Hoe word ik uitverkoren?

Romeinen 9

Omdat de discussies over het land Israël met zijn vooral Joodse inwoners en de omringende islamitische landen, vrijwel dagelijks aan 8 miljard mensen wordt voorgeschoteld, laten wij de ex-farizeeër Paulus aan het woord. Deze Schriftgeleerde, die een leerling was geworden van het koninkrijk der hemelen kan als ‘uitverkoren instrument van Jezus Christus’ (Hand.9:15), een uitstekend inzicht geven in het plan van God met de mens. In dit geval de Jood én de heiden.

Petrus heeft eens de opmerking gemaakt dat onkundigen en instabiele personen de woorden, die Paulus geschreven heeft, tot hun eigen verderf verdraaien. In veel streken van de wereld misbruiken mensen die bepaalde teksten uit Romeinen 9 door deze als een barrière op de weg van het leven plaatsen. Ze zijn onkundig, want zij hebben geen kennis van het Koninkrijk van God of de hemelse gewesten. Het resultaat is dat velen van hen niet tot bekering kunnen komen en het rijk van God niet binnengaan. Romeinen 9 maken zij tot een fundament van hun leer, dat God van eeuwigheid sommigen verkiest tot eeuwig leven en anderen tot eeuwig verderf. Zij spreken over de vrijmachtige beschikking van God, waardoor de ene mens van eeuwigheid bestemd is tot behoud en de andere voorbeschikt is om verloren te gaan. Zij sluiten hiermee het Koninkrijk van God toe voor velen. In een ‘wee u’ zei onze Heer:

  • ‘Immers, u gaat er niet binnen en die proberen binnen te gaan, laat u niet toe daarin te komen’ (Matth.23:13).

Wanneer Tertius de laatste machtige slotzinnen van hoofdstuk 8 neergeschreven heeft, legt hij de schrijfstift neer. In het eenvoudige vertrek te Corinthe daalt een stilte neer. Paulus denkt na over hen, die bestemd zijn tot gelijkvormigheid aan het beeld van de Zoon, aan de uitverkorenen van God, tegen wie elke beschuldiging en aantijging van de hand gewezen wordt. Dan ziet hij zich teruggeplaatst onder zijn broers naar het vlees. Heel lang was hij een leider van het Joodse volk. Waarom waren hem nu de ogen geopend en waarom waren de anderen blind voor de man van Golgotha? Had God met Israël afgerekend? Hadden de beloften van God gefaald bij een volk, dat zulke grote toezeggingen ontvangen had? Was zijn evangelie niet de totale afbraak van het nationale verbondsvolk, waar hij toch zelf bij hoorde? Dan komt opnieuw de Goddelijke inspiratie over de ‘heidenapostel’:

1,2: ‘Omdat ik één ben met Christus spreek ik de waarheid en mijn geweten, geleid door Gods Heilige Geest, is mijn getuige dat ik niet lieg: ik ben diepbedroefd en word voortdurend door verdriet gekweld’.

Hij spreekt de waarheid in Christus, dat wil zeggen in diens lichaam zijnde en in zijn woorden blijvend. Hij doorziet het grote plan van God, waarin Christus centraal is. Het is de waarheid van het nieuwe verbond en die van het geestelijke Israël. Hierin is geen plaats meer voor het natuurlijke volk en daarom is in zijn hart, dat vol hemelvreugde is, groot verdriet.

3: ‘Om mijn volksgenoten, de broers en zusters met wie ik mijn afkomst deel, zou ik bijna bidden zelf vervloekt te worden en van Christus gescheiden te zijn’.

Paulus wenste wel anathema te zijn, een vervloeking, ten behoeve van zijn volk. Zoals Christus een vervloeking was geworden om de wereld te redden, zo wilde Paulus dit worden uit liefde voor zijn volksgenoten. Hij wenste als Christus deze eeuwige scheiding met God te ervaren om hen allen te redden, maar er is geen plaatsvervangende scheiding mogelijk. Jezus kocht Paulus met zijn bloed; en alleen diegenen die Hem aannemen, hebben toegang tot de Vader.

