Een grens overschreden

Het hek van de dam

Wij kregen een mail van een gelovige, waarin hij de levenswijze van een broer en zuster verdedigt, die hoewel niet wettelijk getrouwd, toch samenwonen. De man is nog in een echtscheidingsproces gewikkeld, omdat zijn vrouw naar zijn zeggen hem verlaten heeft, ‘vanwege van zijn christelijke levensovertuiging en wandel’. In de gemeente waar zij bij horen, heeft men hun elke persoonlijke inbreng in de samenkomsten verboden en weert men hen van het avondmaal. De schrijver erkent wel dat men zich nauwgezet en plichtsbewust aan de wetten van het land moet houden, maar zegt dat er ook reden kan zijn, dat men God meer gehoorzamen moet dan de mensen. Zijn opvatting over het huwelijk formuleert hij zo:

  • ‘Het is een misvatting te menen dat het huwelijk een aangelegenheid van het natuurlijke leven zou zijn. Lichamelijke gemeenschap mag dit dan zijn, het christelijke huwelijk is een door de Heer God gewilde verbintenis tot een eenheid die zo functioneel en renderend voor zijn Koninkrijk wordt geacht – denk aan voortbrengen en opvoeden van zonen van God – dat permanent samenleven en het delen van alle noden en belangen een ideale wijze blijkt te zijn voor beiden en om de belangen van Gods Koninkrijk te dienen. Er zijn uitzonderingen waarover de apostel Paulus spreekt, maar in de regel is het zo.
  • We zouden het huwelijk kunnen definiëren als een door de Heer gewilde gemeenschap van een broer en zuster met bindende kracht: het huwelijk is onschendbaar en onverbreekbaar. De lichamelijke gemeenschap is de uitdrukking en de vervulling van deze geestelijke band in het natuurlijke leven en dient de geestelijke band volkomen. Wanneer de wereldse overheid dit huwelijk wil beletten, dan doet zij een aanval op het christelijke gemeenschapsleven en verzet zich tegen de wil van God met betrekking tot het getuigenis en de beleving van het evangelie zelf.’

Antwoord

Het is géén misvatting om het huwelijksleven als een aangelegenheid van het natuurlijke leven te zien. Al voordat onze Heer zijn evangelie over het Koninkrijk van de hemelen bracht, waren er toch al van ouds goede en gezegende huwelijken. En men ziet ze nog bij hen die wel geen christen zijn (meestal afgeknapt door het huichelachtige schijnchristendom), maar toch in hun huwelijk naar de wetten van God leven. Zij zijn ‘de heidenen die nog van nature doen wat de wet gebiedt’ (Rom.2:14). De Heer zelf zei, dat men in de geestelijke wereld niet huwt en niet ten huwelijk wordt genomen, maar dat de ware geestelijke mens zal zijn als de engelen in de hemel (Matth.22:30). Als het huwelijk een geestelijke zaak was, zou het voor eeuwig gesloten zijn en dan zou men bijvoorbeeld na het overlijden van zijn levenspartner niet meer mogen trouwen. Er staat echter:

  • ‘De gehuwde vrouw is door de wet aan haar man gebonden, zolang deze leeft; wanneer echter de man sterft, is zij ontslagen van de wet, die haar aan die man bond’ (Rom.7:2). Ook voegt de apostel er nog aan toe, dat in Christus geen man of vrouw is, ook niet als een slaaf of een vrije.

Het huwelijk is dus een beeld van een hemelse of geestelijke gemeenschap van Jezus Christus en zijn gemeente. Wij mogen echter niet van de schaduw de werkelijkheid maken. ‘Wie zich aan de Heer hecht, is (voor eeuwig) één geest met Hem’ (1 Cor.6:17). Zoals Jezus Christus onlosmakelijk met zijn gemeente verbonden is en blijft, zo hoort daarom ook het aardse huwelijk van een man en een vrouw onverbreekbaar te zijn. Daarom haat God de echtscheiding, niet alleen onder christenen, maar ook onder gelovigen van het oude verbond. Deze uitspraak vindt men immers in het Oude Testament in Maleachi 2:16.

Het monogame huwelijk is een scheppingsorde voor ieder echtpaar en geldt voor het leven. Omdat het huwelijk een aardse zaak is, hoort het bij de familieaangelegenheden en bepaalt het de opbouw van het maatschappelijke leven. Vandaar dat in tijden dat men (nog) vanuit het woord van God leefde, de overheid zich ermee bemoeide. Helaas moeten we constateren dat er niets meer op wijst dat overheden de geboden van God in acht nemen. Integendeel, het ingeschapen geweten wordt vandaag in razendsnel tempo tot aan de grond afgebrand.

Huwelijksontbinding of polygamie leiden altijd tot ontwrichting van de maatschappij en ongehuwd samenleven tast ook de goede opbouw en harmonie van hele volken aan. Zij leiden tot wetteloosheid, waarbij iedereen doet wat goed is in eigen ogen. Wel een teken van onze decadente eindtijd. Bij de toenemende afval onder christenen zal ook bij hen ‘de mens van de wetteloosheid’ zich openbaren (Op.13:11-18). Het spreekt wel van een verduistering van denken, als men een wet die de scheiding tussen man en vrouw zo lang mogelijk probeert af te remmen, ziet als een aanval op het christelijke gemeenschapsleven.

Dit echtpaar plaatst zich boven de wetten die men als opnieuw geboren christen hoort te respecteren. Het christelijke huwelijksleven sluit aan bij de oorspronkelijk ingeschapen wetten van God, die aan alle mensen gegeven zijn. Een misvatting is het ook te menen, dat de ‘zonen van God’ voortgebracht en opgevoed worden in het aardse huisgezin. Uit het normale huwelijk komen de natuurlijke zonen voort. Dezen worden dan opgevoed om in het huisgezin van God binnengebracht te worden. Door hun nieuwe geboorte worden zij kinderen van God en in de gemeente, het huisgezin van God, worden zij opgevoed tot volwassen zonen van God.

De schrijver eindigt met onder de mededeling te doen dat hij hoort bij een voor ons bekende gemeente. Hoogstwaarschijnlijk voelt hij zich daar als lid thuis, maar bij informatie bleek dat hij door deze gemeente niet als lid wordt beschouwd en dat men daar zijn opvattingen over het huwelijk niet deelt. Wij vinden het asociaal om de naam van een gemeente of van een voorganger te verbinden met gedachten, waarvan men niet zeker weet of deze wel geaccepteerd worden.