Corinthiërs 7 schrijft Paulus het een en ander over dit onderwerp. In vers 2 en vers 9 spreekt de apostel vooral over de seksuele motieven. In verband met de zonde van de hoererij en het gebrek aan zelfbeheersing vanwege de hartstocht is het beter te trouwen. Gelukkig weten wij dat er hogere en dieper gaande motieven zijn: de verliefdheid en de liefde tot elkaar. Als alleen seksualiteit de drijfveer is om tot een relatie te komen, lijkt de mens meer op een dier. In het gezonde geval – en dat willen en zoeken we met elkaar toch in de gemeente – zal de start van een relatie de verliefdheid zijn. Daar zal, als de relatie levensvatbaar blijkt, de liefde voor elkaar gaan groeien. Daarin gaan we niet voorbij aan de lichamelijke aspecten. Wat er bij een beginnende verliefdheid allemaal afspeelt in bv. aantrekkelijkheid, smaak, voorkeur voor bepaald type, lichamelijkheid e.d. laten we aan de betrokkenen over. In ieder geval is het opwindende gebeuren van ‘de start’ een door God ingeschapen behoefte om te komen tot partnerschap, tot huwelijk (Gen.2:18 en 1 Cor.7:28a).

Om aan een passende partner te komen, zal de gelovige zuiver en eerlijk te werk gaan. In 1 Thessalonicenzen 4:4 schrijft Paulus dat ‘ieder van u zijn lichaam heiligt en in eerbaarheid weet te beheersen’. Dus geen onreine driften, geen roven van een partner uit een andere relatie, geen geweld (ook niet via profetieën e.d.), geen financiële drijfveren, geen ‘god zegene de greep als ik maar iemand heb’, geen ongelovige. Het ontvangen van een man/ vrouw zal in en uit heiligheid en eerbaarheid tot stand moeten komen en… zoals bij alles wat we doen, toch zeker in samenspraak met onze Heer. Dat neemt niet weg dat een ‘bid en werk’ van belang is. Zoekenden zullen zich onder de mensen moeten begeven om gelegenheid te scheppen in contact te komen met leeftijdsgenoten. Isolement is nooit uit God. Dat de goede Herder daarbij hulp, leiding en wonderen schenkt, is bekend. Daar mogen we zonder beperking gelovig op vertrouwen.

Soms slaat het ‘bid en werk’ naar een verkeerde kant door. Het bidden en werken zijn dan in strijd met elkaar: enerzijds een beroep op de Heer doen om hulp en anderzijds een relatie aangaan met een ongelovige. 2 Corinthiërs 6:14 leert ons dat wij ‘niet in een en hetzelfde span met ongelovigen moeten lopen’. De daarop volgende verzen lichten deze uitspraak toe. In 1 Corinthiërs 7:39 noemt Paulus de goddelijke voorwaarde voor een huwelijk: ‘mits het een huwelijk is in verbondenheid met de Heer’. Voor een leerling(e) van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen levert een relatie met een andersdenkende in geloofszaken al problemen op, laat staan met een ongelovige. In een huwelijk deel je samen één hemel en daar mag toch geen licht en duisternis tegelijk zijn, geloof en ongeloof, deel aan Christus en deel aan satan? Het levert voor broers en zusters nog al eens problemen op als ze zich bekeerd hebben nadat ze getrouwd zijn en hun partner dat niet deed (1 Cor.7:12-16). Tegen zulke mensen zegt de Heer niet dat ze dan maar moeten gaan scheiden. Wie echter als gelovige een relatie wil aangaan, kan en mag dit alleen maar met een medegelovige!

Verkering

Als in het tot stand komen van een verkering de goddelijk normale weg is bewandeld, zal Gods zegen optimaal op beide betrokkenen kunnen rusten. Dan gaat gelden het ‘in dit spoor nu verder’ (Fil.3:16). Verkering is een tijd om elkaar naar ‘het hart’ te leren kennen in bv. karakter, temperament, eigenschappen, geloofswandel, denkwereld, ontwikkelingsniveau, sociale vaardigheden en tekorten en zwakheden. Dit wederzijds verkennen zal zich ook afspelen in een nauwe omgang met de Heer, zowel ieder persoonlijk als samen. Knuffelen is niet zo moeilijk, maar hoe staat het met samen bidden, strijden, geloven, Bijbelstudie, gehoorzamen aan Jezus? Maar deze dingen zijn toch voor zijn volgelingen de gewoonste zaak van de wereld, of sta je zo ver van Hem af dat dit ‘gek’ of ‘vreemd’ of ‘onwennig’ is? Werk dan samen aan de ontwikkeling van een in-Jezus-geborgen-verkering.

