3. Het Jeruzalem van het geestelijk Israël

Jesaja 54:11-17

U, ellendige, door stormweer voortgedrevene, ongetrooste, zie, Ik zal uw stenen leggen in schitterend zilverwit, Ik zal u grondvesten op saffieren, uw torens maken van kristal, uw poorten van robijn, heel uw omwalling van edelsteen’ (11,12).

Opnieuw denken wij aan de uitspraak van Petrus: ‘Zij profeteerden over de genade, die voor u was bestemd’ (1 Petr.1:10). Ook Jesaja heeft onderzocht op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hem doelde. De kostelijke redding en de grote heerlijkheid, die voor de gemeente van het nieuwe verbond weggelegd waren, bleven voor hem een mysterie. Hoewel de opmerking van Petrus zeer duidelijk is, zijn er zelfs nu, in het nieuwe verbond, uitleggers die boven dit gedeelte zetten: zekerheid en zegen van een hersteld (natuurlijk) Israël. Men moet wel blind zijn zoals oudtestamentische Schriftgeleerden blind waren, wil men zo iets kunnen beweren. Uit de symbolische en dichterlijke voorstelling blijkt toch wel zonneklaar dat hier aan Jeruzalem een staat van luister en rijkdom beloofd wordt, die alle aardse begrippen te boven gaat.

Het is de apostel Johannes die bij zijn tekening van het hemelse Jeruzalem zich bij zijn schildering bedient van dezelfde kleuren. Het gaat hier immers over de eeuwige stad, waarvan de Korachieten juichten, dat zij door haar verhevenheid een vreugde voor de hele aarde is (Ps.48:3). Het ‘cement’ dat voor de muren van de geestelijke stad gebruikt wordt, is van buitengewone schoonheid. Het zijn ‘sierstenen’, waarvan de donkere tint overeenkwamen met de kleuren waarmee de oosterse vrouwen de randen van hun ogen beschilderden en waarin dus de edelstenen prachtig uitkwamen. De fundamenten zelf zijn met hemelsblauwe lazuursteen of saffieren afgezet. Ook daarom is een natuurlijke verklaring in strijd met de bedoeling van de profetie, want de fundamenten van een stad zijn immers onzichtbaar. De torens zijn van rode robijn en de poorten rijk bezet met dieprode karbonkelstenen, terwijl de begrenzing van de stad, wellicht de ringmuur, bezaaid is met edelstenen. Al deze juwelen ontlenen hun bekoorlijkheid aan de eigenschap dat zij het licht opvangen, het weerkaatsen en het nog mooier doen uitkomen. Zo wordt waar: ‘Dat nu door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid van God bekend zou worden’ (Ef.3:10).

  • En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdalen van God uit de hemel (Op.21:2).

Deze geestelijke stad ontleent haar glans aan de heerlijkheid van God en van haar zingen wij: ‘Zijn fundament rust op de heilige bergen. De Heer heeft de poorten van Sion lief, boven alle woningen van Jakob’ (Ps.87:1). De armen van geest, de gebonden en ongetrooste heidenvolken, werden opgejaagd door de demonen, maar nu vinden zij hun schuilplaats in het geestelijke Jeruzalem. Uit het Nieuwe Testament weten wij, dat bergen beeld zijn van occulte demonen uit de afgrond die zijn opgeroepen door mensen (Op.9:1,2). In verband met het uitwerpen van een sterke demon bij de maanzieke jongen, zei Jezus over het verplaatsen van een berg (Matth.17:20). Het is dan ook duidelijk dat de berg Sion beeld is van de Heilige Geest. Paulus schrijft hierover: ‘Maar u bent genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem’ (Hebr.12:22). Wij zijn niet gekomen tot ‘de tastbare berg’ (Hebr.12:18), of tot een zichtbare stad, maar tot een geestelijke berg en een onzichtbare stad. Dit is het Jeruzalem dat Abraham in hoop voor ogen had en dat wij in geestelijke realiteit mogen bewonen.

Abraham zocht geen aards Kanaän of een stenen stad, maar hij verlangde naar ‘een beter, dat is een hemels, vaderland’ en:  ‘Hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is’ (Hebr.11:16,10). Van deze geestelijke berg schrijft Paulus: ‘De Verlosser zal uit Sion komen’ (Rom.11:26) en Johannes: ‘En ik zag en zie, het Lam stond op de berg Sion en met Hem 144.000, op wier voorhoofden zijn Naam en de Naam van zijn Vader geschreven stonden’ (Op.14:1).

