1. De Bijbel en de opvoeding van onze kinderen

  • ‘Op dat moment kwamen de leerlingen Jezus vragen: ‘Wie is eigenlijk de grootste in het koninkrijk van de hemel?’ Hij riep een kind bij zich, zette het in hun midden neer en zei: ‘Ik verzeker jullie: als je niet verandert en wordt als een kind, dan zul je het koninkrijk van de hemel zeker niet binnengaan. Wie zichzelf vernedert en wordt als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk van de hemel. En wie in Mijn naam één zo’n kind bij zich opneemt, neemt Mij op. Wie een van de geringen die in Mij geloven van de goede weg afbrengt, die kan maar beter met een molensteen om zijn nek in zee geworpen worden en in de diepte verdrinken. Waak ervoor ook maar een van deze geringen te verachten. Want Ik zeg jullie: hun engelen in de hemel zien onophoudelijk het gelaat van Mijn hemelse Vader’ (Mattheüs 18:1-6,10).

De ontwikkeling

Over opvoeding gesproken! Jezus begint, wanneer Hij iets onthult over de omgang van volwassenen met kinderen, aan de goede kant: bij de leerlingen. Bij hen die het Koninkrijk der hemelen gaan uitdragen in de wereld. Zij zijn het immers die in staat zijn iets te begrijpen van de intensiteit van Gods liefde en wijsheid en wat te begrijpen van zijn koninklijk doel met de mens. Zij zijn de mensen met visie, om te zien langs welke weg God zijn doel met zijn kinderen bereiken gaat.

Ook nu worden leerlingen door Jezus Christus ingewijd in dit goddelijke levensplan. De eerste vereiste daarvoor is: ‘Worden als een kind’. Jezus plaatst een kind in hun midden. Wat een wijsheid, wat een humor. Daar staan ze, de leerlingen, die zich juist zorgen maakten over de vraag wie van hen wel de grootste in het Koninkrijk der hemelen zou zijn. Laten ook wij eens het kind in ons midden nemen en het zodoende de plaats geven die het toekomt. Wanneer volwassenen, zoals de leerlingen, het druk hebben met zichzelf, is het kind metterdaad ‘het kind van de rekening’ en mist het de aandacht waar het recht op heeft.

Veel opvoeders weten hun kinderen bang te maken, om te voorkomen dat ze verboden dingen doen. De boeman komt in allerlei vormen voor. Als ouders het met elkaar oneens zijn, gaat dit altijd ten koste van de kinderen, die blootgesteld worden aan gevoelens van onveiligheid, angst en onzekerheid. Ook vandaag worden er nog kinderen te vondeling gelegd of vóór hun tijd op kunstmatige wijze afgevoerd.

In mijn werk ontmoet ik veel jonge mensen die boordevol zitten met allerlei angst-, haat- en schuldgevoelens. Op de vraag: ‘Ken jij je vader?’ moeten ze vaak ontkennend antwoorden. Hun kinderlijkheid is in de kiem gesmoord, hun kinderziel is zwaar gewond. In gedachten zie ik dat jongetje van drieënhalf jaar huilend achter de tram aan lopen, waarin zijn vader zit, die zojuist gezegd heeft: ‘Ik ga weg, ik kan niet meer van je moeder houden’. Wanhopig van verdriet klampt deze jongen voorbijgangers aan, maar ze kunnen hem niet helpen, ze staan zo eindeloos ver weg van dit kind. Twaalf jaar later ontmoet ik hem in de gevangenis. Deze jongen heeft al een leven van moeite en verdriet achter zich en is niet meer in staat normaal met anderen mee te doen. En dan die jonge man van 23, die zich zo graag in zichzelf opsluit, uit angst en verbittering tegenover zijn omgeving. Zijn herinneringen aan thuis zijn bijna geheel negatief; zijn ouders hebben liever niet dat hij thuis komt. Ze schamen zich voor hem.

