Mijn vrouw is niet ziek!

Dit is nu al de derde zondag, dat hij zonder zijn vrouw in de kerk komt. En het lukt hem haast niet meer om met zijn verklaringen over dat feit in het vage te blijven. Op een gegeven moment denkt hij: als er nu nog een keer iemand vraagt: ‘Is je vrouw ziek?’, dan schreeuw ik: ‘Mijn vrouw is niet ziek, mijn vrouw gaat naar een gemeente die het eeuwig evangelie brengt!’ Woede en ellende en machteloosheid zitten als een gloeiende knoop in zijn borst. Maar hij blijft glimlachen, hij houdt zich groot.

Thuis, na de dienst, is die glimlach wel weg. En als zijn vrouw een poosje later komt, zegt hij geen woord. Zij voelt zijn loodzware stemming en probeert gewoon te doen. ‘Lekker, dat je koffie hebt gezet’, zegt ze, ‘drinken we samen nog een kopje?’ ‘Ik hoef niet meer’, grauwt hij, ‘ik heb al voor mezelf gezorgd’. Die toon! IJsberg en vuurspuwende berg tegelijk. En in dat klimaat verloopt de zondag.

Zij weet geen raad met zijn razende zwijgzaamheid. En hij nog minder. Hij kruipt achter zijn orgel en jaagt er wat muziek uit. Hij doet een paar spelletjes met zijn jongste zoon en verliest doorlopend. Hij laat ‘even’ de hond uit en blijft anderhalf uur weg. Hij eet z’n bord leeg of hij met de trein mee moet. En zwijgt en zwijgt. Na het avondeten houdt zij het niet meer uit. Ongemerkt belt ze de kennissen op. ‘Kom alsjeblieft een poosje hier’, vraagt ze, ‘ik heb de hele dag meer zijn rug gezien dan z’n gezicht. Als straks de kinderen naar bed zijn, zal hij ontploffen…’ De kennissen komen. Hij schenkt hun op het grove af geen aandacht. Van hem mag de tv aanblijven. ‘Laat de kinderen toch kijken’, bast hij en hij begint aan het zoveelste spel met zijn zoon.

Eindelijk is er natuurlijk toch geen ontkomen meer aan. De kinderen zijn naar bed, de tv is uit en de stilte is groot. Dan barst hij los: ‘Jullie zullen wel denken, wat heeft ie? Nou, ik zal je zeggen wat ik heb! Ik heb m’n derde verpeste zondag, dat heb ik! En als dat hier zo doorgaat (vuist op tafel) …!’

Wat doe je als er zo’n woeste stroom op je afkomt? De kennissen zijn geestelijke mensen, dus doen ze dit: zij klimmen in hun sterke toren. Flink ‘hoog’, zodat zij over de boze woorden heen kunnen kijken. Zo zien zij, dat er achter die boosheid een mens zit. Een bang mens, vastgehouden door taaie banden van traditie en overgeleverde zekerheden, of onzekerheden, hoe je ‘t noemen wilt. Lange tijd heeft hij – met zijn vrouw – in dezelfde onzekerheden gezeten en dat gaf een betrekkelijk vertrouwd gevoel.

Maar nu zet zijn vrouw haar eerste stappen op een nieuwe en levende weg en dat brengt zijn hele bestaan aan het wankelen. Aan de ene kant is hij jaloers op haar. Ze heeft het kennelijk heerlijk. Ze zegt zelfs: kom ook; waar ik ben, daar is het beter. En iets in hem wil wel. Maar aan de andere kant wordt hij bang (gemaakt). Bang voor het onbekende, bang voor het onoverzichtelijke van de situatie, bang voor de consequenties.

Dan beginnen de kennissen met kleine beetjes iets tegenover die angst te zetten. Iets uit de vrede en de vrijheid die ze zelf gevonden hebben. En ja hoor, het gesprek komt op gang. Strubbelend eerst nog, maar zoals dat gaat – na een paar uur confrontatie met de ware redding en verlossing, heeft een oprecht mens geen werkelijke weerstand meer.

Alleen nog dit: ‘Wat jullie zeggen, dat kan toch ook in de kerk? Waarom gaan jullie uit de kerk? Daar hebben ze zulke mensen juist nodig…!’ ‘Nou’, komen de kennissen hem tegemoet, ‘probeer het in de kerk als jij denkt dat dat kan. Niemand zegt toch dat je eruit moet’. ‘Nee’, zucht de man, ‘niemand zegt het … maar ik zie het er wel van komen.’ ‘Goed gezien’, denken de kennissen. Maar dat zeggen ze niet. Nog even geduld a.u.b.