Iedereen kan begrijpen dat deze berg met zo’n grote menigte niet geografisch gezien kan worden. Wij moeten hem in de geestelijke wereld situeren, zoals wij ook de woorden ‘Lam’, ‘144.000’ en ‘de Naam op de voorhoofden geschreven’ niet natuurlijk opvatten, maar beschouwen als aanduidingen van geestelijke werkelijkheden. Wanneer de namen van de Vader en van de Zoon op de voorhoofden geschreven zijn, wil dit zeggen dat beiden woning in deze zonen en dochters van God gemaakt hebben. Het nieuwe Jeruzalem is de naam voor het verblijf van het geestelijke Israël in de onzienlijke wereld. Deze stad rust op de berg Sion, waarvan de profeet zei: ‘Dan zal de berg van het huis van de Heer vaststaan als de hoogste berg’ (Jes.2:2). De engel voerde Johannes in geestvervoering ‘op een grote en hoge berg en toonde hem de heilige stad Jeruzalem’ (Op.21:10). Er is immers in de hele kosmos geen kracht die groter en sterker is dan Gods Heilige Geest en op Hem rust het volk van God. Het is onmogelijk om te zeggen dat deze berg letterlijk in de natuurlijke wereld ligt, want dan zou Jeruzalem op de hoogste berg van de aarde komen te liggen en dus in feite onbewoonbaar zijn.

Het spreekt vanzelf dat iedere bewoner van Jeruzalem een Israëliet genoemd wordt. Dit Israël van God komt uit alle volken: ‘En daar zullen er komen van oost en west, van noord en zuid, en zij zullen aan tafel gaan in het Koninkrijk van God’ (Luc.13:29). Wie vroeger in Amsterdam geboren en ingeschreven werd, werd automatisch een Nederlander. Wie in de burgerlijke stand van het nieuwe Jeruzalem werd ingeschreven, in het levensboek, is vanzelfsprekend een geestelijke Israëliet. De satanaanbidders komen er niet in en worden buiten geworpen (Op.22:15). Er is een natuurlijk Israël én er is een geestelijk Israël. Het natuurlijke is eerst en dan komt het geestelijke. Het natuurlijke is zichtbaar en het geestelijke is onzichtbaar. Daarom is het natuurlijke Israël een schaduw en het geestelijke Israël de werkelijkheid, want ‘het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig’ (2 Cor.4:18). Het natuurlijke Israël heeft te maken met het oude verbond en het geestelijke Israël met het nieuwe. Hiervan zegt de Hebreeënschrijver: ‘Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning’ (Hebr.8:13). Laten we daarom het oude niet blijven vasthouden!

Afgoderij

Veel ongeestelijke kerkgangers plegen in onze dagen afgoderij met het aardse, ongelovige Joodse volk. Vanwege het ongeloof van dit volk is het echter geestelijk dood, net als alle andere mensen die Jezus Christus niet aangenomen hebben. Toch worden deze profetieënmengers geobsedeerd door de natuurlijke ontwikkeling van dit volk en door de strijd om zijn bestaan. Hun Israëlcomplex wordt gevoed door de regelmatige berichtgevingen en artikelen, die in kranten en op internet verschijnen over de strijd in het Midden-Oosten. Dit verschijnsel herinnert ons aan de geschiedenis van de koperen slang. In de tijd van Mozes werd zij door de Heer gebruikt om allen die door de vergiftige slangen gebeten waren, te genezen. Eeuwen later bedreef het volk Israël echter afgoderij met de koperen slang en werd zij tot een occult voorwerp. De vrome koning Hizkia verbrijzelde daarom deze fetisj en maakte daarmee een einde aan de bedevaartstochten naar dit voorwerp van verering.