  • ‘Want in God leven wij, bewegen wij ons en zijn wij’ (Hand.17:28).

Daarnaast is het van groot belang duidelijk onder ogen te gaan zien of je bij elkaar past. En dan komt niet alleen het geloofsaspect op tafel, maar ook een aantal zaken van beider persoonlijkheid. Zekerheid is noodzakelijk dat beiden elkaar volkomen liggen, aanvullen, in vrede en blijdschap een eenheid vormen waar ruzie, spanningen en onderlinge problemen niet thuis horen. Zo niet, dan moet ernstig overwogen worden of een huwelijk gewenst wordt. Het huwelijk is immers ‘voorgoed’. Een te korte verkeringstijd, omdat men zo snel mogelijk wil trouwen, is volstrekt af te raden. Wat is hier een mooie gelegenheid om werkelijk te tonen dat we ‘gemeente’ zijn en dus bij dergelijke belangrijke levenszaken met vertrouwde mensen (denk aan de gemeenteleiding) feeling houden over de gang van zaken. Bij betrokkenheid in deze zou heel wat narigheid voorkomen kunnen worden. We zoeken immers mèt allen toch naar waar geluk vóór allen?

Dom en wijs

Ieder mens is door onze goede Schepper zo geschapen dat hij èn individueel functioneert (een privéleven heeft) èn sociaal functioneert (in groepsverband leeft). Deze twee staan niet tegenover elkaar, uitgezonderd waar satan zijn invloed laat gelden. In het goede geval zijn beide kanten van het mens zijn op dit punt in harmonie met elkaar. Zo ook in de gemeente. Daar willen we vanuit gaan. Het betekent voor een ‘stelletje’ dat ze gelegenheden zullen creëren om samen te zijn. Een gezonde zaak, die je niemand hoeft te leren. Integendeel, het komt nu juist nog te vaak voor dat de twee zich wat te veel isoleren en de groep enigszins verwaarlozen. Relaties met vrienden en vriendinnen in de gemeente komen op losse schroeven te staan, of erger, worden verbroken. Dom, verdrietig, onjuist.

Een andere voorkomende fout is het tè opvallende verkeringsgedrag te midden van de groep (bv. samenkomst, jeugdgroep). De twee zijn zo in elkaar gestrengeld dat ze met een ‘bijl’ niet te scheiden zijn. Altijd bij elkaar, een ander komt er niet tussen. Alsof men elkaar bewaakt. Jaloersheid? Achterdocht? Egoïsme? Waar dan ook nog vrijerig gekleefd wordt, is het zicht op ‘gemeente-zijn’ helemaal verduisterd. Wat te denken van zo’n gedrag als op de plaatsen achter hen enkele alleenstaanden zitten? Die mogen ongevraagd dat gedoe aanzien, wetende dat ‘dat geluk’ voor hen nog niet ingevuld is. Dit kleffe gedrag geeft aanstoot, gaat voorbij aan de naastenliefde, veronachtzaamt het lichaam van de Heer.

Als wij tijdens onze diensten vrijmoedig zingen over zoonschap, houdt dat wel een verplichting in naar de Heer en naar elkaar toe om reëel daar aan te werken. Vorming, opvoeding, oefening, voor jezelf (privé) en de groep (sociaal) is nodig voor elk lid. Ook voor de verliefden. Niemand staat buiten of boven de wet. Met verlangen zien we allen uit naar die geweldige tijd dat allerlei zaken geolied zullen lopen. Dat liefde en wijsheid onze gids is op dat grote veld van het sociale gebeuren. Waar door allen gelet wordt op het belang van de ander en men daadwerkelijk en altijd in dienstbetoon aan het geheel samen is. De ander geen aanstoot geven, niet verdriet doen, niet prikkelen, niet isoleren, niet aan z’n lot overlaten, maar meenemen in de zuivere warmte van aanvaarding, aandacht, belangstelling, solidariteit.

Onze God is enkel goed. Uit zijn goede hart komen alleen maar goede gedachten, plannen en daden voort. In dat goede is het leven; buiten dat goede is de dood. Het goede van God is wijs, sterk, zuiver en vreugdevol. Het goede is ‘vanaf het begin’, is het oorspronkelijke. Jezus, de wonderbare Raadsman en een door God aan ons gegeven Leider, voert ons daarnaar terug. Dat geldt ook voor relaties zoals wij die hier bespreken. In zijn evangelie vinden we de juiste weergave van de scheppingswetten voor de mens. Die moeten weer gekend en gehoorzaamd worden, zodat waarachtig leven en ongedeeld geluk terug zullen keren bij de mens. Als gelovigen willen wij daarin vooraan gaan.