Dit zijn zo maar een paar voorbeelden, maar er zijn er zoveel. Beschadigd in de kinderjaren. De Heer Jezus is bewogen met de kinderen; Hij omarmt ze en zegent ze. Hij weet welke plaats hun toekomt: de allerbeste, een plaats vóór de troon van de Vader, waar ze kunnen spelen, onder het toeziend oog van zijn heilige engelen. Kinderen zijn gemaakt voor het paradijs, maar er zijn maar weinig kinderen waarbij het leven een paradijs is: talloze jongens en meisjes lopen al bij de eerste kennismaking met de wereld van de mensen verwondingen op. Niet zozeer lichamelijk, maar verwondingen in hun kwetsbare ziel, veroorzaakt door een zee van onbegrip. Wij kennen de veroorzakers, wij weten dat het satan is, die een hekel heeft aan alle schepsels, die bedoeld zijn om de glans van hun Schepper uit te stralen. Hij vertroebelt bij de mensen het inzicht in de dingen van het Koninkrijk der hemelen, waardoor ook hun houding ten opzichte van het kind beïnvloed wordt. Veel opvoeders laten zich vaak inspireren door ‘de verkeerde kant’. Sommigen van hen proberen de wil van het kind te breken en het op te voeden tot een braaf burger waar het leven uit is. Zij hebben er geen weet van dat ook voor kinderen geldt: ‘Voorzichtig, breekbaar’.

Een pasgeboren schepsel is normaal gesproken volmaakt

We geloven dat God volmaakt is en dat al Zijn werken ook volmaakt zijn. Een baby is de afstraling van de Schepper, we verwonderen ons erover dat alles zo mooi gemaakt is, met ‘alles erop en eraan’ en met een schat aan ontwikkelingsmogelijkheden. Een lust voor het oog. Soms lukt het de tegenspeler van God om al vóór de geboorte beschadigingen toe te brengen, vaak als gevolg van banden met het voorgeslacht dat met bepaalde demonen van satan intense gemeenschap heeft gehad, waardoor dezen ook op het nageslacht recht menen te hebben. Een parallelbeeld vinden wij in de zogenaamde ‘placenta’, de beschermende laag in het moederlichaam, die de mens-in-wording bewaart voor allerlei kwade stoffen. Wanneer de moeder zichzelf echter verwaarloost en tal van gifstoffen, nicotine, alcohol en drugs tot zich neemt, kunnen, ondanks de beschermende werking van de placenta, allerlei beschadigingen het gevolg zijn.

Het kind is eigendom van zijn Schepper, dus niet eigendom van de ouders. Je kunt er maar niet mee doen wat je wilt. God vertrouwt ze ons voor een tijd toe. Juist wanneer men kinderen beschouwt als persoonlijk bezit, worden ze sterk gebonden aan de opvoeders, terwijl het juist de taak van hen is hun kinderen te binden aan Christus, aan God, aan wie ze wèl toebehoren. Wat zouden er veel problemen opgelost worden als men ervan uit ging, dat God zelf de eindverantwoordelijkheid draagt voor de zijnen. Het moment dat het kind in de gemeente wordt opgedragen wijst daar op. Wanneer ouders zelf in afhankelijkheid van Christus leven, rijzen er ook veel minder problemen voor het kind, terwijl de ouders minder snel teleurgesteld zullen zijn wanneer het kind eens anders wil dan zij. Het bereiken van de volwassenheid verloopt zo veel meer harmonisch.

Het kind is vrij

Een van de boeiendste aspecten van een kind is wel zijn vrijheid waarmee het zijn omgeving tegemoet treedt, ongeremd, ongecompliceerd. Verreweg de meeste grote mensen echter dragen een soort masker, dat nauw verbonden is met de sociale rol die zij op dat moment vervullen: vader, onderwijzer, opvoeder. Het woord ‘persoon’ is afgeleid van ‘persona’, wat ‘masker’ betekent. We verstaan onder ‘masker’ de uiterlijke verschijningsvorm van de mens. De positieve betekenis van het woord ‘persona’ is gelegen in haar functie, namelijk de aanpassing van de persoon aan de omgeving. Kunnen we ons in allerlei situaties aanpassen, dan hebben we hier alleen maar plezier van. Soms dient de ‘persona’ ook om de werkelijke aard te verbergen. We zijn dan niet alleen op school leraar of de directeur, maar vertonen die houding ook thuis en elders.