4,5: ’Om hen, de Israëlieten, die God als zijn kinderen heeft aangenomen en aan wie hij zijn nabijheid, de verbonden, de wet, de tempeldienst en de beloften heeft geschonken; om het volk dat van de aartsvaders afstamt en waaruit Christus is voortgekomen. God, die boven alles verheven is, is geprezen tot in eeuwigheid’.

Vroeger was Israël het middelpunt. God had een claim op dit volk. Het was zijn erfdeel. Israël was een vorst van God en zijn nakomelingen werden een koninklijk geslacht genoemd. Israël was Gods eerstgeborene en de heerlijkheid, de sjechina, was in de tabernakel of tempel en geestelijk rustte deze heerlijkheid ook op het volk. God had zijn verbond gesloten met Abraham, met Izak, met Jacob, met Pinehas (Num.25:13) en met David. Het eens weerspannige volk in de woestijn, ontving zelfs wetten om hen bij de hand te nemen, een eredienst en het ritueel met goddelijke symboliek. Israël had de beloften van een land en van de gunst van God. Het kwam voort uit de patriarchen en onder hen waren de priesters, de koningen, de profeten en de Bijbelschrijvers. Bovenal werd uit Israël Jezus de Gezalfde geboren, want de redding is uit de Joden. Paulus denkt aan dit merkwaardige, uitverkoren volk, waar hijzelf ook bij hoorde en zijn ogen schieten vol tranen. Gaat nu dit volk zijn speciale positie verliezen? Falen de beloften van God of heeft men er soms een verkeerde interpretatie aangegeven?

6-8: ’God heeft zijn belofte niet gebroken. Want niet alle Israëlieten horen werkelijk bij Israël, niet alle nakomelingen van Abraham zijn ook werkelijk zijn kinderen. Er staat immers geschreven: ‘Alleen de nakomelingen van Isaäk zullen gelden als jouw nageslacht.’ Dat wil zeggen: ze zijn niet door hun natuurlijke afstamming kinderen van God, maar gelden als nageslacht van Abraham op grond van Gods belofte’.

Paulus constateert dat als Israël als volk in zijn geheel niet behouden wordt, dit ook nooit het geval was. Want niet allen die van Israël afstammen, zijn Israël: Ook niet allen die van Abraham afstammen, zijn kinderen van Abraham. Vanaf het begin was er dus een selectie bij God. Er zijn natuurlijk kinderen en geestelijke kinderen. Er is vlees en er is geest. Nooit wordt de mens automatisch een geestelijk kind van Abraham. Ook niet in de vele Bijbelbelten vandaag, waar dit met de paplepel wordt ingegeven. Alles hangt af van de goddelijke keuze, van de beloften die de Heer gedaan heeft en waarmee een mens alleen door zijn gelóóf is verbonden.

Over Ismaël was geen belofte uitgesproken en daarom had hij niets, waaraan hij zich kon vastgrijpen. Niet Hagar, niet Ketura, maar Sara zou een zoon hebben. Wat had Hagar daarom moeten doen? Omdat zij zich niet beroepen kon op een belofte, hadden zij en haar zoon zich moeten onderwerpen aan hem, die de belofte had, net als alle ingezetenen van Abrahams huis. Izak en zijn geslacht waren verkoren, opdat in zijn zaad de hele aarde gezegend zou worden. De laatste en eeuwige keuze die God doet, is zijn Zoon. ‘Totdat het zaad zou komen, waarop de belofte sloeg’ (Gal.3:19).

Het ware nageslacht ontstaat dus niet door natuurlijke afstamming of door natuurlijk recht, maar alleen zij horen erbij die de belofte in het geloof aangegrepen hebben.

