Israël en Moab

Tel Aviv nu –  Israël en de volken als beeld

In het afscheidslied van Mozes wordt vermeld dat God de grenzen van de volken vaststelde ‘naar het aantal zonen van Israël’ (Deut.2:8). Om Israël waren allerlei volken gegroepeerd. Sommige woonden aan de grenzen en andere in ver afgelegen landen. Het dichtstbij woonden de broedervolken zoals Ammonieten, Moabieten en de Edomieten op het gebergte Seïr. Verder weg leefden de Syriërs, Assyriërs, Babyloniërs, Meden en Perzen. Wanneer de profeten uitspraken doen met betrekking tot de ondergang van deze volken, blijft het woord van Petrus van kracht, dat zij over de voor ons bestemde genade profeteerden:

  • ‘Hen werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met deze dingen’ (1 Petrus 1:10-12).

In het Oude Testament ligt de blauwdruk van Gods reddingsplan voor de wereld, die in het Nieuwe Testament in de volheid van de tijd geconcretiseerd begon te worden. Zoals Israël de schaduw is van het volk van God in het nieuwe tijdperk, zo zijn de volken erom heen beelden van groeperingen van satans demonenhorders. Hun legers zijn in een voortdurende strijd gewikkeld met het Israël van God, de ware gemeente van Jezus Christus. Wat in het oude verbond in de zichtbare wereld plaats vond, symboliseert in het nieuwe verbond de strijd in de hemelse gewesten. Zo zijn ook de geschiedenissen van de heidense volken de illustraties en typen van de hemelse werkelijkheid. De Filistijnen zijn bijvoorbeeld het beeld van een volk in een volk. Zij kwamen niet als pelgrims in Kanaän door de Rode Zee en door de Jordaan, maar zij kwamen uit Egypte en uit Kreta (Kaftor) langs een andere weg als zwervers over zee. Daarom is dit volk type van de dief en de rover binnen de omgrenzing van het volk van God (Joh.10:1). In dit artikel willen wij ons bij Moab bepalen.

Bloedschande

Lot, de vader van Moab, was wel aan het verderf ontkomen, maar zijn wandel was niet in de hemel door het geloof. Hij wilde de beste stukken land op aarde bezitten: Daarom woonde hij ook in Sodom. Zijn rechtvaardige ziel werd wel gekweld vanwege de goddeloosheid van de Sodomieten, maar door zijn aanwezigheid veranderde er in deze stad helemaal niets. In het zogenaamde christendom komen typen als Lot veel voor. Zij roepen ach en wee over de zonde van hun tijd en in hun plaats. Als een stem in de woestijn weten zij alle slechtheid en gemeenheid van hun medemensen uit te meten. Hun boeteprediking is geliefd bij vrome zielen, maar er verandert niets door hun woorden en schrijfsels. Hetzelfde kan men jarenlang aanhoren, zonder tot bekering of verlossing te komen.

Lot sprak waarschijnlijk ‘dag aan dag’ al zuchtende over het kwaad dat hem omringde, maar er kwam in Sodom geen opwekking en zijn eigen gezin was één grote, geestelijke puinhoop. Lot was geen strijder, maar een klager en geen overwinnaar. Daarom viel hij in grote zonden. Hij stootte zich wel aan het kwaad van de Sodomieten, maar liet zich zelf dronken voeren en pleegde toen incest (bloedschande), want vrome geesten horen altijd bij de onreine geesten. Door deze gemeenschap met zijn dochters kreeg Lot twee zonen. De oudste heette Moab, zoon of ‘zaad van de vader’ en de jongste Ammon, ‘groot volk’. Uit deze zonen ontstonden de Moabieten en de Ammonieten. De Moabieten hoorden niet bij de ver afgelegen volken, zij waren een grens- en broedervolk. Zij waren zaad van de vader, maar geen zaad van Abraham, de vader van de gelovigen. Zij zijn dus het beeld van een christendom dat net echt lijkt, maar dit niet is.

