Pinksteren, óók voor Israël

  • ‘Op DIE WIJZE (!) zal geheel Israël behouden worden’ (Romeinen 11:26 vert. Brouwer).

Een ernstige waarschuwing

In Romeinen 11:12 deelt Paulus ons mee, dat de val van Israël ons grote rijkdom schenkt. Vanwege het lijden en sterven van onze Heer ontvangen wij immers de rechtvaardiging door het geloof. Toch heeft God het oude verbondsvolk niet verstoten, want de Heer Jezus gaf al ogenblikkelijk na zijn opstanding zijn leerlingen de opdracht om het evangelie allereerst in Jeruzalem te gaan verkondigen. De Joden kregen dus een tweede kans. Toen werden er nog velen duizenden ‘behouden uit dit verkeerde geslacht’ (Hand.2:40). De reddingstroom ging echter Israël als volk voorbij. Daarom moest Paulus ook aan de buitenlandse Joden bekend maken:

  • ‘Het was nodig, dat eerst (nog) tot u het woord van God werd gesproken, maar nu u het verstoot en u het eeuwige leven niet waardig keurt, zie, nu wenden wij ons tot de heidenen’ (Hand.13:46). Het Koninkrijk van God was van hen weggenomen en aan een volk gegeven, dat de vruchten ervan wél zou voortbrengen (Matth.21:43).

Om dit laatste te illustreren gebruikte de apostel het beeld van de edele olijfboom, het ware Israël, waaruit takken waren weggebroken. Deze werden vervangen door wilde loten, die het beeld waren van christenen uit de heidenen. Deze werden tegen hun natuur geënt op de edele olijf. Bij het enten zet men immers altijd een goede tak op een kwade boom, maar bij een oude olijfboom ent men wel een wilde loot op de goede stam (vers 24). De wilde twijgen veranderen dan in goede takken. Zo kregen de heidenen deel aan de saprijke wortel van de olijf, dat wil zeggen aan al de woorden en beloften van God die eenmaal aan Israël waren geschonken. De ernstige waarschuwing aan de christenen aan de volken is echter:

  • Als jullie niet bij de barmhartigheid, goedheid of vriendelijkheid van God blijven, als jullie loslaten dat God enkel goed is en trouw aan zijn Woord en dat alle goede gaven en volmaakte giften alleen van de Vader van de lichten neerdalen, als jullie dit axioma van het nieuwe verbond loochenen, zullen jullie ook als ondeugdelijke takken worden weggebroken. ‘Want als God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, Hij zal ook u niet sparen’ (vers 21,22).

Als jullie leven proberen te ontvangen – net als Joden dit doen – door het onderhouden van inzettingen, rituelen, liturgieën en ceremoniën naar de inzichten van al lang gestorven voorvaders, zal God jullie ook niet ontzien. Dan worden ook jullie prijsgegeven aan de ontbindende demonen. Als jullie onwetend of onverschillig blijven ten opzichte van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, dat Jezus en de apostelen verkondigden, zullen jullie het doel van God met de mens – dat deze volmaakt zal zijn en tot alle goede werken volmaakt zal zijn toegerust – niet bereiken (2 Tim.3:17). Wat met Israël gebeurd is, zal zich dan herhalen met een verbasterd christendom: het Koninkrijk van God zal ook van hen worden weggenomen en aan een ander volk worden gegeven, dat wél de vruchten ervan opbrengt. De verlossingsrivier zal zich dan ook van de ontrouwe kerken afwenden en naar een nieuwe gemeenschap stromen.

De kerkgeschiedenis van het grote Babylon

Al snel kwamen de ‘onbesneden’ christenen onder de ‘betovering’ van de zendingsijver van de Judaïstische propagandisten. De ‘valse apostelen’ omreisden zee en land om van de heiden-christenen Jodengenoten te maken. Overal kwamen ze met het oude zuurdesem van Farizeeën en Schriftgeleerden. Zij probeerden uit het gloednieuwe gewaad van de gerechtigheid door het geloof, een lap te scheuren en deze te hechten aan het oude kleed van de gerechtigheid die uit de wet is. Het Judaïsme beoogt immers het invoegen van het christendom in het oude verbond (Luk.5:36). Zo werd al in Paulus’ tijd het ‘vrome’ vlees verzadigd door veelvuldig vasten, het houden van jaren, maanden, dagen en sabbatten en door allerlei geboden: raak niet, smaak niet en roer niet aan. Zomin als Jezus de religieuze geesten in Israël heeft kunnen bedwingen, zomin is dit Paulus, door middel van zijn nagelaten geschriften, bij de christenen uit de heidenen gelukt. Zelfs was deze apostel rechtstreeks vanuit de hemel geroepen en niet door mensen die nog enigszins verbonden waren met de verouderde en verdwijnende inzichten. Dit verklaart ons zijn grote liefde tot het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, dat geen enkele vermenging met de oude zuurdesem verdraagt.

