1. De geest van het Judaïsme

<<<<< 

Joodse riten in het christendom

In Jeruzalem zou Paulus op een harde manier geconfronteerd worden met de geest van het Judaïsme. Met het Judaïsme bedoelen we de religie van de Joden, die gebaseerd is op de Mozaïsche voorschriften, rabbinistische leringen en het binnendringen van de joodse gebruiken en riten in het christendom, net als vandaag. Het Judaïsme eiste dat men eerst Jodengenoot zou worden, voordat men christen kon zijn.

IJveraars voor God

Paulus had, als zoon uit een Hebreeuws gezin in de verstrooiing, in Jeruzalem gestudeerd. Hij was daarom goed thuis in de Hebreeuwse en misschien zelfs de Aramese taal. Hij noemde zichzelf een Joodse man, die te Tarsus in Sicilië was geboren en opgevoed aan de voeten van Gamaliël. Hij was onderwezen naar de nauwkeurige wijze van de vaderlijke wet en noemde zich een ijveraar voor God. In de tempel had hij trouw deelgenomen aan het brengen van offers, totdat hem de ogen werden geopend voor het Lam van God, dat de verzoening was voor de zonde van de hele wereld.

Paulus, afgezonderd van zijn moeder

Paulus schreef in Galaten 1:15 dat hij van de schoot van zijn moeder was afgezonderd en dat het God had behaagd zijn Zoon in hem te openbaren. Het woord ‘afgezonderd’ heeft de betekenis van scheiding maken of separeren. Zo zonderde Petrus zich af van de heidenen, toen hij de tafel verliet waar hij met dezen zat, voordat de Judaïsten uit de kring van Jacobus waren gekomen. ‘De schoot van zijn moeder’ was een symbolische uitdrukking voor de opvoeding en religieuze kennis, die hij ooit te Jeruzalem had ontvangen. Na zijn bekering kreeg Paulus echter een andere moeder, namelijk het hemelse Jeruzalem. Dat was vrij van de wet en niet zoals zijn oude moeder in slavernij (Gal.4:25,26). Wanneer een christenjood de ceremoniële wetten, riten en uitleggingen van de rabbijnen bleef houden en volgen, leefde hij dus nog steeds in slavernij. Net als heel zich christelijk noemend Nederland vandaag! Nee, het was geen nostalgie die Paulus naar Jeruzalem dreef om nog eens te ruiken aan het wetticisme, waaraan hij eenmaal zwaar was gebonden. De apostel zou echter opnieuw op een keerpunt van zijn leven komen.

Christenen van dé weg

Na zijn roeping op de weg van Damascus kon van hem ook gezegd worden dat hij ‘van dé weg’ was, een typische uitdrukking voor die christenen, die radicaal met het oude hadden gebroken (Hand.9:2; 19:9,23; 22:4; 24:14,22). Deze nieuwe weg leidde naar de volmaaktheid, wat van de oude weg niet gezegd kon worden (Hebr.10:1). Op deze weg waren er mijlpalen waar hij bewust iets afwierp van het oude en zich vaster greep aan het nieuwe dat Jezus hem had geopenbaard. Ook Paulus moest in wijsheid en grootte en genade toenemen. In dit ontwikkelingsproces zou hij steeds minder compromissen met een ‘ander evangelie’ aangaan en zich steeds meer verdiepen in de geheimen van het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen wat Jezus Christus ons bracht.

Twee stromingen in het christendom

Een van de valse aanklachten tijdens het proces van Jezus voor de Raad, was, dat Hij gezegd zou hebben:

  • ‘Ik zal deze tempel, die met handen gemaakt is, afbreken en binnen drie dagen een andere, niet met handen gemaakt, bouwen’ (Marc.15:58).

Een merkwaardige beschuldiging, die in de zienlijke wereld een leugen was, terwijl zij toch een waarheid bevatte in de geestelijke wereld. Ook de apostelen hadden er aanvankelijk geen oog voor, dat bij het sterven van Jezus een engel het voorhangsel van boven naar beneden scheurde en daarmee aangaf, dat het oude verbond buiten werking was gesteld en een beter verbond was gekomen.

