Het ‘uitverkoren’ volk

Wij ontvingen een mail van een Joodse vrouw, die enkele artikelen van onze website had gelezen. Zij reageerde als volgt:

  • ‘De inhoud is interessant, vooral voor een pasbekeerde, maar voor wat mij betreft, is het nu vier jaar geleden dat ik het voorrecht had de Heer te ontmoeten. Deze artikelen (m.n. die van de Bergrede) raken mij omdat ik een Joodse ben. In dit opzicht merk ik het volgende op: de boodschap die U brengt, heeft de neiging elke onbekeerde Jood, trouw aan het oude verbond, schuldgevoelens op te leggen. Er is veel tact en fijngevoeligheid voor nodig om over Jezus te spreken met de Joden, want in de naam van Jezus heeft de zogenaamde christelijke wereld, zoals U weet, hen sinds vele eeuwen verschrikkelijk doen lijden. Dit is dan tot een onduldbaar schuldgevoel geworden.’

Antwoord

Het moet ons van het hart dat niet alle artikelen van ons voor pasbekeerden zijn bedoeld en ook niet voor onbekeerde Joden, hoewel de Bergrede zelf op een overgangstijd betrekking had en een eerste onderwijzing van onze Heer was m.b.t. het einde van het oude verbond en het ingaan van het nieuwe. Voor een christenvolk dat veraf staat van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen zoals Jezus het bracht, blijft deze verkondiging van de Heer noodzakelijk, omdat ieder die langs de levende weg wil ingaan tot het eeuwige leven, zich opnieuw zal moeten losmaken van de traditionele leringen, waaruit ook de vervolging van de Joden is ontsproten. We stellen dus deze vrouw de vraag: waarom zouden wij ons wél moeten losmaken van de voorvaderlijke leringen en inzettingen en waarom zouden de Joden dit niet hoeven te doen? Petrus deed dit wel, want hij schreef in 1 Petrus 1:18 aan de gelovigen:

  • ‘Wetende, dat u niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, bent vrijgekocht van uw ijdele wandel, die u van de vaders overgeleverd is, maar met het kostbare bloed van Christus’.

Ook Paulus getuigt dat hij van de moederschoot af aan was afgezonderd, dit wil zeggen dat hij radicaal gebroken had met de voorouderlijke leringen en tradities (Gal.1:15). Zijn moeder was voortaan het hemelse Jeruzalem, want dit is vrij (Gal.4:26). In Filippenzen 3:7 merkt hij op, dat al zijn ijveren in het Jodendom, wat voor hem winst was, om Christus’ wil nu als schade had geacht.

De boodschap die wij brengen, is gericht op hen die Christus hebben aangenomen en die de weg van het herstel en de groei naar de geestelijke volwassenheid zijn ingeslagen. Een Jood die trouw blijft aan het oude verbond met zijn voorschriften en ceremoniën (behalve dan de offers) heeft de leer van Jezus niet verstaan en is de weg de Heer niet ingeslagen. Dit geldt ook voor een christen, die wel het zoenoffer van Jezus heeft aangenomen, maar bij de voet van het kruis blijft staan en geen Bijbels Fundament in zijn leven legt en niet de weg wil bewandelen die verder omhoog voert. Wanneer wij deze dingen signaleren, is het niet om schuldgevoelens bij te brengen, maar om op te wekken het verouderde en onbruikbare in te wisselen voor het nieuwe en eeuwige.

De vrouw vervolgt dan:

  • ‘Ikzelf heb een oproep gekregen en een plechtig engagement aangegaan om in de kathedraal van Lausanne in aanwezigheid van ongeveer duizend personen Jezus Christus aan mijn Joodse broeders te brengen. Terzelfdertijd heb ik de aanwijzing gekregen om het Oude Testament te gebruiken, dat zo rijk is aan verlossingsboodschappen. Daar gingen trouwens Paulus en onze Heer Jezus ook vanuit. Ik had het voorrecht de laatste tijd verschillende reizen naar Israël te maken. Ik kan u zeggen dat het uitverkoren volk van God – en dat blijft het – zich geleidelijk aan begint open te stellen voor de boodschap van het evangelie. Door de genade van God – en volgens wat door de profeten aangekondigd werd – is het Joodse volk bezig uit zijn verblindheid los te komen. Wij verheugen ons samen over de vervulling van alle profetieën. Ezechiël 37 spreekt over de terugkeer van alle Joden in Israël. Zij zette zich voort in de hereniging van Jeruzalem en zij zal uitlopen op de evangelisatie van alle volken door de 144.000 reinen, 12.000 uit elke stam van Israël. Ik druk hierbij mijn dankbaarheid uit en groet U oprecht in Christus.’

Antwoord

Het is een goede zaak dat deze vrouw haar volksgenoten over Jezus Christus wil vertellen, want de gemeente wordt gevormd uit Joden èn heidenen. Ook Paulus zocht eerst contact met zijn broers en zusters naar het vlees, maar ook hij moest nog bevrijd worden van het verschrikkelijke judaïsme. Wanneer zij echter aan de hand van het Oude Testament haar Joodse broers en zusters overtuigen wil, zal ze toch in de eerste plaats vooral thuis moeten zijn in de gedachtewereld van het Nieuwe Testament dat het evangelie van Jezus Christus bevat. Paulus was zo goed in deze nieuwe denkwereld thuis, dat hij schreef:

  • ‘Daarnaar kunt u bij het lezen u een begrip vormen van mijn inzicht in het geheimenis van Christus, dat in de tijd van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen van de mensen’ (Efeze 3:4,5).

Bovendien zal ze moeten bidden om verlichte ogen van het hart om te verstaan wat in het Oude Testament bedoeld wordt, toen de profeten over de voor ons bestemde genade profeteerden (1 Petr.1:10-12). Jezus opende zelf ook het verstand van zijn leerlingen, zodat zij de Schriften begrepen (Lucas 24:45). Waartoe was Abraham met zijn nageslacht uitverkoren? Het antwoord is: om recht en gerechtigheid te bewaren op de aarde. Deze zou anders in ongerechtigheid en wetteloosheid ten onder zijn gegaan. God wilde rechtvaardigen hebben om uit hen dè Rechtvaardige, het Zaad Jezus Christus, te doen voortkomen. En wie in Christus is, is zaad van Abraham. Dan hoort hij naar de belofte tot de erfgenamen, dus tot het uitverkoren volk van God (Gal.3:29). Tot zulke christenen schrijft de apostel: 

  • ‘Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte; opdat u de daden zou verkondigen van Hem Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht’ (1 Petr.2:9).

Het aardse uitverkoren volk heeft zijn vrucht voortgebracht, namelijk Jezus Christus en uit Hem komt een nieuw uitverkoren volk, verzameld uit alle talen, volken en natiën. Dezen zijn inwoners van het hemelse Jeruzalem en priesters in de tempel van God. Hierover sprak ook Ezechiël in gelijkenissen en beelden. De 144.000 op de berg Sion zijn ‘gekocht uit de mensen’, uit Joden en heidenen, als eerstelingen voor God en het Lam (Openb.14:4). Wie deze beschrijving alleen aan de Joden koppelt, doet afbreuk aan de heerlijkheid van de gemeente van Jezus Christus en haar hoofd, van wie Jesaja profeteerde:

  • ‘Het is te gering, dat u Mij tot een knecht zou zijn om de stammen van Jacob weer op te richten en de bewaarden van Israël terug te brengen; Ik stel u tot een licht van de volken, opdat mijn heil reikt tot het einde van de aarde’ (Jesaja 49:6).