Al snel ontstond er een kerk die op oudtestamentische leest was geschoeid: vasten, altaren, gewijde gebouwen, cultisch reinigingswater of wijwater voor de gelovigen, wierook of gewijde rook, een priesterkaste in de zienlijke wereld en ontelbare verordeningen en voorschriften, die als ‘plichten’ moesten worden waargenomen. Ook begon men weer de wet van oude verbond voor te lezen, waarvan de apostel schreef, dat zij ‘niet gesteld is voor rechtvaardigen, maar voor wettelozen en tuchtelozen’ (1 Tim.1:9). Het werk van de Heilige Geest die de wetten van God in het hart schrijft, zodat de opnieuw geboren christen door de kracht van deze Geest zonder enige inspanning naar de wil van God leven kan, kende men niet. Het is geen wonder dat de kerk als instituut zich de plaats van Israël op aarde heeft toegeëigend. Zij verloochende immers haar eerste pinksterliefde, die verbonden is met het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Zij verloor haar burgerschap in het hemelse Jeruzalem. Toen waren op aarde twee partijen die zich Israël noemden en elkaar niet verdroegen. Geen wonder dat de steeds machtiger wordende kerk de rollen omdraaide en op haar beurt de Joden heeft vervolgd.

Tijdens zijn bediening in Israël wachtte de Heer tevergeefs drie en een half jaar op de vrucht van zijn prediking. Nu ziet Hij al tweeduizend jaar uit naar geestelijke mensen, die zijn beeld dragen en die toegerust zijn met geestelijke gaven om de zuchtende schepping door Woord en Geest te herstellen, want Hij wil en zal haar niet in de vernieling laten. In het grote Babylon legt men echter geen vijanden onder zijn voeten en men heeft zelfs geen notie ervan wie deze vijanden nu wel zijn. Daarom verkeert het naamchristendom in slavernij van de boze geesten. Het gros van hen noemt zich dienaars van de Heer, maar het zijn ‘zwartwerkers’ geworden, want zij werken in het verborgene en op onrechtmatige wijze voor een andere heer. Het woordje ‘overwinnaar’ komt in hun vocabulaire niet voor. Daarom wordt zelfs tegenwoordig als in Sodom de zonde openlijk goed gepraat: abortus, homofilie, ongetrouwd samenwonen, terwijl echtbreuk en echtscheiding als gangbare zaken in het leven worden voorgesteld en geaccepteerd.

In onze jaren dringt ook het Judaïsme met grote kracht de gemeenten binnen. Dit probeert het Jodendom te verbinden met het lichaam van Christus, dat zijn bestaan niet ontleent aan een natuurlijke afkomst, maar aan zuiver geestelijke waarden. Daarom wordt ook de leer van Paulus weer op allerlei manieren ondermijnd of verdraaid tot eigen verderf. Men stelt het zo dat het volk Israël onze oudste broer zou zijn met wie men dus verbonden is. Dit is dan toch wel in flagrante strijd met de leer van het Nieuwe Testament. Als gelovigen uit de heidenen zijn wij op natuurlijke wijze niet aan de Joden geparenteerd. In de geestelijke wereld bezitten wij maar één oudste Broer, namelijk Jezus Christus. Hij schaamt Zich immers niet ons broers te noemen (Hebr. 2:11). Deze Broer is in de hemel en hoort na zijn sterven en opstanding niet meer bij enig aards volk, maar Hij is Koning van het zuiver geestelijk Israël.

De 144.000 uit Israël

De geschiedenis herhaalt zich. Op de Pinksterdag begon een overblijfsel uit Israël geestelijk uit Jeruzalem te trekken en werd toen vervuld met de Heilige Geest. De apostel schreef daarom aan de christenen uit de heidenen: betekent nu de val van de Joden rijkdom en genade voor de wereld en hun tekort rijkdom voor de heidenen, hoeveel temeer hun volheid (Rom.11:12). Aan de volheid van de Joodse apostelen danken wij het eeuwige evangelie en door hun onderricht hebben wij zicht op de doop in Heilige Geest. Van hen hebben wij geleerd dat wij naar de volmaaktheid moeten streven en dat wij dit doel zullen bereiken, want ‘Die u roept, is trouw; Hij zal het ook doén’ (1 Thess.5:24). Onze Heer zal een gemeente voor Zich plaatsen, die stralend is, zonder vlek en rimpel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbesmet (Ef.5:27). Wanneer de late regen valt, zal een overblijfsel uit Babylon trekken, dat wil zeggen dat het de natuurlijke inzichten van deze stad zal loslaten en vernieuwd zal worden in zijn denken. In Openbaring 7 schreef Johannes over de 144.000 knechten van God, die aan hun voorhoofden werden verzegeld. Hun gedachtewereld komt dan overeen met het eeuwige reddingsplan van de Vader en met de leer van de Zoon, die eenmaal zei:  ‘Ik ben niet van beneden, maar van boven’ (Joh.8:23).