Sara en Abraham hielden de belofte vast. Zij volgden niet hun verstand en niet hun gevoel, maar zagen dat de geestelijke weg, die van het geloof, een bovennatuurlijke weg is. Het ware zaad van Abraham wordt altijd op bovennatuurlijke wijze geboren. God had aan Abraham en Sara de belofte gegeven en zij hebben ‘tegen hoop op hoop geloofd’. Men kan niet in God geloven zonder dat Deze eerst gesproken heeft. Misschien zegt men: ‘Dat is zo’n gelovige man of zo’n gelovige vrouw’, maar onmiddellijk komt de vraag: wat gelooft hij of zij dan? Aan welke woorden van God klemmen zij zich vast? Het geloof van Abraham en Sara had in de belofte een vaste grond. God had gesproken en zij geloofden. Men kan niet geloven zonder het woord van God vast te grijpen en als God niet gesproken heeft, valt er ook niets te geloven. Kinderen van de belofte zijn dus zij, waarover God gesproken heeft, waaraan Hij zijn belofte geschonken heeft en die daarop antwoorden door geloof. Hieruit volgt dat in Israël altijd een geestelijk volk aanwezig geweest is, dat door het geloof een plaats had in het Koninkrijk der hemelen en dat met Abraham, Izak en Jacob zal aanzitten (Matth.8:11).

Als íets een belofte is, dan zijn het deze woorden: ‘Over een jaar kom ik terug en dan heeft Sara een zoon.’ Sterker nog, Rebecca was van onze vader Isaäk zwanger van een tweeling en al voor ze geboren waren en nog niets goeds of slechts hadden gedaan, werd haar gezegd: ‘De oudste zal de jongste dienen.’ Gods besluit blijft namelijk van kracht: God kiest een mens niet uit op grond van zijn daden, maar omdat Hij hem roept. Zo staat er ook geschreven: ‘Jakob heb ik liefgehad, Esau heb ik gehaat’. Het vleselijke patroon komt bij God niet in aanmerking. Hij doet telkens een keuze, die Hij door een belofte openbaar maakt. Dit was niet alleen zo bij Izak, maar hetzelfde zien wij bij de kinderen van Rebecca. Gods keuze is Jacob en dit niet, omdat deze beter was dan zijn broer of op grond van zijn werken, maar omdat al voor zijn geboorte God hem had uitgekozen en dit aan Rebecca had bekend gemaakt.

Dezelfde verkiezende genade vinden wij terug bij de zonen van Jacob. Wanneer het van willen of werken had afgehangen, zou Jacob wel Jozef en Benjamin gekozen hebben, maar God deed hem het profetische woord spreken: ‘Juda, jij bent het, jou zullen je broers loven’ (Gen.49:8). De belofte was voor Juda. Gods belofte werkt altijd toe naar hét Zaad. Uit de geslachten van Juda kiest God het huis van Isaï en daaruit het geslacht van David. Het uitverkoren volk groepeerde zich rond hen, die de belofte hadden. Wat had Ezau moeten doen? Hij had zich moeten onderwerpen en zich moeten aansluiten aan Jacob. Dan had hij meegedeeld in de zegen.

Wij zien dit al bij Lot en Abraham. Abraham had de belofte en Lot niet. Daarom had Lot bij Abraham moeten blijven en geen eigen weg moeten gaan. De scheiding tussen Abraham en Lot was de oorzaak, dat het Lot slecht verging. Rachab de hoer had geen enkele belofte, maar zij voegde zich in het volk Israël. Zo werd ook zij een moeder van de Heer. Welke belofte had Ruth, de Moabitische? Geen enkele! Maar zij hechtte zich aan Naomi en het volk van God. Zij zei: ‘Want waar u heengaat, zal ik heengaan, en waar u zult overnachten, zal ik overnachten: uw volk is mijn volk en uw God is mijn God’ (Ruth 1:16). Zo kreeg Ruth deel aan de zegen van Israël en ook haar naam komt voor in de geslachtsregisters van onze Heer. Van Mozes wordt gezegd, dat hij door het geloof weigerde door te gaan voor een zoon van Farao’s dochter. Jonathan, de zoon van Saul, kende de belofte van God aan David en daarom verbond hij zijn nageslacht eraan. Zelf bleef hij echter bij zijn vader in plaats van zich bij David te voegen. Deze keus werd zijn ondergang. Nooit hadden de tien stammen zich ook mogen losmaken van Juda, want Juda had de belofte. Hun afscheiding was de oorzaak, dat zij verworpen werden:

  • ‘Daarom was de Heer zeer vertoornd geworden op Israël en had hen voor zijn aangezicht verwijderd: niets bleef er over dan alleen de stam van Juda’ (2 Kon.17:18).

In de hele geschiedenis van het volk Israël lezen wij echter van heidenen, die zich bij het volk voegden en deelden in de zegen van hen die de belofte hadden. ‘De Filistijn, de Tyriër, de Moren, zijn binnen u, o Godsstad, voortgebracht!’ Zo ontvingen de Gibeonieten zelfs een plaats en dienst in de tabernakel. De Gibeonieten geloofden de beloften van God aan Israël geschonken en zij zeiden: ‘We hoorden steeds weer dat de Heer, uw God, zijn dienaar Mozes had opgedragen het hele land tot uw bezit te maken en alle inwoners uit te roeien. We werden doodsbang voor u. Daarom hebben we het gedaan’ (Joz.9:24). Ezau had geen belofte en God keerde hem daarom de rug toe. Ook de heidenen hadden geen belofte en zij waren verworpen. God haatte Ezau, dat wil zeggen: Hij had ten opzichte van Ezau een negatieve instelling en God had Jacob lief, dat wil zeggen: Hij nam ten opzichte van Jacob een positieve houding aan. Had Ezau zich naast Jacob gesteld, dan zou God ook over hem zijn aangezicht hebben doen lichten.

14-16: ‘Moeten we dan zeggen dat God onrechtvaardig is? Natuurlijk niet. Hij zegt immers tegen Mozes: ‘Ik ben barmhartig voor wie Ik barmhartig wil zijn, Ik schenk genade aan wie Ik genade wil schenken.’ Alles hangt dus af van God en zijn barmhartigheid, niet van de wil of de inspanning van de mens’.

De apostel vraagt: Is het nu onrechtvaardig van God om een keus uit de mensheid te maken, om zijn Naam en zijn wet op aarde te bewaren en zijn eeuwig voornemen uit te voeren, terwijl Hij van de mens eist zich naar zijn wil te richten? Gods wil is geopenbaard en Hij vraagt van de mens geloof en vertrouwen om zijn woord te bewaren. Door dit geloof worden dan zijn wandel en zijn werken bepaald. Ismaël en Ezau wilden de grote zegen ook wel hebben en de laatste zocht deze zelfs onder tranen. Maar geen inspanningen en geen tranen kunnen het woord van God teniet doen. ‘Over wie Ik Mij ontferm, zal Ik Mij ontfermen’. Ook Israël wilde wel en het jaagde een wet van de gerechtigheid na. Het liep en deed zijn best. Maar alleen wie geloof had in de belofte, hoorde bij de uitverkorenen. In het Nieuwe Testament heeft God nogmaals gesproken in de Zoon.

Opnieuw doet Hij een keus. De beloften zijn verbonden aan Christus. Christus is het zaad van Abraham en naar de belofte de erfgenaam van deze wereld (Gal.3:16). Opnieuw volgt nu hetzelfde principe, dat degene die meedelen wil in de zegen, zich bij Christus moet voegen. Zij moeten Hem aannemen, in Hem geloven, zijn woorden bewaren, ingevoegd worden in zijn lichaam. Die van Christus zijn de nieuwe schepping, zijn mede erfgenamen van Christus en dus erfgenamen van God.

  • ‘Als u nu van Christus bent, dan bent u zaad van Abraham, en naar de beloften erfgenamen’ (Gal.3:29).