 Steeds maar die aardse tempel vasthouden. Tot aan vandaag!

De Pinksterdag had de beslissende scheiding met de tempeldienst moeten zijn, maar men bleef zich angstvallig verzamelen om dat trotse centrum van Joodse priesterdienst, dat geen heiden christen ooit zou wagen binnen te gaan. Men ging zich er zelfs op beroemen dat een ‘talrijke menigte van priesters gehoor gaf aan het geloof’ (Hand.6:7). Stel u voor: volgelingen van Jezus Christus gingen in priesterkleding dagelijks naar de tempel om daar de offers te brengen tot verzoening van de zonden. Hoe was het mogelijk dat christenpriesters ‘dagelijks dezelfde offers brachten, die nooit de zonden kunnen wegnemen’ (Hebr.10:11)!

Ook waren er Judaïsten die leerden:

  • ‘Als u zich niet besnijden laat naar het gebruik van Mozes, kunt u niet behouden worden.’
  • ‘Zij, die bij de partij van de Farizeeën onder de christenen hoorden, zeiden ook dat alle gelovigen zich moesten laten besnijden en de wet van Mozes houden (Hand.15:1,5).

Voor hen was het nieuwe wel gekomen maar ook het oude gebleven. Deze Christen Joden probeerden de nieuwe wijn van het evangelie van Jezus Christus in oude zakken te doen. Zij hinkten daarbij veelvuldig op twee gedachten.

Stefanus gestenigd door fanatieke Joden

Het is opmerkelijk dat Stéfanus en de mensen om hem heen wèl beseften dat de tempel had uitgediend. Hij moest als eerste martelaar sterven, omdat hij openlijk beleed:

  • ‘De Allerhoogste woont echter niet in tempels die met handen gemaakt zijn, zoals de profeet zegt: De hemel is voor Mij een troon en de aarde een voetbank voor Mijn voeten. Wat voor huis zult u dan voor Mij bouwen, zegt de Heer, of wat is de plaats van Mijn rust? Heeft Mijn hand niet al deze dingen gemaakt? Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren  u verzet u altijd tegen Gods Geest; zoals uw vaderen deden, zo doet u ook. Wie van de profeten hebben uw vaderen niet vervolgd? Zelfs hebben zij hen gedood die de komst van de Rechtvaardige aankondigden, van Wie u nu verraders en moordenaars geworden bent. U, die de wet ontvangen hebt door de dienst van engelen, hebt die niet in acht genomen!’ (Hand.7:48-53).

Stéfanus kwam hoogstwaarschijnlijk voort uit de vergriekste Joden uit het buitenland. Deze hadden in Jeruzalem hun eigen organisatie en synagogen (Hand.6:8). Hij vertegenwoordigde een richting onder de Griekse Joden, die volkomen openstond voor de leer van het eeuwig evangelie van het Koninkrijk van de hemelen dat Jezus had gebracht. Hij was bereid om de geheel nieuwe weg te gaan. Daartegenover stond een groep Griekse Joden, die fanatieker was dan de ‘ras’-echte Hebreeërs uit Jeruzalem zelf. Bij dezen hoorde Saulus van Tarsus, die een diepe afkeer koesterde van de buitenlandse Joden, die het niet meer zo nauw namen met de traditionele opvattingen. Hij achtte zich met de overige Griekse Joden door deze christen hellenisten zwaar gecompromitteerd en wilde deze smaad uit te wissen door een bloedige vervolging te ontketenen. Er is daarom sprake van een verdrukking ‘die in verband met Stéfanus plaats vond’ (Hand.11:19).

‘IJveraars voor de wet…’

De ‘wetsgetrouwe’ christenen ontkwamen echter aan deze vervolging. Zij hoefden de stad niet uit te vluchten, maar vormde een moedergemeente onder leiding van de apostelen, die in Jeruzalem bleven en daar hun hoofdkwartier hadden (Hand.8:1). Dezen werden ook allen ‘ijveraars voor de wet’ (Hand.21:20). Daar ging het al goed mis.

>>>>>