Het jonge kind echter kent geen masker, ook niet het soepele, aangepaste en beschuttende masker van veel grote mensen. Het is volledig zichzelf, het zegt wat het denkt, onder alle omstandigheden. Men is daarom vaak jaloers op het ontwapenende hardop denken van het kind. Het is Gods wil dat wij elke vorm van onechtheid afleggen en worden als een kind en dat is mogelijk, omdat we in het licht wandelen en niets meer te verbergen hebben. Onze liefde is dan goddelijke, oprechte liefde: onze houding is dan altijd waarachtig, we staan volledig achter onze woorden en ons innerlijk leven is dan volledig in harmonie met de geestelijke werkelijkheid van God om ons heen. Dit gaat vaak ten koste van onze uiterlijke ‘aanpassing’. We zullen vaker uit de toon vallen, zoals kinderen dat ook wel doen, terwijl ze in feite dan de juiste toon treffen; we zijn dan ‘aangepast’ aan de bewegingen van Gods Geest. Wanneer wij als opvoeders onecht zijn, veroorzaken wij daardoor spanningen in het zielenleven van het kind.

Het jonge kind is beweeglijk, net als zijn Maker. Het leven straalt eruit. Veel opdrachten aan kinderen gegeven, lopen vaak uit op spelletjes waarin hun bewegingsdrang zich duidelijk aftekent. Ze hebben gevoel voor het levende, natuurlijke ritme. De beste manier om kinderen iets te leren, is door middel van beweging, waartoe ook de spraakbeweging gerekend kan worden. Het kind heeft er plezier in. De beweging vormt een belangrijk aspect van de ontwikkeling van het zielenleven. Wanneer de oppermachtige ouders de bewegingsruimte drastisch beperken, omdat het zo ‘hinderlijk’ is, zal het kind in zijn ontwikkeling geremd of ontremd worden: het kan even agressief worden als zijn omgeving.

Gemeenschapsbehoefte

Een belangrijk kenmerk van het kind is zijn gemeenschapsbehoefte. God is een God van gemeenschap; zijn schepsels zijn dat ook. De Heer ziet uit naar gemeenschap met zijn kinderen, zonder wie Hij zijn herscheppingplan niet wil volvoeren. Uit deze verhouding ontstaat het intieme contact tussen ouders en kind, wat onmisbaar is. Het kind wordt volwassen, of ander gezegd ‘rijpt’ aan zijn ouders. Hij vertrouwt ze volledig en geeft zich geheel over aan dit vertrouwen. Soms beschaamt de moeder dit vertrouwen door zich niet helemaal aan het kind te kunnen geven: ze is nog teveel bezig met zichzelf, zonder zich hiervan bewust te zijn. Ook gebeurt het wel dat moeders voorwaarden stellen en alleen toewijding tonen wanneer het kind doet wat moeder verlangt. Met een soort onderworpenheid betaalt het kind dan voor zijn behoefte aan geborgenheid, met de prijs van zijn vrijheid. Op deze manier wordt het kind steeds minder zichzelf; een braaf, wat onderdanig kind is dan het resultaat. Soms blijkt het kind in staat om voldoende weerstand te bieden tegen de inbreuk die de volwassene op zijn vrijheid pleegt. Veel rebellerende kinderen belanden in pleeggezinnen of bij Jeugdzorg ‘omdat er geen land mee te bezeilen is’, soms voorzien van het etiket ‘psychopathisch’. Dit laatste als verontschuldiging voor de ouders die nooit in staat bleken het kind echte liefde te schenken. Zulke kinderen hebben dikwijls het vermogen om in vrijheid te leven voor een groot deel verloren.