Zo is het een gruwel in de ogen van de Heer, wanneer men in het nieuwe verbond een bijzondere waarde hecht aan ras, bloed en bodem, ook al betreffen zij het Joodse volk. De bedevaartstochten van de heilige-landlopers in onze tijd zijn van hetzelfde niveau als die van de pelgrims in de tijd van Hizkia naar de koperen slang. Men mag sympathie hebben voor het dappere volk in het Midden- Oosten dat zich verweerd tegen de massale islam en verlangen hebben om kennis te maken met de landen van de Bijbel, maar wie een religieuze waarde hecht aan een tocht naar Palestina en meent daar dichter bij de Heer te zijn, zondigt! De Bijbel is een geestelijk boek en richt zich tot allen die geestelijke mensen willen worden. Het nieuwe verbond heeft niets te maken met vlees en bloed, maar het spreekt van een geboorte uit God. Er is geen onderscheid tussen een Jood, Eskimo of Papoea.

Wanneer zij geloven in de verzoening van hun zonden door het bloed van Jezus, worden zij beiden inwoner van het geestelijke Jeruzalem, want: ‘De een zal zeggen: Ik ben van de Heer, een ander zal zich noemen met de naam Jakob, weer een ander zal met zijn hand schrijven: Van de Heer, en de erenaam Israël aannemen’ (Jes.44:5). Daarom zingen wij: ‘De Heer heeft de poorten van Sion lief boven alle woningen van Jakob. Zeer heerlijke dingen worden over u gesproken, stad van God! Ik noem Rahab en Babel onder wie Mij kennen; zie, de Filistijn en de Tyriër, met de Cusjiet: die zijn daar geboren. Van Sion wordt gezegd: Man voor man is erin geboren. De Allerhoogste Zelf doet haar standhouden’ (Ps.87:2-5).

In Openbaring 21:12 lezen wij van het nieuwe Jeruzalem, dat het een grote en hoge muur heeft met 12 poorten. Op deze poorten zijn 12 engelen en namen geschreven van de 12 stammen. Op de fundamenten staan dan nog de namen van de 12 apostelen. De poorten zijn de toegangen waardoor het geestelijke Israël de stad binnengaat. Wanneer op een deur een naam staat, betekent dit, dat ze toegang geeft tot het huis van de bewoner die deze naam draagt. Wanneer de namen van de 12 stammen op de poorten staan van de heilige stad, wil dit zeggen dat het hele geestelijke Israël daar woont. Binnen de muren van het aardse Jeruzalem heeft nooit het hele volk Israël gewoond, maar slechts een fractie van enkele stammen. Ook wonen binnen het hemelse Jeruzalem de heilige engelen, want wij moeten hen altijd zoeken in de nabijheid van het volk van God. Zij zijn immers ‘allen dienende geesten, die uitgezonden worden in dienst van hen, die de verlossing en redding zullen erven (Hebr.1:14). De 12 lagen waaruit het fundament van de hemelstad bestaat, dragen als waarmerk de namen van de 12 apostelen, omdat op hun leer het geestelijke Jeruzalem gebouwd is. Ook hier springt de symboliek in het oog, want niet alleen zijn lengte en zijn breedte waren gelijk, maar ook zijn hoogte heeft dezelfde afmeting. Deze geestelijke stad reikt met haar ‘top tot de hemel’, maar heel anders dan de toren van Babel (Gen.11:4). Daar zocht men contact met de onzichtbare wereld van de demonen, maar het nieuwe Jeruzalem is verbonden met de levende God.

Ook bij de verdere beschrijving valt de beeldspraak op. Het gaat er niet om of er misschien wel 13 stammen geweest zijn, ook niet of er meer of minder dan 12 apostelen waren, want dat is van geen enkel belang. Onder de apostelen waren immers namen van mannen die verder volkomen onbekend gebleven zijn en die geen geschriften hebben nagelaten op grond waarvan de ware kerk gebouwd werd. De Heer beschouwde hen echter als een eenheid in de onzienlijke wereld. Het is daarom onbelangrijk of de naam van Paulus of die van Matthias vermeld wordt, ook niet dat de namen van Stéfanus of Jacobus, de broer van de Heer, in de eerste gemeente meer naar voren sprongen dan bijvoorbeeld die van Simon de Zeloot of Thaddeüs. Het is ook niet relevant of de naam van de stam Dan op een poort voorkomt, of dat hij weggelaten is, net als in de opsomming van de 12 stammen van het geestelijke Israël in Openbaring 7:4-8. Het gaat erom dat het twaalfdelige fundament overeenkomt met de leer die Jezus allereerst aan de 12 apostelen toevertrouwde en in wie de gedachten van God realiteit werden. Ook gaat het om het hele Israël, dat schaduw was van het hele geestelijke Israël dat zijn plaats heeft in de Godsstad.