De 144.000 zijn verzegeld ‘uit alle stammen van de kinderen van Israël’. Wanneer wij de betekenis van deze uitdrukking verklaren willen, zullen wij de Openbaring met de Openbaring moeten vergelijken. Op de poorten van de stad van God staan de namen van deze ‘twaalf stammen van de kinderen van Israël’ geschreven (Openb.21:12). Deze namen geven te kennen wie binnen deze poorten wonen. In de tempelstad is het Israël van God, de gemeente van Jezus Christus, want op de fundamenten van de stad staan ‘de twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam’. Hier wonen dus de burgers van het Koninkrijk van God. Uit dit geestelijk Israël komen de 144.000, een symbolisch getal dat uitdrukking geeft aan de positie en de opdracht van deze ‘zonen van God’. In de laatste periode van de late regen trekken zij uit zoals eenmaal de twaalf apostelen. Zij hebben dezelfde opdracht ontvangen en dezelfde autoriteit. Het genoemde getal symboliseert een enorm veelvoud van dat van de apostelen. Deze ambassadeurs van de verhoogde Meester horen opnieuw de opdracht: ga heen in de hele wereld, verkondig mijn evangelie aan de hele schepping.

In het grote Babylon is het evangelie van het Koninkrijk der hemelen afgewezen net als dit eerder gebeurde in het antichristelijke Jeruzalem. Wanneer God in de laatste dagen op een zeer machtige wijze zijn Geest gaat uitstorten op alles wat (voor God) leeft, heeft het grote Babylon er geen deel aan. De aandacht van zijn orthodoxe burgerij is gericht op het natuurlijke herstel van een natuurlijk Israël en de onverschilligen onder hen zeggen al eeuwen lang: ‘waar blijft de belofte van zijn komst en de vervulling van zijn beloften?’

Een nieuw werkterrein

De 144.000 gaan naar de uiteinden van de aarde. Hier wordt niet mee bedoeld dat de Nederlanders naar Nieuw-Zeeland zullen trekken en de mensen daar een missiewerk in ons land beginnen, want dit heeft geen enkele zin. De pinksterbelofte is dat God in de laatste dagen zijn Geest zal uitstorten ‘op alle vlees’ of ‘op alles wat voor God leeft’. Dan zullen alle soorten volken en rassen, die niet bereikbaar waren, met ‘het evangelie van de heerlijkheid van Christus’ worden geconfronteerd. De heidenen zijn dan de voor de christelijke zending afgesloten gebieden en ook de onbereikbare klassen in de maatschappij. Daar zijn ‘de heggen en steggen en kruispunten van de wegen’. De prediking van de 144.000 wordt gevolgd door de tekens, die Markus 16:17,18 ons vermeldt. Bij de gebondenen en bezetenen worden de boze geesten uitgedreven en op zieken wordt in de naam van Jezus de handen gelegd tot genezing. Zij dringen als een reddingsleger zelfs door in de meest duistere plaatsen als vreugdeboden van een nieuwe tijd. Hun boodschap is zo krachtig en wordt zo ondersteund door de Pinkstergeest die altijd op zending was gericht, dat de onbereikbaren massaal worden gered.

Op het eerste Pinksterfeest telde men 3000 en later 5000 bekeerlingen, maar in Openbaring 7 lezen we, dat op de prediking van de 144.000 een menigte, die niet te tellen is, de tempel binnentrekt en voor de troon van God komt te staan. Zij komen uit alle volken en stammen en natiën en talen. In Openbaring 14 worden wij opnieuw door Johannes eraan herinnerd, dat de 144.000 hun opdracht hebben uitgevoerd om aan alle volken het eeuwig evangelie van Jezus Christus te verkondigen. In Openbaring 10 wordt vermeld dat het geheimenis van God m.b.t. de voltooiing van de gemeente, voleindigd zal worden. Om dit te bereiken moet Johannes profeteren over volken, natiën, talen en koningen. Dit laatste ziet dan op de wereldbeheersers van deze duisternis, wier macht in het hemelse Armageddon op deze wijze teniet gaat. Een ontelbare menigte trekt binnen, want het huis van God moet vol worden. Zij komen dan van Oost en West en van Noord en Zuid om aan te liggen in het Koninkrijk van God.