De ware gemeenschap met God wordt uitgebeeld door het huwelijk van man en vrouw. Gods Geest begeert met jaloersheid de geest, die Hij in ons deed wonen. Iedere verbinding van de geest van de mensen buiten God, schendt het beeld van dit geestelijke huwelijk. Ook symboliseert iedere schending van het natuurlijke huwelijk een aantasting van de gemeenschap tussen God en de menselijke geest. Voor wat betreft de geestelijke betekenis van de zonde van Sodom is de mens godsdienstig, onderhoudt uiterlijke vormen, bezoekt zijn kerk of tempel, maar doet dit niet voor God, maar zoals Jezus zei: ‘om door de mensen gezien te worden.’ Zijn religie duidt dus niet op een gemeenschap met God, maar wordt beleefd vanwege zijn soortgenoten en zijns gelijken. In diepere zin is dus zijn godsdienst het zoeken van contact met de mens om elkaar te behagen en ‘eer van elkaar aan te nemen’. Wij denken hier bijvoorbeeld aan de dorpsgemeenschappen waar men geen kerkdienst durft te verzuimen om niet in opspraak te komen. Ook aan het feit dat velen zich niet Bijbels durven laten dopen om niet uitgestoten te worden in hun kerk of hun familie. Deze vorm van godsdienst brengt geen vruchten voort in de geestelijke wereld, zomin de homoseksualiteit dit kan in de natuurlijke. Zo is overspel het beeld van de gemeenschap van de mens met satans demonen in plaats van met God. Afgoderij wordt daarom steeds met echtbreuk vergeleken.

Bij bloedschande is geen sprake van homoseksualiteit, maar het is een vorm van overspel. In plaats dat de vrouw gemeenschap met haar man heeft, zoekt zij die met een andere. Deze is dan echter geen vreemde, maar hij is een bloedverwant. Geestelijk gezien is bloedschande gemeenschap hebben met die boze geesten, die dicht bij de Heilige Geest staan, namelijk met de zogenaamde vrome geesten. Deze geestelijke bloedschande doet het beeld van de ware gemeenschap met God teniet. Zij brengt wel vrucht voort, maar die van een onwettige geboorte. Het echte kind van God wordt geboren uit de Vader in de hemel, want die uit God geboren zijn, zijn kinderen van God. Door het contact met vrome geesten komt men echter tot het aanvaarden van een verbondsmatige geboorte vanuit het natuurlijke geslacht. Er wordt dan niet gesproken over nieuwe geboorte, maar over ‘gelovige ouders’ (zaad van de voorvaders) en over de ‘kerk van de voorvaders.’

Kenmerken van Moab

  • ‘Moab (en ook Seïr) heeft gezegd dat het volk van Juda niet anders is dan alle andere volken. Daarom zal Ik de steden op de berghellingen van Moab verwoesten, alle steden, tot de laatste toe. Ook de allermooiste zullen ten onder gaan: Bet-Hajjesimot, Baäl-Meon en Kirjataïm’ (Ez.25:8,9).

Wij kennen de uitdrukking van vrome geesten, dat het huis van Juda is als alle andere volken. Zij loochenen het verschil tussen de opnieuw geboren en Geestvervulde kinderen van God en hen, die zij in hun greep hebben. De Heidelberger leert dan ook:

  • Allen zijn gelijk.
  • Allemaal zondaars tot de dood.
  • Allen zondaars voor God.
  • Niemand is volmaakt.
  • De rechtvaardige is toch tot alle kwaad geneigd.
  • De allerheiligste heeft nog maar een klein beginsel van gehoorzaamheid.
  • Hoe kan men weten dat men een kind van God is?
  • Zo gemakkelijk gaat het niet!
  • Wij zien alleen maar de onderkant van het borduurwerkje.
  • Een deurmatje zijn is echt voldoende.
  • Onze beste werken in dit leven zijn alle onvolkomen en met zonde besmet.

Rome en de Bijbelbelt geven zelf geen enkele redding en zekerheid, dus anderen hebben dit ook niet!

