Kinderen getuigen

Een vader en een moeder met drie kinderen in een vakantiehuisje. En slecht weer. En het kleine broertje ziek. Hele dagen binnen blijven vanwege de regen. Halve nachten in de weer vanwege de zieke baby. Het valt niet mee om de stemming erin te houden. Zullen we maar niet naar huis gaan? Is het nog wel verantwoord om te blijven? Af en toe zou je haast denken: dat kind stikt. Die vervloekte bronchitis! Dat zeggen ze dan ook, deze ouders. ‘Vervloekte bronchitis, maak dat je wegkomt!’ Maar de bronchitis gaat niet. ‘En toch zul je gáán’, zegt de vader, ‘in de Naam van Jezus, ik gebied je dit kind te verlaten’. Maar de bronchitis blijft zitten waar hij zit. En teistert het kleine lijfje en pest én treitert het hele gezin.

Gemeen! En tegen alle regels in! Onrecht! Want deze vader en moeder leven in het Koninkrijk van God en ziekte is een vijand, die daar niet thuis hoort. Wanneer de ouders deze vijand met geloof en gezag gelasten te verdwijnen, hoort hij gehoorzaam te vertrekken. Punt uit. Maar deze vijand, die bronchitis wordt genoemd, is een glibberige wegkruiper, taai van ongehoorzaamheid. Altijd probeert hij recht en gezag te ontduiken. Dat kennen de ouders van hem. Daarom zeggen ze tegen elkaar: nog even volhouden. Die in ons is, is meer dan die tegen ons is.

En dan gaat het zoals het hoort: de bronchitis verdwijnt. Het kind knapt op, heeft lucht, heeft weer een lachje, begint te eten en slaapt een hele nacht. Ze zingen en ze danken met zijn allen omdat het kind weer beter is. ‘God is goed, dat geloven wij’… De zon wil nog steeds niet erg schijnen. Maar de stemming is prima. Kun je begrijpen, na zo’n overwinning.

  • Nu nog even vertellen wat er verder gebeurde:

Een paar weken later is deze moeder op control bezoek bij de dokter. Alle kinderen mee. Het kleine broertje wordt uitgekleed en onderzocht. De moeder vertelt: ‘Hij heeft een flinke bronchitis gehad in de vakantie’. De dokter klopt, luistert, klopt. ‘Ik hoor niks,’ zegt hij, met een mengsel van verbazing en tevredenheid, ‘zo ‘schoon’ is hij in lang niet geweest; de zeelucht heeft hem goed gedaan’.

Nu staat daar een kleine meisje bij. Zo’n potje met hele grote oren en die begint heftig nee te schudden op de laatste uitlating van de dokter. Ze is een en al hoofdschudden; het moet wel opvallen. ‘Is het niet waar,’ vraagt de dokter, ‘heeft de zeelucht je broertje niet goed gedaan?’ ‘Nee hoor,’ kraait de kleine meid, ‘dat heeft de Heer Jezus gedaan’.

En het broertje van vier, dat er ook bij staat, zal het getuigenis wel even afronden. Met de buik vooruit verkondigt hij: ‘Ja, want wij hebben toch zeker gebiddet’. ‘Zozo,’ zegt de dokter, ‘zozo’. Terwijl de moeder het kleine broertje aankleedt, probeert ze haar binnenpretje goed binnen te houden en denkt:

  • ‘Dat was een mooie portie lof voor U, Heer, uit de mond van kinderen en uit de luchtwegen van een zuigeling’.