Door God geleerd

Al uw kinderen zullen door de Heer onderwezen zijn en de vrede van uw kinderen zal groot zijn (13).

Wie bovenstaande tekst wil begrijpen, zal opnieuw als een axioma moeten aanvaarden, dat de profeet hier spreekt over Christus en zijn gemeente. Jezus zelf citeert immers deze uitspraak wanneer Hij in Johannes 6:44,45 zegt: ‘Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekt; en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag. Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen door God onderwezen zijn. Ieder dan die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij.’ Het is van groot belang om te letten op de omstandigheden en op de discussie waarin Jezus deze woorden gebruikte. De geestelijk blinde leiders hadden de Heer juist om een teken uit de hemel verzocht. Zij beriepen zich op het feit dat Mozes 40 jaar lang het volk voedsel uit de hemel had gegeven. Jezus vergeestelijkt nu ogenblikkelijk dit gebeuren in de natuurlijke wereld en brengt het op een hoger niveau. Hij zegt:  ‘Ik ben het levende brood, dat uit de hemel neergedaald is’ en vervolgt dan: ‘Als iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven van de wereld’.

Zoals in de woestijn het manna uit de zichtbare hemel neerdaalde en door het volk werd verzameld en genuttigd tot onderhoud van het natuurlijke leven, zo komen uit de onzienlijke wereld het woord en de beloften van God. Voor de mens die dit geestelijk voedsel in het geloof verzamelt en aanvaardt, is dit levend brood waardoor zijn innerlijke mens verzadigd en gebouwd wordt. Zoals de natuurlijke mens leeft van brood, zo leeft de geestelijke mens van alle woorden, die uit de mond van God uitgaan (Matth.4:4). Al vanaf de schepping schonk God aan de mens beloften en toezeggingen. Deze moest hiermee handelen in de geestelijke wereld als met het manna in de woestijn in de natuurlijke wereld: het bij elkaar rapen en zich toe-eigenen, maar nu door de hand van het geloof. Op deze wijze trok God eenmaal tot Zich, want Hij zei telkens: ‘Als u naar mijn woorden hoort, dan…’ Wanneer Israël zou gehoorzamen, dat is horen en doen, werd het gezegend in de natuurlijke wereld: in de stad en op het veld, in de vrucht van de schoot, in die van de bodem en in die van het vee. Het volk zou gezegend zijn in de mand en in de baktrog, in de schuren en in alles wat het zou ondernemen (Deut.28).

Bij het ingaan van de nieuwe tijd werd het Woord van God vlees; daarom noemde de Heer Zichzelf het levensbrood. Dit voedsel zou de mensheid redding, herstel en eeuwig leven brengen. In Jezus Christus zijn al Gods beloften ja en amen. Hij was immers de Beloofde. Het laatste woord dat God sprak, was: ‘Dit is Mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde; luister naar Hem!’ (Matth.17:5). Tot de Hebreeën wordt gezegd: ‘Hij heeft nu in de laatste dagen tot ons gesproken in de Zoon’ (Hebr.1:1). Daarom wordt het trekken van de Vader vervangen door dat van de Zoon, want Hij zei: ‘Als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij trekken’ (Joh.12:32).

Wanneer wij de woorden van Jezus geestelijk verstaan, worden wij tot Hem getrokken naar waar Hij is, dat is naar de hemelse gewesten. Al hier op aarde sprak Hij alleen de woorden van God en na zijn vlees gegeven te hebben voor het leven van de wereld, gaf de Vader Hem alle macht in hemel en op aarde. Hij kon nu veel zonen  en dochters tot Zich trekken en tot heerlijkheid brengen. Hij is gestorven: ‘Om ons te trekken uit de tegenwoordige boze wereld’ (Gal.1:4) en een andere vertaling heeft: ‘Die ons getrokken heeft uit de macht van de duisternis en overgezet heeft in het Koninkrijk van zijn geliefde Zoon’ (Col.1:13). De Heer beloofde dat allen die op zijn woorden ingaan, opgewekt worden op de jongste dag of in de laatste dag. Deze laatste dag is een tijdperk dat begint met de uitstorting van Gods Heilige Geest. Dan wordt de menselijke geest levend gemaakt of opgewekt om te kunnen functioneren in de hemelse gewesten. Daarom is er sprake van dromen begrijpen, profeteren en gezichten zien. In de laatste dagen ontstaan er geestelijke mensen en dit vernieuwingsproces duurt voort tot de jongste dag, wanneer de geestelijke mens een nieuwe taak krijgt, zowel in de hemel als op aarde, dus in de onzichtbare en zichtbare wereld.