  • ‘Of was voor u (Moab) Israël niet het voorwerp van spot; is het onder dieven betrapt, dat u, zo vaak u erover sprak, met het hoofd ging schudden?’ (Jeremia 48:27).

Israël beweert wel het eigendom van de Heer te zijn en het uitverkoren volk, maar dat is diefstal. Met het hoofd schuddend spreekt men over ‘een gestolen Jezus.’ Zij die zo zeker zijn bij het ware Israël te horen, lopen immers gevaar ‘met een ingebeelde hemel naar de hel gaan.’ Een duidelijk voorbeeld van de leringen van een vrome geest vinden wij in Job 4:15-21. Een geest gleed aan Elifaz, de vriend van Job, in de nacht voorbij, die het haar van zijn lichaam te berge deed rijzen. De vage gedaante sprak met fluisterende stem: ‘Een adem streek langs mijn gezicht en de haren rezen mij te berge. Een verschijning doemde op, een gestalte voor mijn ogen. Stilte – en toen zei een zachte stem: ‘Kan een mens zich gedragen zoals God het wil, kan iemand zonder smet zijn voor zijn schepper?’ Zelfs in zijn dienaren stelt God geen vertrouwen, ook bij zijn engelen bespeurt hij nog gebreken. Hoeveel te meer dan bij de mens, wonend in zijn huis van leem, met fundamenten in het stof. Hij is een mot: men drukt hem dood. Van de ochtend tot de avond afgepijnigd gaat hij ongemerkt ten onder, voor eeuwig weggevaagd. De koorden van zijn tent zijn losgerukt, hij sterft en heeft de wijsheid niet gekend.’

Hoe anders klinken de woorden van onze Heer Jezus tot zijn leerlingen: ‘U bent nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb’. De apostel deelt mee, dat ons fundament niet in het stof ligt, maar in de onzichtbare wereld. Wij zijn een nieuwe schepping (2 Cor.5:17). Wij zijn gezuiverd van besef van kwaad (Hebr.10:22). Wij zijn gerechtvaardigd door het geloof (Rom.5:1). De Bijbel spreekt over de engelen als krachtige helden, die zijn woord volvoeren en luisteren naar de klank van Gods woord en als dienaars die zijn wil volbrengen (Ps.103:20,21). De engelen hebben geen dwaling, ongehoorzaamheid of een klein beginsel van gehoorzaamheid:

  • ‘Moab had vanaf zijn jeugd geen zorgen, het was als wijn die op zijn droesem rustte. Nooit werd het van het ene in het andere vat gegoten, nooit ging het in ballingschap. Daarom is zijn smaak zo goed gebleven, is zijn geur zo onbedorven’ (Jer.48:11).

Vrome geesten koesteren de wet van de Sinaï, maar de wet van de Geest van het leven die vrij maakt van de zonde, kennen zij niet. Moab ligt op zijn droesem en is niet overgegoten van het ene vat in het andere. De tijd van het nieuwe verbond is gekomen, maar zij houden rustig aan het oude vast. Heel hun geestelijke instelling is verbonden aan de droesem van het Oude Testament en hun innerlijk heeft geen deel aan het leven, zoals de evangeliën dit openbaren. Moab blijft zoals het is. Het is na honderden jaren nog precies hetzelfde! Vrome geesten beroepen zich op ‘leringen van de voorvaders’. Zij houden de traditie vast. Hun kerken kenmerken zich door conservatisme. Zij veranderen niet in leer, liturgie en zeden. Daarom is ‘zijn smaak gebleven en is zijn geur niet veranderd.’ Maar het is een doodslucht die hem omgeeft, want wat leeft, verandert dagelijks. Paulus zegt: ‘Wij veranderen van heerlijkheid tot heerlijkheid.’ Jezus zegt: ‘Wie achterom kijkt, is niet geschikt voor het Koninkrijk van God.’ Vrome geesten dulden nooit dat men het bestaande aantast. Daarom verliezen zij nog wat zij bezitten:

  • ‘Maar de dag zal komen – spreekt de Heer – dat ik wijnmeesters zal sturen die de wijn gaan overgieten, de vaten zullen legen, de kruiken zullen stukslaan’  (Jeremia 48:12). ‘Want om uw vertrouwen op uw werken en op uw schatten zal ook u gegrepen worden’ (Jeremia 48:7).