Christenouders echter zullen zeker in staat zijn alles aan hun kinderen te geven. Zij leven zelf immers ook uit genade en weten dat alle geestelijke en natuurlijke zegeningen hun slechts gratis toekomen. Het deelnemen van het kind aan zijn omgeving is een mystieke, verborgen aangelegenheid: alle dingen binnen zijn gezichtsveld horen bij zijn leefwereld en staan in een levendige, geheimzinnige verhouding tot elkaar, net als het kind tot zijn omgeving. Het is alsof de dingen leven. Er zijn geen grenzen tussen hemzelf en de buitenwereld; hij vormt er een eenheid mee. Ook bestaat er geen grens tussen het mijn en dijn. Alle dingen rondom het kind hebben nog geen vaste betekenis; ze zijn nog niet gebonden aan hun ‘verwerpelijkheid’ en zijn juist daarom zo betekenisvol.

Met deze ‘participation mystique’ naderen we de kern van het kinderleven, de levende saamhorigheid met alle mensen en dingen om hem heen. Het kind gaat geheel op in zijn omgeving, die zo belangrijk voor hem is. De pasgeborene kent geen angst voor dieren, dingen of mensen; ze horen thuis in zijn wereld zodra ze in zijn blikveld verschijnen. De intieme verbondenheid tussen het kind en de wereld rondom hem en is nog vol van de glans van het goddelijke. Zijn hemelse fantasie, zijn droombeelden zijn ervan doortrokken. Het is een werkelijkheid waar de Geest van God graag verblijf houdt, net als de heilige engelen. Het is een wonderlijke sfeer, waarin het wonder niet wonderlijk is en waar zichtbare en onzichtbare realiteit ineenvloeien.

In deze wereld is de gevoelige goddelijke mensenziel één en al oog. Al vóór zijn geboorte, in het moederlichaam, nam de ziel al geluiden en stemmingen waar. De voor alles ontvankelijke kinderziel ademt de sfeer in huis in. ‘Alles gelooft zij …’ Het kind, dat van God komt, is een parel van de Allerhoogste en legt op de schouders van de opvoeders een geweldige verantwoordelijkheid. Elke verkeerde invloed zal afbreuk doen aan de volmaakte wereld waarin het zich bevindt. Het is Gods bedoeling dat vanaf het eerste moment het kind geestelijk meer en meer zelfstandig zal gaan worden, om in die hemelse werkelijkheid zijn eigen, actieve plaats in te nemen als kind van God, zonder eerst een tijd van verduistering mee te maken door allerlei verkeerde invloeden die zijn ziel verwonden. Het is Gods bedoeling dat hun engelen hen niet meer hoeven te verlaten.

Wat komt er van terecht?

Alleen bij volledig toegewijde ouders zal het kind gespaard worden voor allerlei negatieve invloeden uit de geestelijke wereld. Het leeft er middenin. Het zijn namelijk niet alleen de engelen van God die het kind omgeven, ook satans demonen zijn er en zij zullen proberen beslag te leggen op de kinderziel. Daarom is de verantwoording van de volwassenen zo groot. Wordt het kind door hen geheiligd, dan kan geen macht van de duisternis deze ‘hof’ betreden. Wanneer de opvoeders uit God zijn, zullen zij het kind, dat voor het paradijs geschapen is, ontvangen alsof zij Jezus zelf ontvingen. Elke fout, grofheid, uiting van drift, onbegrip of verdriet betekent een aanval op de kinderziel. Elk goed woord daarentegen, elk liefde betoon werkt opbouwend en rijpend. Het kind, dat zelf onmachtig is om verkeerde invloeden te weren, is hoogst vormbaar, beïnvloedbaar, verleidbaar en kwetsbaar.

Wanneer het kind, door grove onkunde en gebrek aan liefde, verleid wordt tot zonde en daardoor agressie in het kinderleven ontstaat of het kind zelfs helemaal het spoor bijster raakt, schiet het aan Gods doel voorbij. Ik weet van ouders die eigenlijk niets om de intieme verbondenheid van hun kleintje geven, het doorlopend mee nemen naar hun avondjes en feestjes en het nauwelijks met enige zorg omringen. Het kind dat voor hen een blok aan het been is, wordt vaak afgesnauwd. De gevolgen voor de kinderziel, die van hemelse oorsprong is, zijn vaak catastrofaal. Gelukkig staan kinderen, wanneer ze leven tussen mensen die ongeestelijk zijn en die daardoor het wezen van de kinderziel niet kunnen verstaan, niet alleen. 