Wanneer de profeet Jesaja spreekt over ‘uw zonen’, bedoelt hij de zonen van God voortgekomen uit de onvruchtbare, die leerlingen zullen zijn van God zelf. Dit wordt realiteit wanneer Gods Heilige Geest, de Leraar van de gerechtigheid, in hen woont. Door de doop in Heilige Geest komen immers de Vader en de Zoon woning in de mens maken. Gods eigen Geest (en niet 1/3e godheid) wijst de weg ‘tot de volle waarheid’ en van Hem zegt de Heer: ‘Hij zal het uit het mijne nemen’, dus uit Mijn woorden (Joh.16:13,14). De Heilige Geest zal bij deze leerlingen van God, wetten in hun verstand leggen en die in hun harten schrijven (Hebr.8:10). Ook deze laatste belofte is een toezegging uit het oude verbond en wel uit Jeremia 31:31-34, die gerealiseerd wordt in het geestelijke Israël. Door Gods Heilige Geest, de Leraar van de gerechtigheid, beginnen ook de geestelijke gaven zich te ontplooien en zo wordt het geluk, de heling of het herstel, van de nieuwe schepping groot of voltooid. Want dit geluk betekent dat de zonen van God gescheiden zullen worden van alle beïnvloeding van satans demonen, van alle machten van zonde, ziekte en van de dood, want de Heer zei: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand Mijn woord in acht genomen heeft, zal hij beslist de dood niet zien tot in eeuwigheid’ (Joh.8:51). Door de regenererende kracht van Heilige Geest zullen zij ook genezen van hun beschadigingen en door zijn gaven toegerust worden tot alle goede werken. Zij zijn ingevoegd in het levende lichaam van Christus en daarom gaan zij niet naar het dodenrijk, maar blijven in Christus, ook na hun sterven. Uit het bovenstaande blijkt duidelijk dat de zegeningen waarover in het oude verbond gesproken wordt, ten deel vallen aan het geestelijke Israël, waarin al Gods gedachten werkelijkheid worden.

Een stad van gerechtigheid

U zult door gerechtigheid bevestigd worden. Houd u ver van onderdrukking, want u zult niet bang zijn en ver van verschrikking, want zij zal niet tot u naderen. Door gerechtigheid zult u bevestigd worden (14).

Zoals de fundamenten en de muren van het nieuwe Jeruzalem met talrijke edelstenen versierd zijn, zo zijn haar straten van zuiver goud. Dit kostbare metaal is beeld van het geloof. Het geestelijke Israël dat binnen zijn poorten woont, heeft de oproep ter harte genomen: ‘Ik raad u aan van Mij te kopen goud, dat in het vuur gelouterd is, zodat u rijk mag worden’ (Op.3:18). Dit geloof is namelijk niet gericht op de gerechtigheid van het oude verbond die naar de wet is, maar er is sprake van ‘zuiver’ goud, van een geloof dat gebaseerd is op het bloed van het Lam dat volmaakte gerechtigheid voortbrengt. ‘Uw funderingen zullen in gerechtigheid verzinken’, luidt een Engelse vertaling. In het begin van zijn boek noemt Jesaja de inwoners van het aardse Jeruzalem ‘een zondig volk, de natie, beladen met ongerechtigheid, het gebroed van boosdoeners, de verdorven kinderen’. Zijn vooraanstaanden heten ‘bestuurders van Sodom’ (Jes.1:4,10). Eeuwen later getuigde onze Heer dat de wetteloosheid van het natuurlijke Joodse volk, juist die van de religieuze leiders, de maat van de voorvaders vólmaakte (Matth.23:32). Alleen het Jeruzalem dat boven is, wordt de stad van de gerechtigheid’ genoemd: ‘Want Hij heeft Sion met recht en gerechtigheid vervuld’ (Jes.1:26, 33:5).