Net als Moab, vertrouwen vrome geesten op hun werken, die zij in deze wereld verrichten. Zij onderhouden dagen, maanden, vaste tijden en jaren. Zij laten zich ‘geboden opleggen: raak niet, smaak niet, roer niet aan’ (Col.2:20-23). Zij hechten aan kleding, zangkoren, ernst, vormen en inzettingen, die alle wel een schijn van vroomheid hebben, maar voor het Koninkrijk van God geen enkele waarde hebben. Ook gaan zij prat op hun schatten, op die van het verleden in kerkgeschiedenis, dogmatiek en theologie, maar ook op die van vandaag: aan invloed in politiek, wetenschap en maatschappelijk leven, aan macht: om zich in deze wereld te laten gelden en tal van andere aardse bezittingen als imposante kerkgebouwen en lange ledenlijsten. Om dit alles zijn vrome geesten ook zeer hoogmoedige geesten:

  • ‘Wij hebben gehoord van Moabs trots, van zijn grenzeloze hoogmoed, van zijn arrogantie, zijn hooghartigheid, zijn overmoed en zijn gezwets, waarin geen waarheid is’ (Jesaja 16:6).

Zij bezitten de ‘druivenkoeken van Kir-Charesets’ en de ‘wijngaarden van Chesbon’, die de heersers dronken maakten en reikten vanaf de Syrische woestijn tot aan de Dode Zee (Jesaja16:7,8). Hun plaatsen hadden alle dierbare en geliefde namen. Dibon: wenende, een teken van vroomheid. Bamoth: hoge plaatsen; Medeba: wateren der rust; Chesbon: wijsheid; Elealé: waar God nederdaalt; Sibma: liefelijke geur; Jaëzer: Hij die hulp verleent. Maar het zijn alleen maar woorden. Vrome machten hebben wel dierbare uitdrukkingen, maar zij hebben geen kracht en geen leven:

  • ‘Mannen uit Moab, hoe durven jullie te beweren: Wij zijn eersteklas soldaten, heldhaftig en strijdlustig? In de schaduw van Chesbon staan vluchtelingen zonder kracht’ (Jer.48:14,45). Hun volgelingen hebben immers geen geestelijke wapenrusting. Zij moeten vlees tot hun arm stellen. Maar deze arm wordt gebroken (Jer.48:25).

De dag van de nood komt. Dan wordt gezien wie Moab eigenlijk is:

  • ‘Dibon trekt op naar de tempel en heft op de offerhoogten een weeklacht aan, Moab jammert over de Nebo en over Medeba. Ieder hoofd is kaalgeschoren, elke baard is afgeknipt. In de straten dragen allen een rouwkleed, overal, op daken en pleinen, klinkt gejammer, in tranen gaat men over straat. Chesbon en Elale schreeuwen het uit, tot aan Jahas klinkt hun klagen. De soldaten van Moab sidderen en beven, ze zijn verlamd van angst’ (Jes.15:2-4).

Wanneer het gevaar nadert, begint het vrome volk boete te doen en te huilen. ‘Daarom maken Moabs gewapenden alarm, zijn moed begeeft hem.’ Er is geen kracht om de vijand te weerstaan en zij worden ingenomen door Babel en ondanks hun vroom en ‘ijdel gezwets’ ingekapseld in dit grote rijk, de grote hoer en wereldkerk die allen incorporeert van wie de wandel niet in de hemel is. Het typische kenmerk van vrome geesten is, dat zij in noodsituaties huilen, of kermen, of schelden. Zij zuchten dierbaar of spuwen vuur. Maar heel dit gedoe zakt in de tijden van het oordeel als een kaartenhuis in elkaar. Moab is niet bestand tegen de overheersing van Babel. Deze ontrouwe wereldkerk zal alle gemeenschappen opslokken, die slechts de uiterlijke vormen hebben gekend, maar niet de ware gemeenschap met God.