Kinderen hebben engelen. De Bijbel spreekt over ‘hun’ engelen die voortdurend het aangezicht van God zien. Dit zijn dus speciale, belangrijke dienstknechten van God die in zijn Koninkrijk een voorname plaats innemen, namelijk vlak voor Gods aangezicht. Daarom is een verkeerde houding of gebrek aan liefde tegenover het kind dikwijls veel ernstiger dan wanneer dit plaatsvindt ten opzichte van een volwassene. De kinderziel is namelijk niet alleen veel ontvankelijker, maar krijgt de negatieve ervaringen diep ingegrift. Het blijft er zitten. De houding van onbegrip van de leerlingen was wel van zo’n ernstige aard, dat Jezus wel moest zeggen: ‘Bekeer u!’ Wordt als deze kleinen, pas dan zul je een plaats hebben in het Koninkrijk van Zijn liefde. Ieder kind vormt eigenlijk een uitdaging voor kinderen van God die op de goede weg zijn, om af te leggen de dingen die henzelf en daarom het kind kunnen schaden. Voor zulke opvoeders luidt het allerbelangrijkste opvoedingsdevies: ‘Verhinder ze niet!’

De denkwereld

Nu willen we ook aandacht besteden aan de geweldige ommezwaai die het kind genoodzaakt is te maken als het een aangepast persoon wil worden in de wereld van de grote mensen. Daarom is het gewenst eerst iets te zeggen over het zielenleven en het nauw daarmee verbonden denkleven van veel grote mensen. Met nadruk zeg ik ‘de wereld van de grote mensen’. Voor de echte, door God bedoelde geestelijke volwassenheid komt namelijk heel wat anders kijken. God stelt hoge eisen aan zijn kinderen. Voor allen geldt hetzelfde devies: ‘Wees volmaakt’ én ‘Wees heilig, want Ik ben heilig’. Wat geweldig is het, eens echt volmaakt te zijn, in volkomenheid te wandelen met onze God. Dan zijn we ook volmaakte opvoeders. Mensen, die het kind voorgaan en het naar Jezus toe leiden, die geen verhindering voor het kind betekenen, omdat hun woorden in overeenstemming zijn met hun innerlijk leven. Hiertoe zullen we nog heel wat overwinningen moeten behalen. Maar God zij gedankt, die ons altijd in Jezus Christus laat overwinnen.

Dit einddoel van ons geloof heeft direct te maken met onze ziel, onze innerlijke gevormdheid. De Bijbel spreekt over de redding van de ziel. Wilt u weten hoe het met uw ziel staat? Vraag uzelf dan eens af hoe uw houding tegenover het kind is. Gaat u graag met kinderen om en heeft u oog voor dat wat in het kind leeft? Wanneer u van kinderen houdt, bent u in staat hen te ontvangen, zoals Jezus dat bedoelde. U bent ontvankelijk voor hen: u voelt met hen mee. Elk opnieuw geboren kind van God zal meer oog voor de kleine mensen hebben dan vóór zijn nieuwe geboorte, omdat hij meer afgestemd wordt op de golflengte van Gods Koninkrijk, die door onze kleinen vaak zo goed wordt aangevoeld. U hoort toch niet bij degenen die zelfs voor hun eigen kind niet voldoende tijd kunnen vrijmaken en die daar ook eigenlijk niet het belang van inzien? Er zijn jammer genoeg veel mensen die kinderen alleen maar lastig en druk vinden. Zulke personen zijn zo van de eeuwigheid vervreemd, dat hun zielenleven als het ware gesmoord is; het oorspronkelijke licht is bij hen gedoofd. Zij zijn ook blind voor de ziel van het kind, omdat hun eigen ziel geen contact heeft met het waarachtige Leven. Zielenblind zijn zij.

