Schaduw en werkelijkheid

De geestelijke werkelijkheid van het Nieuwe Testament was al in het oude verbond bekend in de vorm van allerlei beelden. Zo’n beeld was bijvoorbeeld het paaslam, dat geslacht werd voor de bevrijding van het volk. Dit paaslam was een schaduw van de dood van Jezus Christus voor de verloren mensheid. Zo was ook het volk Israël zelf een afschaduwing van de gemeente van Christus, die bestaat uit verlosten door het bloed van Jezus. Het Joodse volk toont ons een beeld van de ‘ecclesia’, bestaande uit diegenen, die ‘eruit geroepen’ zijn om ‘een volk als Gods eigendom’ te worden (1 Petrus 2:10). De theocratische regering die God bedoeld had voor Israël, moest een voorbeeld zijn van zijn geestelijk Koninkrijk, geconcretiseerd in de harten van zijn zonen en dochters.

Nu is Jezus Christus verhoogd op de troon van David als Koning van de koningen. Het is belangrijk dat we zien dat deze troon, waar David op zat tijdens zijn koningschap, toen al ‘troon van de Heer’ genoemd werd (1 Kron.29:23). Het Woord van God zegt dat de wet ‘een schaduw was van de goede dingen die moesten komen, niet hun ware gedaante’ (Hebr.10:1). Het Davidische rijk was daarom slechts een zichtbare voorstelling van het werkelijke Koninkrijk van God, zoals ook het volk Israël slechts een schaduw was van de Gemeente van Jezus Christus. In het Oude Testament openbaarde God zijn bedoelingen op natuurlijke, zichtbare wijze door middel van een volk dat bestond uit natuurlijke afstammelingen van Abraham. In het Nieuwe Testament gaat het om de rechtvaardiging door het geloof in Jezus Christus.  Zo kan men het volk van God op twee manieren onderscheiden:

  1. ‘Het Israël naar het vlees’ (1 Cor.10:18), 
  2. en ‘het (geestelijk) Israël van God’ (Galaten 6:16).

De eersten zijn afstammelingen van Abraham – naar het vlees, wetten en ceremoniën; de laatsten zijn kinderen van Abraham – door het geloof alleen en geen wettische werken. De leden van het lichaam van Christus – de Gemeente – worden daarom met de volgende namen genoemd:

  1. ‘Kinderen van Abraham (Galaten 3:7),
  2. Israëlieten (Romeinen 9:6),
  3. Joden (Romeinen 2:28,29).

Jeruzalem of Sion?

Verder komen we de naam Jeruzalem tegen, waar deze gebruikt wordt in verband met de Gemeente: Galaten 4:26 en Hebr.12:22, waar gesproken wordt van het hemels Jeruzalem: Openb.3:12 en 21:2, waar Johannes het nieuwe Jeruzalem noemt, dat uit de hemel neerdaalt. We spreken hier niet over de stad Jeruzalem voor het nationale en religieuze leven van het Israëlische volk op aarde. De Korachieten schreven over het hemels Jeruzalem, de stad van God, een ‘vreugde voor de hele aarde’ (Psalm 48 en 87). In het Oude Testament diende men God in Jeruzalem. Daar bracht men offers en vierde men joodse feesten. Daar was niet alleen de zetel van het Davidische rijk, maar ook de ‘stad van de grote Koning’. God woonde in het midden van zijn volk en regeerde vanaf zijn troon te Jeruzalem.

Nu is de Gemeente de stad met de fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is (Hebr.11:10). Het nieuwe Jeruzalem waar men samenkomt voor de aan Jezus Christus en zijn Vader gewijde diensten. Het hemelse Jeruzalem, de zetel van de goddelijke regering en de centrale plaats van het Koninkrijk van God. Allen die door het geloof kinderen van Abraham zijn en die door de belofte van God bevrijd werden, horen bij dit geestelijk Jeruzalem, dat ook onze ‘moeder’ is (Galaten 4:21-26). Het is de stad die door de apostel Johannes gezien werd, de vrouw van de Heer, als bruid voor God getooid. De verheerlijkte Gemeente van de Heer Jezus Christus.