Het is voor iedereen mogelijk om in Christus te zijn, want Hij heeft als Lam van God de zonde van de wereld weggenomen. Wie Hem aanneemt, geeft Hij macht een kind van God te worden. Dit is ook de enige weg. Gods keuze is onberouwelijk. De genade (barmhartigheid en ontferming) is in Christus geworden. Wij moeten ons richten naar de keuze van God. Hij heeft ons immers in Hem (Christus) uitverkoren (Ef.1:4). God ontfermt Zich over wie Hij wil en deze wil heeft Hij kenbaar gemaakt. Zijn wil is niet onbekend. Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven. Wie ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op Hem. Daarom kan dit verwijt gemaakt worden: Ik heb gewild, maar jullie niet! In het nieuwe verbond weten wij over wie God barmhartig is.

17-20: ’Zo zegt hij volgens de Schrift tegen de farao: ‘Daartoe heb Ik u doen opstaan om u mijn macht te tonen en om iedereen op aarde te laten weten wie ik ben.’ Dus God is barmhartig voor wie hij wil en maakt halsstarrig wie hij wil. Maar nu zult u vragen: ‘Waarom roept God ons dan nog ter verantwoording? Niemand gaat toch in tegen zijn wil?’ Wie bent u eigenlijk dat u, een mens, iets tegen God zou inbrengen? Vraagt het aardewerk soms aan de pottenbakker: ‘Waarom hebt u me gemaakt zoals ik eruit zie?’.

Ook de Farao was één van de mensen, die goedwillend had kúnnen zijn. Dan had Mozes hem kunnen zegenen, zoals Jacob dit een van zijn voorgangers gedaan had. Maar hij heeft dit niet gewenst. Integendeel, hij verzette zich steeds fanatieker tegen de uittocht van het volk. In Farao openbaarden de machten van de duisternis al hun kracht om Israël te beletten zijn erfdeel in bezit te nemen. God had toen door een pestepidemie in één klap farao en zijn volk kunnen wegvagen en het verzet breken (Ex.9:15). Maar God liet hem standhouden, zodat de kracht van satans demonen op zijn hoogst openbaar zou worden. Daar tegenover zou de overwinningskracht van God in de uitredding van zijn volk op zijn helderst schitteren.

Farao werd niet direct verstoten, maar eerst verhard. De oude Statenvertaling gebruikt in plaats van ‘doen opstaan’ het woordje verwekt. Abusievelijk is daardoor de gedachte ontstaan dat farao al van vóór zijn geboorte bestemd was om verhard te worden. De kanttekeningen bij de oude vertaling leggen in het woord verwekken, deze betekenis niet. In hun aantekeningen is hier geen spoor van uitverkiezing ter verwerping te bespeuren. Aan de lezer de vraag te beantwoorden wie uit dit verouderde woord de verdraaiing gecomponeerd heeft tot een leer, waardoor duizenden van de redding vervreemd werden. Ook koning farao had zijn keus gemaakt. Vanaf het begin voegde hij zich niet bij degenen, waarover Gods barmhartigheid en ontferming ging, maar hij verzette zich zelf tegen Gods wil. Toen hij volhardde in deze gezindheid, ‘verstokte’ de Heer zijn hart. Hier ging in vervulling: ‘Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler’.

Ook in het nieuwe verbond is er sprake van een volk van God, waarover God Zich ontfermt, namelijk over hen, die in Christus zijn. Hoe gedragen zich degenen, die in aanraking komen met dit volk aan wie de naam en het woord van Jezus verteld; en onder wie zijn kracht geopenbaard wordt? Aanvaarden zij Jezus of verzetten zij zich? In het laatste geval zullen ook zij, wanneer zij in deze gezindheid volharden, door God worden ‘verstokt’. Paulus laat nu de fatalist (vaak de Calvinist) als volgt spreken: 

  • ‘God heeft zijn keus dus gemaakt: een deel zal tot de heerlijkheid ingaan en een deel niet. Hij heeft ons verder niets te verwijten. Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Wie weerstaat zijn wil, want God heeft alles gepland en wij zullen wel zien aan welke kant wij belanden’.