Tal van wetenschapsmensen, kinderpsychologen en ‘pedagoochelaars’ hebben het venster van hun ziel naar de hemel gesloten. In al hun boeken wordt het kind geweld aangedaan; zij miskennen de Schepper in hun eigen leven en in dat van het kind dat hun is toevertrouwd. De kinderziel is voor hen dan ook een vrijwel ontoegankelijk terrein. Voor zulke lieden houdt de oorsprong van de mens op bij de bevruchting, bij zaadcel en eicel en wordt het zielenleven slechts bestempeld als het driftleven. Het zijn mensen die geleid worden door ‘de geest van deze eeuw’, die bezig is alle dingen, zelfs de meest verheven zaken, uit elkaar te rafelen, te analyseren. Alle menselijke gedrag wordt verklaard vanuit allerlei, door de mens zelf uitgedachte, wetten en theorieën. Wat een verarming van de wetenschap, wat een afbreuk aan de waarheid, aan het Leven, aan Jezus Christus Zelf, die in kinderlijke harten wil wonen. Daarom zijn wetenschapsboeken vaak zo taai, zo uitgedroogd en daarom zo moeilijk leesbaar, omdat het leven eruit is; ze zijn niet geïnspireerd door het Leven. Het schrijven over allerlei onderzoekingen en wetmatigheden zou vol moeten zijn van lof aan de Wetgever. Daarom, omdat God zelf niet geëerd wordt, loopt de wetenschap op een dood spoor.

Hier naderen we een belangrijk aspect van het zielenleven van de westers georiënteerde mens, die van het Leven en daarom ook van de natuur, de bomen, de planten, de bloemen, de dieren en de sterren, meer en meer vervreemd raakt. Vinden we in de oosterse wereld nog veel terug van het mystieke leven, dat zo kenmerkend is voor het jonge kind, de westerse mens gelooft meestal niet meer in de mystieke, verborgen omgang met de goddelijke wereld. Hij ziet ook niet meer dat de kinderziel geheimen ademt uit een hemelse werkelijkheid, omdat ze van koninklijke oorsprong en van goddelijke orde is. Ja natuurlijk, in mystiek schuilt ook gevaar; in de onzienlijke werkelijkheid huizen ook duistere krachten. Tal van oosterse godsdiensten brengen de mens daarmee in aanraking. Hoewel het geestelijk denken van de westerse mens ergens wel oog heeft voor de geestgesteldheid van de mens, ziet zij vaak de zielsgesteldheid over het hoofd. Ook de leerlingen van Jezus hadden niet in de gaten, dat de ‘eenvoud van het hart’ van de kleine kinderen om hen heen veel goddelijker en verhevener was dan hun kennis van God. Zij werden opgeblazen en streden onder elkaar om de eerste plaats. Jezus waarschuwt zijn leerlingen en zegt: ‘Wanneer jullie je niet bekeren en worden als de kinderen, zullen jullie het Koninkrijk der hemelen zeer zeker niet binnengaan’. Hier doelt Jezus op hun zielenleven, op hun mentaliteit. Deze zal moeten zijn: zichzelf gering achten als een kind.

Van de ziel losgemaakt

Waar wetenschappelijk en godsdienstig denken losgekoppeld wordt van het zielenleven, ontstaat hoogmoed, waarbij de mens zich stelt naast of boven zijn God en Hem zo tot object maakt, Hem verlaagt en inpast in zijn eigen denkwereld. Zo ontstaan godsdiensten en godsdienstige richtingen, waar de ziel niet meer juicht: ‘Hoe groot bent U!’ en waar het hart zich niet meer verheugt in zijn Maker, omdat het zielenleven beschadigd is en een verdrukt en eenzaam bestaan leidt. Zo zouden we het westerse denken ruwweg kunnen typeren als ‘losgemaakt van de ziel’. Door de zonden van de wereld is er een scheiding gekomen, waardoor de ziel een eenzaam, primitief en duister bestaan is gaan leiden. Het denken, dat zich steeds meer heeft losgemaakt van het wezen van de dingen en daardoor ook steeds losser gemaakt wordt van de ziel, wordt verzelfstandigd, autonoom en slaat dan op hol. De westerse mens, die steeds meer vertrouwt op koel intellect en jaagt naar succes en naar technische vooruitgang (en deze verheft tot een afgod), gaat een steeds meer op zichzelf gericht bestaan leiden. Deze zelfverkozen eenzaamheid gaat zover totdat de ziel tenslotte helemaal sterft; de oorspronkelijke drang om te leven wordt omgezet in een drang om te sterven.