De aanval van Moab weerstaan

Moab probeerde het volk van God op zijn tocht naar Kanaän tegen te houden en te vernietigen met behulp van een gehuurde profeet! Zelf miste het volk Israël het contact en de kracht in de hemelse gewesten. Maar God beschermde zijn volk, want Bileam moest zegenen in plaats van vloeken. Ook ten tijde van Josafat, koning van Juda, trokken de Moabieten en Ammonieten ten strijde (2 Kron.20). Een grote menigte overviel het ware volk van God. De koning zag dat hij niet opgewassen was tegen deze massa’s. Hij wist niet wat te doen. Moab is groot en talrijk, beeld van die kerk of geestelijke gemeenschap waar de mens niet veranderd wordt, maar vrijblijvend kan rondhangen.

Hoe kan men deze imitatie en schijnvroomheid overwinnen? Josafat zei: ‘Maar op U zijn onze ogen gevestigd.’ ‘Toen kwam in het midden van de gemeente de Geest van de heer op de Leviet Jahaziël (wie God ziet)’. Dit is het antwoord in de strijd. Dit is Pinksteren. ‘Uw zonen en dochters zullen profeteren’. De strijd is immers niet tegen vlees en bloed, maar in de hemelse gewesten. Zie dit door de Geest geleide leger uittrekken: ‘En de Levieten, behorende tot de Kehathieten en de Korachieten, stonden op (niet om boete te doen, maar:) om de Heer, de God van Israël, met zeer krachtige stem te loven.’ Het vasten dat voorafging, was geen boete doen, maar om hun stem in den hoge te doen horen. De muren van Jericho vallen door gejuich als bewijs van geloof. Daarom zei Josafat: ‘Geloof in Gods profeten en U zult voorspoedig zijn’. Zie dit leger tegen Moab en Ammon (groot volk) uittrekken. Nadat de koning het geloof van het volk gepeild had, behaalde hij de overwinning in de hemelse gewesten. Want aan de spits van het leger gaan:  ‘de mannen die de Heer een lied zongen en Hem loofden in heilige feestkleding, terwijl zij voor de gewapenden uittrokken en zeiden: Looft de Heer, want zijn goedheid is tot in eeuwigheid.’

Als deze stoottroepen van het reddingsleger hun jubel aanheffen, is de overwinning een feit geworden. Moabieten, Ammonieten en Edomieten raken met elkaar slaags en het volk van de Heer hoeft niet anders te doen dan de buit te verzamelen. Zo kwamen zij ‘naar het huis de Heer met harpen, citers en trompetten. En de schrik van God viel op al de koninkrijken in omliggende  landen.’

De weg tot ontkoming

Is er voor Moab redding? Zeker wel. Ondanks ‘zijn groot rumoer’ zal een rest gespaard worden. Wanneer de verwoester komt, staat het ware, geestelijke Israël sterk. Daarom: ‘Heersers van het land, zendt de lammeren van de rotsen de woestijn in naar de berg van de dochter van Sion’ (Jes.16:1). Stuur ze naar het eeuwig evangelie! Deze boodschap redt, bevrijdt, vervult en geneest. Wat voor Moab gezegd wordt, geldt voor veel broedervolken op het moment dat Gods zonen geopenbaard worden en het evangelie van het Koninkrijk prediken:

  • ‘Maar eens zal ik in Moabs lot een keer brengen in de laatste dagen – spreekt de Heer’ (Jer.48:47). In die laatste dagen zal God immers van zijn Geest uitstorten op alles wat (voor God) leeft. Dan zal het mogelijk zijn dat ieder wie de naam van de Heer aanroept (voorwaarde), behouden zal worden (Hand.2:21).