Op de grens van twee verbonden

  • ‘Nadat God voorheen vele malen en op vele wijzen tot de vaders gesproken had door de profeten, heeft Hij in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon, Die Hij Erfgenaam gemaakt heeft van alles, door Wie Hij ook de wereld gemaakt heeft’ (Hebreeën 1:1,2).

Tegenstellingen

In de eerste twee verzen van de Hebreeënbrief stelt de schrijver zich op de grens tussen het oude en het nieuwe verbond en toont zijn lezers zowel het ene als het andere verbond. In een aantal tegenstellingen, namelijk: voorheen tegenover deze laatste dagen; de vaders tegenover ons; de profeten tegenover de Zoon; laat hij zijn lezers duidelijk het grote verschil tussen deze twee verbonden zien. God had in het oude verbond veel en op allerlei manieren tot de voorvaders gesproken. Géén van de profeten had echter het volledige woord van God ontvangen; het woord was hun in veel delen, als het ware slechts fragmentarisch, geopenbaard. God sprak tot de vaders in hun tijd en gaf hun een woord voor een bepaalde situatie, maar het was geen woord voor alle tijden en alle situaties. De profeten werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf dienden, maar de gemeente (1 Petr.1:12). De fragmentarische openbaring zou door Heilige Geest in het nieuwe verbond pas in één verband worden gebracht. Zo spreekt God in het nieuwe verbond niet ‘in veel delen’, maar Paulus kan aan de oudsten van Efeze zeggen, dat hij niet heeft nagelaten, de gemeente al de raad van God te verkondigen (Hand.20:27). Het oude verbond is voor de schrijver van de Hebreeënbrief verbonden met ‘voorheen’ en met ‘de vaders’. Het nieuwe verbond spreekt echter vandaag en de toekomst, over de eindtijd.

  • ‘Als Hij spreekt over een nieuw verbond, heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart is niet ver van verdwijning’ (Hebreeën 8:13). De schrijver bepaalt zijn lezers bij deze laatste dagen, niet bij vroeger of bij de vaderen, maar hij richt hun blik vooruit, en ook wij zijn zijn lezers. ‘Niemand, die de hand aan de ploeg slaat en achterom kijkt, is geschikt voor het Koninkrijk van God’ (Lucas 9:62).

Tradities en ceremonieën, die horen bij het geestelijk leven uit een vervlogen verleden, bepalen ons niet bij vandaag, maar houden ons af van het Koninkrijk van God. De gemeente van vandaag is de gemeente van de eindtijd, waarin God rechtstreeks spreekt in en tot zijn zonen en dochters. In het oude verbond was de openbaring gebeurd aan de voorvaders en daarna is deze openbaring door overlevering van geslacht op geslacht doorgegeven. In het nieuwe verbond gaat het niet om overlevering of traditie, maar wordt de mens persoonlijk geroepen tot gemeenschap met de Vader door zijn Zoon Christus Jezus. Hij wordt niet gevormd door de traditie, maar hervormd door de vernieuwing van zijn denken (Romeinen 12:2). De godsdienst van de uitwendige, zichtbare dingen is overgegaan in de onzichtbare gemeenschap met de Zoon van God.

God sprak in het oude verbond in de profeten. Hij was in hen en zijn woord was in hen en zo openbaarde Hij Zich aan hen in een gezicht of sprak tot hen in een droom (Num.12:6). Voor het nieuwe verbond geldt echter: ‘Uw zonen en uw dochters zullen profeteren en uw jonge mannen zullen gezichten zien en uw ouderen zullen dromen begrijpen’ (Hand.2:17b). Wat in het oude verbond alléén voor de profeten was, is in het nieuwe verbond gegeven aan al Zijn zonen en dochters. Men was in het oude verbond geen profeet door geboorte, van nature, maar men werd het en wel door God geroepen. ‘Door de Heilige Geest geïnspireerd, hebben mensen van Godswege gesproken’ (2 Petr.1:21). In het nieuwe verbond is met de Heilige Geest ook de gave van de profetie gegeven aan al Gods zonen en dochters, aan allen die een nieuwe schepping zijn geworden in Christus. Daarom spreekt God in de laatste dagen ook in de gemeenschap van allen die de Zoon in zich hebben, in Zoon, dat is in de gemeente: ‘In Christus is geen sprake meer van mannelijk en vrouwelijk en daarom bidt en profeteert ook de nieuw geboren vrouw in de gemeente van God’ (1 Cor.11:5).

Erfgenaam

De Heer Jezus is de eniggeboren Zoon van God (Joh.1:18). Daarmee is Hij dus de erfgenaam van zijn Vader. Door het geloof in Christus Jezus zijn zeer veel zonen en dochters van God geworden (Gal.3:26). Paulus zegt: zijn wij kinderen van God, dan zijn wij ook erfgenamen en wel: erfgenamen van God en mede-erfgenamen met zijn Zoon (Rom.8:17). De Heer Jezus is de erfgenaam van alles, van alle dingen, zegt de schrijver van de Hebreeënbrief. Alle dingen zijn dus niet alleen door Hem (als de Christus in Gods plan), maar ook tot Hem geschapen (Col.1:16). Tot Hem, want alle dingen zijn geschapen om Hem tot erfdeel te zijn. God, onze Vader, heeft door zijn Woord echter ook de werelden (meervoud!) geschapen. God schiep hemel en aarde, eerst het onzichtbare, eeuwige en daarna het zichtbare, tijdelijke (2 Cor.4:18). Ook bij de nieuwe schepping zal dit zo zijn. God schept eerst de nieuwe hemel en dan de nieuwe aarde (Op.21:1). Beide zullen echter eeuwig blijven bestaan (Jes.66:22). Het woord hier voor wereld gebruikt is echter ‘aioon’ en dit duidt aan datgene, wat zich in het verloop van de eeuwen ontwikkelt. Toen de volheid van de anionen (het einde der tijden) was aangebroken, heeft God zijn Zoon uitgezonden (Gal.4:4).