We noemen mensen ‘opgeblazen’, wanneer hun denken en hun kennis geen echt leven bezitten, wanneer de ziel eruit is. De mens kan dan niet meer instaan voor zijn woorden, aangezien hij er niet helemaal meer achter staat, hij gaat ‘zweven’. Hij stijgt dan uit boven zichzelf en tenslotte boven God uit, die hij tot een soort religieus denkobject maakt. God is dan niet de Almachtige die tot de mensen spreekt en die men eert door een Hem welgevallig leven, maar een abstractie, een grootste gemene deler van allerlei leerstellingen, maar waarbij het zielenleven steeds meer vereenzaamt. Het denkleven, dat eigenlijk een overgang vormt tussen het zielenleven en het geestelijke leven van de mens, mist zo de innige verbondenheid met het leven, zodat het de waarschuwende stem van het hart niet of nauwelijks kan verstaan. Daardoor komt al snel de hoogmoed voor de val. Het vernieuwen van ons denken, waarover Romeinen 12:2 spreekt, zal alles te maken hebben met de door God bedoelde eenheid van elk mens afzonderlijk. Pas wanneer de mens één is, is hij weer in vorm en zijn de bressen van zijn levenshuis gesloten. In dit vernieuwingsproces speelt de bevrijding en de verlossing een belangrijke rol. Door de vervulling met Gods Heilige Geest wordt ons zielenleven verbonden met het ware leven, met het wezen van de dingen; ons denken wordt dan gericht op God. Nederigheid in de natuurlijke wereld en het zichzelf gering achten als het kind zijn noodzakelijke vereisten om in te gaan in het Koninkrijk van God. Deze eigenschappen horen bij mensen die in harmonie leven met hun God.

Van de ene wereld naar de andere

In deze op hol geslagen wereld wordt het kind geboren in een mensenwereld, waarin satan als een splijtzwam heerst in mensen, huwelijk en gezin. Hij brengt er eenzaamheid, de eenzaamheid van de godverlaten ziel, voor wie God dood is. Hoogstens laten de dan nog overgebleven religieuze behoeften zich richten op allerlei uiteenlopende religieuze wereldse stromingen. In een wereld waar eigenlijk geen plaats voor het kind is. Het is geen geheim: de satan heeft een hekel aan kinderen, ze zijn hem een doorn in het oog. Daarom wordt vooral ook in onze dagen het huwelijks- en gezinsleven zo aangetast. Daar zijn dan niet in het minst de kinderen de dupe van. De kindermoord in Bethlehem was in de corrupte tijd, waarin Jezus geboren werd, beslist geen unicum en ook in onze tijd is daarin niet veel veranderd, zij het dat de leeftijdsgrens wat verschoven is. Door de eeuwen heen is het kind altijd het mikpunt geweest van satan. Vanuit de heerlijk warme, beschermende, vochtige omgeving van het moederlichaam komt het kind op een wereld die volslagen anders is. Droog, niet zo behaaglijk warm én rumoerig. Het kind moet vaak al heel vroeg leren leven te midden van een kakofonie van klanken en kleuren die op dit menselijke wezentje aandringen vanuit een geestelijk en natuurlijk klimaat dat aan ernstige milieuverontreiniging lijdt.