Tempel of heiligdom

In het Oude Testament was de tabernakel opgetrokken als woonplaats van God te midden van zijn volk. Later bouwde koning Salomo de tempel te Jeruzalem als huis van God. We weten echter dat de Allerhoogste niet woont in huizen door mensenhanden gemaakt (Hand.7:48). Zowel de tabernakel als de tempel van Salomo zijn slechts schaduwen van de Gemeente, die een geestelijk huis is, gebouwd van levende stenen. De apostel Paulus noemt de Gemeente de ‘woonplaats van God in de Geest’. Andere namen die we tegenkomen in het Nieuwe Testament zijn: de tempel van God (1 Cor.3:16,17); Gods bouwwerk (1 Cor.3:9) en het geestelijke huis (1 Petrus 2:5). Natuurlijk is iedere christen afzonderlijk een tempel van God omdat God in hem woont met zijn Heilige Geest. Er is geen enkele andere heilige plaats waar God zijn woning maakt. God woont in zijn geestelijke tempel, de Gemeente en manifesteert Zich in deze wereld door middel van het lichaam van Christus.

In het Oude Testament komen we nog andere parallellen tegen. Zo zien wij bijvoorbeeld hoe de gebruiksvoorwerpen in de tabernakel werden gemaakt. Hiervoor riep God mannen, die door een innerlijke drang tot het werk van God getrokken werden. Gods Geest vulde hen met bekwaamheid, intelligentie en kennis, waardoor ze alle delen van de Tabernakel op de juiste wijze konden bewerken. Deze Geest vulde het hart van Bezaleël, toen hij anderen moest onderwijzen, zodat zij met hem zouden kunnen samenwerken (Exod.31:1-6; 35:30-36:4).

In deze gedeelten vinden we een volmaakt beeld van het werk van de Heer in onze dagen. De gemeente van de Heer wordt gebouwd door middel van de door God geroepen dienstknechten, die klaar zijn om zich aan het werk van de Heer te wijden. Mannen vol van Heilige Geest, die hun bediening van de opbouw van de gemeente trouw vervullen, doordat zij de gaven gebruiken die zij door Gods Geest ontvangen hebben. Zowel Jeruzalem als de tempel zijn afbeeldingen van de Gemeente. De Schriften laten ons zo de Gemeente als woonplaats van God in de Geest zien.

Ook andere delen van de tempel in Jeruzalem vormen prachtige beelden van de geestelijke realiteit in verband met de Gemeente. In het boek Openbaring lezen we over de muur van het nieuwe Jeruzalem met de twaalf fundamenten, waarop de twaalf namen van de twaalf apostelen geschreven stonden. Paulus noemt de apostelen en profeten het fundament van de Gemeente. Het geheim van de Gemeente, dat in vroegere generaties onbekend gebleven was, werd door Gods Geest aan de apostelen en profeten geopenbaard. De waarheid over de Gemeente, de tempel van God, werd vanaf de Pinksterdag ontsluierd. En op die kennis werd de gemeente van Jezus Christus gefundeerd.

Jezus Christus is de hoeksteen. De steen die door de bouwers verworpen werd, maar die door God op de belangrijkste plaats van het bouwwerk werd neergelegd (Ps.118:22). Deze Messiaanse psalm wijst op de verwerping door de joden van Christus, die, nadat Hem door de bouwers vol verachting een plaats ontzegd was, door God verhoogd werd om de voornaamste draagsteen te worden in zijn Gemeente. Jezus paste dit gedeelte uit Psalm 118 op Zichzelf toe (Matth.21:42; Marcus 12:10; Lucas 20:17). Dezelfde term werd ook door de apostelen gebruikt als ze spraken over Christus als het verheerlijkte Hoofd van zijn Gemeente (Hand.4:11; Efeze 2:20).