Paulus bestraft deze mensen echter als tegensprekers. In de eerste plaats is het Gods wil niet, dat er één verloren gaat, maar dat zij allen behouden worden en tot erkenning van de waarheid komen (1 Tim.2:4). In de tweede plaats misprijzen zij God, dat Hij de mens zo gemaakt heeft, dat deze zelf de keuze moet doen. ‘Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom hebt u mij zó gemaakt?’ In het nieuwe verbond heeft de Heer de weg voor iedereen geopend en de mens is zo geschapen, dat hij zijn keuze doen kán. Wij moeten onze roeping en verkiezing (onze keus) aan elkaar vastmaken (2 Petr.1:10).

21-24: ‘Heeft de pottenbakker niet de vrijheid om van dezelfde klomp klei zowel een kostbare vaas als een alledaagse pot te maken? God heeft degenen die het voorwerp van zijn toorn zijn en die Hij heeft bestemd voor de ondergang, met veel geduld verdragen omdat Hij zijn toorn ook wil tonen en zijn macht kenbaar wil maken. En omdat Hij zijn overweldigende majesteit wil tonen, heeft Hij degenen die het voorwerp zijn van zijn barmhartigheid ertoe voorbestemd om in zijn majesteit te delen. Hen heeft Hij ook geroepen: ons, die niet alleen uit het Joodse volk afkomstig zijn, maar uit alle volken’.

De klomp van de hemelse pottenbakker is het mensdom. Hij vervaardigt uit hetzelfde materiaal het ene voorwerp tot eervol, het andere tot alledaags gebruik. Hij verkoos Henoch, Noach, Abraham, Izak, Jacob, Mozes, David, de profeten en vele anderen tot eervolle bestemming. In het nieuwe verbond verkoos Hij Jezus Christus en die van Christus Jezus zijn. Onder deze laatsten vinden wij ‘vaten met eervolle bestemming, maar ook vaten met ‘minder eervolle bestemming’ (2 Tim.2:20,21). Bij de eerste categorie horen de apostelen en profeten, de herders en leraars, de oudsten en allen die geroepen zijn om de gemeente van God te bouwen. Iedereen die zich reinigt van de ongerechtigheid kan een vat worden, waarin de heerlijkheid van God volledig geopenbaard wordt. Een kind van God en navolger van Jezus Christus met een wandel en een strijd in de hemelse gewesten jaagt naar de allerhoogste en meest eervolle bestemming.

De apostel spreekt echter ook van vaten tot alledaags gebruik. Het zijn de natuurlijke mensen, die hun wandel hier op de aarde hebben. Wanneer zij nog geen keuze voor Jezus gemaakt hebben, zal de Satan komen met zijn verleidingen en overweldiging en hen toebereiden tot het verderf. Let wel, dat er niet staat dat Gód hen tot het verderf toebereid heeft! Zij zelf hebben Hem echter niet als schepper en Herschepper gezocht en gediend. De kracht van de toorn van God wordt in hen geopenbaard. God doet hen niet direct weg, want Hij is barmhartig over hen. Hij doet zijn zon opgaan over bozen en goeden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Juist door de openbaring van de kracht van het verderf (toorn) komt de kracht van de heerlijkheid van Jezus Christus tot behoud en tot heerlijkheid des te schitterender naar voren. Van de voorwerpen van ontferming staat geschreven: ‘die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid’. In hen komt het werk van God openbaar door Zijn Heilige Geest tot lof van zijn heerlijkheid.

Paulus besluit met de blijde uitroep: ‘En dat zijn wij’. Hij heeft ons geroepen. Wij hebben gekozen. Hij heeft zich over ons ontfermd. Wij zijn die uitverkorenen, sommigen van Joodse afkomst en veel uit de heidenen. Het overschot van het Joodse volk én een keuze van gehoorzamen uit de heidenen vormen samen de gemeente van het nieuwe verbond, het Israël van God.