De wereld waarin het kind verzeild raakt wordt voor een groot deel beheerst door modern, fantasieloos en ontgoddelijkt, natuurwetenschappelijk denken, dat het wonderwerk van de Schepper loochent en de geboorte interpreteert als louter dierlijke aangelegenheid. Het kleine mensje dat leeft in een goddelijk droombestaan, komt terecht in een wereld die strijdig is met het wezen van het kind, die hem miskent, degradeert. Maar ook een wereld waarin de gemeente van Jezus Christus langzaam maar zeker gestalte gaat krijgen, tegen alle verdrukking in, verder groeiend en tot ontplooiing komend. Wanneer een zuigeling geboren wordt in een gezin dat niet de Heer volkomen is toegewijd, zal het onvermijdelijk in botsing komen met de harde werkelijkheid. Zijn vrijheidsdrang en fantasie zullen in botsing komen met de opvattingen van de grote mensen, die zoveel waarde hechten aan orde, fatsoen en nuttigheid. Ook zal zijn droomwereldje vroeg of laat overspoeld worden met sprookjes, speelgoed, games, boeken en staatspropaganda, al of niet speciaal voor kinderen bedoeld, maar in ieder geval vaak doortrokken van beelden uit de absurde, zieke voorstellingswereld van de grote mensen.

Hoe voeden wij op? Heeft het kind bij ons geestelijk voorrang? Spreken wij voortdurend en begrijpelijk over zaken die nuttig voor het kind zijn en doen wij dit zodanig dat zijn koninklijke afkomst daardoor niet verloochend wordt? Wat een voorrecht, een kind van God te zijn en de eigen kinderen steeds in de nabijheid van Jezus te houden, zodat Hij ze omarmen en zegenen kan.

Niet bang in het donker

Wanneer we op de hoge weg wandelen, zullen we oog hebben voor de betrekkelijkheid van allerlei opvoedingsregels die vaak niet uit God zijn en zullen we het kind leren handelen en wandelen binnen een geheiligd milieu. Dit vraagt van de ouders een positieve benadering, die het kind los ziet van de boze geesten die het soms kunnen gebruiken om disharmonie te veroorzaken. Zulke ouders zullen zelf actief de strijd in de hemelse gewesten aanbinden tegen de vijand en zullen het kind heiligen tegenover de vele gevaren die het op natuurlijk én vooral geestelijk terrein bedreigen. Zouden we onze kleine kinderen te gauw vertrouwd willen maken met de harde werkelijkheid van het leven van de grote mensen en het steeds weer moraliserend verbieden, dan houden we geen rekening met het kind en zijn engelen; we lopen gevaar dat het bang wordt voor een zeer kenmerkend gegeven van onze samenleving: duisternis. Een Duitse kinderpsychiater merkt ergens op, dat kinderen die bang zijn in het donker, nog vastzitten aan de lichte droomwereld van hun ziel, waar ze slechts langzaam van los kunnen komen. Elke druk heeft angst voor het onheilspellende donker tot gevolg. Sommige kinderen hebben nu eenmaal meer tijd nodig om zich aan te passen aan de zichtbare werkelijkheid die voor de meeste grote mensen geldt als de werkelijkheid. Christenouders zullen bij de opvoeding van hun kinderen altijd rekening houden met de invloed hiervan op hun toekomstige volwassenheid.

Nooit zal geweld en verkeerde dwang gebruikt worden om het kind te leren zich juist te gedragen. Een moeder die haar kind slaat, omdat hij zonder voeten vegen haar bijna steriele huis durft te betreden, moet zelf eerst verlost worden van haar overdreven gehechtheid aan het zichtbare. Door haar optreden maakt zij de afstand tussen haar wereld en die van het kind alleen maar groter. De vader die zijn gillende, tegenspartelende zoon met geweld dwingt de zee mee in te gaan, heeft er geen idee van waar hij eigenlijk mee bezig is. Door tal van dergelijke egoïstische opvoedingshoudingen wordt blijvende schade in het leven van het kind aangericht. Wanneer het kind bang in het donker is, zullen opvoeders dit met tact en wijsheid moeten aanpakken, wetende dat rigoureus optreden in dit opzicht (letterlijk) van satan is. Steeds zal inzicht in het kinderleven de goede opvoeder in staat stellen uit te gaan van het kind, om het van daaruit te leiden naar een volwassen leven met God. Wanneer kinderen, door verstandige opvoeding, ophouden bang te zijn in het donker, is dit vaak een teken dat zij zich aangepast hebben aan het leven van de grote mensen en dat zij – net als dezen – het contact met de bovenzinnelijke werkelijkheid verloren hebben. In dat geval heeft het kind veel van zijn stralende aantrekkelijkheid verloren.