Het volk van God

We weten dat de joden het volk van God vormden in het Oude Verbond, uitverkoren om het speciale eigendom van de Heer te zijn (Exod.19:5). Deze verkiezing door God was echter conditioneel: ‘Als u naar Mijn woord luistert en Mijn verbond onderhoudt, dan zult u van alle volken Mijn bijzondere eigendom zijn’. Wie zich van God afwendde door Jezus te verwerpen en zo het verbond dat Hij met hem maakte niet bewaarde, kwam los van de belofte te staan vanwege zijn ongeloof. God sprak tot de profeet Hosea: ‘Noem hem Lo-Ammi, want u bent mijn volk niet en Ik zal de uwe niet zijn’ (1:9). God echter koos zich een volk dat wèl wandelt in zijn wegen. Een volk dat bestaat uit allen die gered zijn door het geloof in Jezus Christus, zonder onderscheid van ras, taal of sociale positie. Deze gelovigen voegde de Heer samen om een heilige natie, een uitverkoren geslacht en een volk Hem als eigendom te zijn. Voor allen die door het geloof kinderen van Abraham genoemd worden, joden en niet-joden, gelden de woorden van de apostel Petrus: ‘Eens niet zijn volk, nu echter Gods volk’ (1 Petrus 2:10). Zo is dus de gemeente van Jezus Christus het volk van God, bestaande uit ‘medeburgers van de heiligen’. Ook wel genoemd de ‘huisgenoten van God’ (Efeze 2:19).

Een koninkrijk van priesters

Het was Gods bedoeling dat Israël als volk een priesterlijke natie zou zijn, zodat zij een schakel tussen Hem en de andere volken zouden kunnen vormen, waardoor de Heer Zich aan de hele wereld zou kunnen openbaren (Exod.19:5,6). De joden waren geen heilig volk omdat zij nu eenmaal een speciaal ras waren, maar dankzij de opdracht die zij gekregen hadden voor alle volken. God had hen uitgekozen en te midden van andere naties gesteld, zodat Hij Zich door hen aan alle volken, talen en naties zou kunnen openbaren. Het belangrijkste onderdeel van deze priesterlijke bediening zou zijn de verkondiging en het onderwijs:

  • ‘De lippen van de priester moeten de kennis bewaren en uit zijn mond verwacht men de leer, omdat hij een bode is van de Heer van de hemelse machten’ (Mal.2:7). Israël had dus de opdracht de naam van de Heer te verkondigen tot aan de einden van de aarde: ‘Verkondig van dag tot dag dat Hij ons redt. Maak aan alle volken zijn majesteit bekend, aan alle naties zijn wonderdaden’ (Psalm 96:2,3).

Ook in de betekenis van zijn priesterlijke bediening is Israël een schaduw van de Gemeente van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen (Hebr.12:23). In Israël waren het juist de eerstgeborenen die oorspronkelijk door God uitgekozen waren voor de priesterlijke dienst en die ook de voornaamste erfgenamen waren. (Later werden de eerstgeborenen van de stammen van Israël verworpen omdat zij afgoderij gepleegd hadden bij de Sinaï. Zij werden vervangen door de Levieten, die niet deelgenomen hadden aan de verering van het gouden kalf). Nu zijn het de kinderen van God die als erfgenamen van de beloften en priesters voor de Heer zijn aangesteld:  ‘Hij heeft ons tot een koninkrijk, tot priesters voor zijn God en Vader gemaakt’ (Openb.1:6).

Het Nieuwe Testament laat duidelijk zien, dat het priesterschap van de gelovigen in Christus veel grootser is dan het Levitische priesterschap. De zonen van Levi konden slechts als priesters dienst doen, terwijl voor hen de mogelijkheid om koning te zijn uitgesloten was. Christus was hogepriester in een orde die hoger was dan die van Aäron, omdat Hij tegelijkertijd koning en priester was, naar de ordening van Melchizédek (Hebr.6:20; 7:10). Zo heeft ook de Gemeente van Christus een hogere bediening, doordat zij een koninklijk priesterschap vertegenwoordigt. Het is de opdracht van de Gemeente het evangelie en de grote daden van Hem, die ons uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht, te verkondigen. Dit is de belangrijkste taak van het priesterlijk geslacht (1 Petrus 2:9).