ALDUS wordt Israël behouden

In onze geest zien wij een onafwendbare stoet de tempel van God binnentrekken. Deze menigte is gevormd uit alle volken, alle standen, onder wie genezen zieken, beschadigden en geestelijk gestoorden. Allen zijn hersteld en vervuld met Heilige Geest door middel van de prediking van het eeuwig evangelie. Allen zijn nu gezalfde priesters, die hun dienst mogen verrichten in de woonplaats van God. Het moet toch duidelijk zijn dat de Heer zijn gemeente niet wegneemt naar veiliger oorden, maar haar juist inzet om ontelbaren nog op jet laatste moment te redden. Want hoe zullen zij dit eeuwige evangelie geloven, als de gemeente het hun niet verkondigt? Hoe zullen zij horen zonder predikers? Te midden van deze overwinnende christenen zien wij in de geest onverwacht een zeer grote groep Joden. Ook zij hoorden bij de buitenstaanders en onbereikbaren. Door hun onwil werden zij eens blind en doof met een verharding van hart. Het evangelie van het Koninkrijk echter zal deze bedekking van hun hart wegnemen. Israël zal eenmaal de kracht van Pinksteren zien en ervaren, want dit volk zal tot jaloersheid worden gebracht.

‘OP DEZE WIJZE’

In Romeinen 11:25,26 schreef Paulus: Ik zal jullie eens een groot mysterie openbaren en ik wil dat je dit nooit vergeet. Jullie christenen uit de heidenen moeten niet eigenwijs zijn en menen dat bepaalde mensen onbereikbaar blijven, want wie heeft de wil van de Heer weerstaan?’ Een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid van de heidenen – het Israël van God – binnengaat, en op deze wijze zal heel Israël behouden worden, zoals geschreven staat: Hij die bevrijdt zal uit Sion komen’. Eenmaal zullen velen uit Israël van het Judaïsme worden bevrijd teneinde deel te krijgen aan het rijk van God. Ook voor hen zal dan gelden: ‘Ik zal mijn wetten in hun verstand leggen en Ik zal die in hun harten schrijven en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot volk zijn’ (Hebr.8:10). Ook zullen zij dan niet meer spotten met het pinksterwonder, want ook zij zullen allen vervuld worden met de Heilige Geest en in allerlei talen spreken, zoals de Geest het hun zal geven uit te spreken.

Israël is op dood spoor gekomen en moet daarom geestelijk tot de buitenstaanders worden gerekend. Als echter de volheid van de gojim – zoals ook het Israël van God door hen wordt genoemd – binnengaat, zullen ook vele bekeerde Joden zich onder hen bevinden: ‘Maar ook zij zullen, wanneer zij niet bij hun ongeloof blijven(!), weer geënt worden’ (Rom.11:23). Nooit wordt echter een natie als volk in haar geheel behouden, maar slechts de individuen komen tot bekering. ‘Heel Israël wordt behouden’ zoals de hele mensheid in het gezin van Noach werd gered. De geschiedenis herhaalt zich, maar nu wordt de volheid van de heidenen tot zegen voor Israël. De belofte wordt vervuld:

  • ‘Veel dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning uit het huis van David en zonder de hemelvorst Michaël, die de zonen van het volk bij staat.’ Daarna zullen zij zich bekeren en de Heer hun God zoeken en hun Koning zien zitten op de troon van zijn vader David. In grote eerbied en blijdschap zullen zij komen tot de Heer en tot zijn redding in de toekomstige dagen, om het grote en laatste pinksterfeest vóór de komst van de Heer met het geestelijk Israël uit de heidenen te vieren (vergelijk Hosea 3:4).

Geboren wordt als op één dag

Is het mogelijk dat Israël zich bekeert, dat dit volk geboren wordt als op één dag (Jes.66:8)? Paulus antwoordt: zie maar naar mij, want ik was de grootste van de ‘vrome’ zondaars – en die zijn erg – maar God heeft mij barmhartigheid bewezen. Ik ben eigenlijk een ‘ontijdig geborene’ of te vroeg gekomen (1 Cor.15:8). Hierdoor ben ik een voorbeeld geworden voor wat later met veel van mijn broers en zusters naar het vlees zal gebeuren. Ik kan wel juichen bij dit heerlijke perspectief:

  • ‘Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen. Wie kent de gedachten van de Heer, wie was ooit zijn raadsman? Wie heeft hem iets gegeven dat door hem moest worden terugbetaald? Alles is uit hem ontstaan, alles is door hem geschapen, alles heeft in hem zijn doel. Hem komt de eer toe tot in eeuwigheid. Amen’ (vs.33-36).