De Zoon

  • ‘Hij, Die de afstraling van Gods heerlijkheid is en de afdruk van Zijn zelfstandigheid, Die alle dingen draagt door Zijn krachtig woord, heeft, nadat Hij de reiniging van onze zonden door Zichzelf tot stand had gebracht, Zich gezet aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen’ (Hebr. 1:3).

In het derde vers stelt de schrijver ons de Zoon voor in zijn wezen, zijn werk en zijn plaats. Het wezen van de Zoon wordt aangeduid door de relaties weer te geven, die Hij heeft tot de Vader en tot de schepping. Ten aanzien van zijn Vader is Hij de uitstraling van zijn heerlijkheid en de uitdrukking van zijn wezen en ten aanzien van de schepping draagt Hij alles door het woord van zijn kracht. De uitstraling of de glans is niet het licht zelf, maar zij wordt door het licht voortgebracht en bezit al de eigenschappen van het licht. God is Licht (1 Joh.1:5) en bewoont een ontoegankelijk licht (1 Tim.6:16). Zoals nu de Vader de bron van het licht is, straalt de Zoon dit licht uit. Hebben wij Jezus Christus aangenomen, dan zijn wij kinderen van het licht geworden (1 Thess.5:5). De Bijbel spreekt dan ook van God als Vader van de lichten (Jac.1:17).

Hebben wij gemeenschap met God, dus met het licht, dan ontstaat er een (onzienlijke) vrucht, die de vrucht van het Licht wordt genoemd, die bestaat uit goedheid, gerechtigheid en waarheid (Ef.5:9). De Heer Jezus is de uitstraling van de heerlijkheid van God, dat is zijn glans, zijn aanzien. Zijn wij kinderen van God geworden, dan zullen wij door zijn inwoning in ons ook die heerlijkheid van de Vader weerspiegelen (2 Cor.3:18). De Zoon is ook de uitdrukking van zijn wezen. Het woord voor uitdrukking is het Griekse ‘charakter’. Wij herkennen daarin ons woord karakter, dit is het eigenaardige. Het woord, hier weergegeven met ‘wezen’, is letterlijk vertaald ‘ondertoestand’, dit wil zeggen het diepste wezen, de kern van iets. In de Heer Jezus is dus de gehele persoon en persoonlijkheid, ‘het diepste wezen van de Vader zichtbaar uitgedrukt. Daarom geldt ook: ‘Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien’ (Joh.14:9).

Op aarde was de mens oorspronkelijk de uitdrukking van Zijn wezen (Gen.1:26). Over zijn betrekking tot de schepping draagt de Zoon alles door het woord van zijn kracht. Het ‘alles’ is hier ‘de werelden’ uit het voorgaande vers, terwijl het woord het uitgesproken woord is, dus niet het woord in de betekenis, zoals bijv. in Joh.1:1. De hele schepping is tot stand gebracht door het uitgesproken Woord, door de uitspraken van God (Joh.1:1; Gen.1:1; Hebr.11:3). De woorden van de Heer Jezus hebben nu dezelfde macht als die, waardoor de werelden zijn geschapen. Petrus spreekt het uit: ‘U hebt woorden van eeuwig leven’ (Joh.6:68). Ten aanzien van het volbrachte werk van de Heer wordt gezegd: ‘reiniging van de zonden tot stand gebracht hebbende’. De Zoon van God werd geopenbaard als het Lam van God, dat de zonde van de wereld zou wegnemen’ (Joh.1:29) en de werken van de duivel zou verbreken. De Verlosser heeft dit werk volbracht, door Zichzelf vrijwillig als offer te stellen en zo door zijn offer de zonde weg te doen. Hij droeg onze zonden en betaalde onze zondeschuld (1 Cor.6:20). Zijn bloed reinigt ons van alle zonde.

‘In de hoogte’

Ten aanzien van de plaats van de Zoon wordt tenslotte vermeld, dat Hij Zich zette aan de rechterhand van de majesteit ‘in de hoogte.’ In het oorspronkelijke komt duidelijk tot uitdrukking, dat het zich zetten een éénmalig feit is. Met majesteit is hier God bedoeld, zoals volgt uit Hebr.10:12. Merkwaardig is de uitdrukking die de schrijver gebruikt voor ‘in de hoogte’. In het oorspronkelijke staat er letterlijk ‘hogen’ een meervoudsvorm van het bijvoeglijke naamwoord ‘hoog’. Men zou hier kunnen vertalen ‘in hoogten’. De Heer Jezus is opgestaan uit de doden en heeft Zich aan de rechterhand van God gezet in de hemelse gewesten (Ef.1:20). Na zijn overwinning op de dood is de Heer Jezus op een heel nieuwe, hogere plaats gekomen, die Hij als mens niet bezat, namelijk aan de rechterhand van God. Het is een machtsplaats in de hemel, van waaruit Hij Gods zonen en dochters door de strijd heen leidt tot de volkomen overwinning. Van hieruit spreekt Hij tot hen en bemoedigt Hij hen in de strijd (Hebr.12:25). De schrijver van de Hebreeënbrief ziet dit geweldige perspectief en telkens weer herinnert hij zijn lezers aan de geweldige machtspositie van de opgestane en levende Heer (Heb.8:1; 10:12; 12:2). Wij willen met de schrijver onze blik gevestigd houden op de Heer, die door alle strijdgewoel heen duidelijk zichtbaar blijft, in de rust op de overwinnaarsplaats!