Jullie zijn toch niet christelijk??

Bert kwam logeren. We kenden hem nauwelijks, hadden hem pas eenmaal ontmoet en bij die gelegenheid wist hij ons de belofte te ontfutselen dat ‘hij eens mocht komen’. Hij hield vast, belde op, schreef een mail en ja, toen gingen we hem halen. Tien jaar en zo vastberaden!

Het was een rit van enkele uren. Hij praatte honderduit. We hadden al een heleboel onderwerpen gehad en opeens zei hij: ‘Eén ding hoop ik …. dat jullie niet christelijk zijn’. Stilte. Ik zocht: hoe pak ik dat aan? Maar het hoefde al niet meer. Een zoon, ook tien, kwam laconiek vanaf de achterbank: ‘Nou, dan heb jij pech gehad, want dat zijn wij wél’. – Weer stilte.

‘Moeten jullie dan altijd in de Bijbel lezen?’ ‘Ja’. En toen een beetje agressief: ‘En dat geloof jij allemaal?” Zoon: ‘Ja, dat geloven wij’. Toen barstte de logé los: ‘God bestaat niet’, riep hij. ‘Hij bestaat geeneens. Als Hij bestond dan zou …’ Het kwam er allemaal uit. Ongeloof, wantrouwen, haat. Wie had dit kind zo volgegoten? Zo vreselijk volgegoten? Ik zei niets. Ik probeerde m’n aandacht bij de weg te houden en tegelijk te bidden. Om bescherming voor mijn eigen kind, om hulp voor dit vreemde kind, om wat ik zou kunnen doen… Toen er een eind was gekomen – eindelijk – aan de boze woordenstroom, was het weer de zoon van tien, die het goede antwoord had: ‘Man’, zei hij, ‘dat heb jij allemaal mooi mis’. Hij zei het zo’n beetje vanuit één mondhoek. Zo praat hij als hij iets nauwelijks de moeite waard vindt. De logé bracht er dan ook niets tegenin. Ze pakten allebei een Donald Duck. Voorlopig leek de zaak afgedaan.

Afgedaan? Met een bezorgd hart bedacht ik hoe lang een week kan zijn als er veel moeilijkheden in zitten.

Het werd geen gemakkelijke week. Maar anders, heel anders dan ik me had voorgesteld. Het duurde precies één dag, toen las Bert ons aan tafel voor uit de Bijbel. Hij struikelde over veel woorden, maar hij wou het toch doen. En als we klaar waren, zong hij het hardst van allemaal: ‘Vader wij danken U’.

‘Kan ik die liedjes ook leren?’, vroeg hij, toen hij mij hoorde zingen. We leerden hem een paar liedjes. Hij zong ze de hele dag met die harde schreeuwerige jongensstem van hem. Hij zong in bed en in het bad, hij zong binnen en hij zong buiten, in de auto en op straat. Steeds dezelfde liederen, bij voorkeur met veel ‘halleluja’s’, ‘want’, verklaarde hij, ‘dat vind ik zo ‘n lekker woord om te zingen’.

Hij deed alles mee, maar hij vroeg nooit naar de bedoeling van de dingen. Hij was in ons gezin gegleden en wilde kennelijk in alles één van ons zijn. Dat beviel hem zo goed, dat hij niet weg wilde. Hij probeerde alles om te blijven. ‘Ik wil best altijd hier wonen’, zei hij. En toen kon ik het niet laten even dóór te prikken. ‘Maar Bert’, zei ik, ‘wij zijn ‘christelijk’, daar hou jij toch niet van?’. Hij keek me even aan van hé-ja-dat-is-waar-ook en stelde toen vast: ‘Maar bij u vind ik dat niks erg hoor, nee, niks erg’. Ik vroeg nog even door: ‘En God? Jij gelooft toch niet dat God bestaat?’ ‘Maar bij u geloof ik dat wel’ riep hij daar pal bovenop. En hij zette er een gezicht bij van nogal wiedes.

We hebben hem teruggebracht. We hebben gezwaaid tot we hem niet meer zagen. Dáág. Dag Bert, dag knul. We hopen, dat je er in je leven nog een paar ontmoet: ware christenen, die ‘niks erg’ zijn. In wie je ziet dat God bestáát!