Het aardse Israël

  • ‘Zodra u nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld ziet, weet dan dat zijn verwoesting nabij is’ (Lucas 21:20,21)

Het aardse Jeruzalem werd vaak belegerd en ingenomen en zelfs enkele malen verwoest, maar de stad van God is ver van benauwdheid en heeft niets te duchten. Dikwijls zei de Heer tot zijn volgelingen: ‘Vrees niet’. Deze vermaning vindt haar grond in de zekerheid dat Hij met ons is en alle macht heeft in hemel en op aarde. Paulus schreef: ‘Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?’ (Rom.8:31). In de geestelijke strijd bezit het Israël van God een voortreffelijke wapenuitrusting en de overwinning is zeker. Er staat immers: ‘Hij kon geen standhouden’ en ‘zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis’ (Op.12:8,11). Het bloed van het Lam spreekt van een volmaakte gerechtigheid en door hun woorden getuigen de overwinnaars, dat zij de beloften van God altijd vasthouden. Let erop dat de profeet spreekt over een tijd, waarin er nog wel reden tot vrees kan zijn, maar het volk van God wandelt dan op de hoge weg en niet een aardse. Hiervan schreef Jesaja:

  • ‘Daar zal zijn een effen baan, een weg; de heilige weg zal hij genoemd worden. Een onreine zal er niet over gaan, want hij zal alleen voor hen zijn. Wie deze weg ook gaat, zelfs dwazen zullen niet dwalen. Daar zal geen leeuw zijn, geen verscheurend dier zal erop komen; ze zullen daar niet aangetroffen worden, maar de verlosten zullen die bewandelen’ (Jes.35:8,9).

Deze belofte wordt alleen gerealiseerd door de kracht van de Heilige Geest in het Israël van God. Zacharias profeteerde hierover: ‘Dat Hij ons zou geven, zonder vrees, uit de hand de vijanden verlost, Hem te dienen in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht, al onze dagen’ (Lucas 1:74,75). Wanneer wij als leden van het lichaam van de Heer de voetsporen van de Meester drukken, zullen wij op aarde ook onbezorgd kunnen leven. Hoewel de Heer steeds door vijandige demonen omringd was, die Hem direct of indirect door mensen heen, vele malen aanvielen, kon Hij toch in alle rust zeggen: ‘De overste van de wereld komt en heeft aan Mij niets’ (Joh.14:30).

Wie oprecht leeft, wandelt en strijdt in de hemelse gewesten, zal merken dat er geen enkele reden is om iets te vrezen. In de laatste dagen zal het mysterie van het Koninkrijk van God volledig ontsluierd worden. Er zal een gemeente komen: ‘Stralend (van leven en licht), zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zodat zij heilig is en onbesmet’ (Ef.5:27). Johannes schreef hierover dat dan ‘ook voleindigd is het geheimenis van God, zoals Hij zijn knechten, de profeten, heeft verkondigd’ (Op.10:7). Ook Jesaja profeteerde in onze tekst van deze toekomstige heerlijkheid van de gemeente van Jezus Christus. Net als Mozes de kinderen van Israël tot overwinning op de farao leidde, toen hij ze veilig voort deed gaan langs een weg die nooit tevoren gegaan was, zo zal het geestelijk Israël in de eindtijd, zonder angst trekken door ‘een zee van glas met vuur vermengd’ (Op.15:2). Dit glas en dit vuur wijzen op het geweld en op de hardheid van de losgelaten demonen, maar dezen kunnen met hun verschrikkingen de zonen en dochters van God niet naderen. Het laatste traject van de hoge weg en de laatste fase van de strijd in de hemelse gewesten brengen een totale overwinning voor hen die tot het einde toe volhard hebben en een algehele nederlaag voor de vijand in het hemelse Armageddon.

Het kwaad komt niet van God

‘Zie, zij zullen zeker samenscholen – niet door Mijn toedoen – wie tegen u ten strijde trekt, die zal om u ten val komen’ (15).

Wanneer wij ons aan deze versie van de Hernieuwde Statenvertaling houden, wordt onverwacht een waarheid geopenbaard, die in het Oude Testament – maar ook vandaag nog(!) – vrijwel onbekend was. Er staat dat de vijandige aanvallen op de mens, dus het kwaad, niet van God uitgaat. De ‘Korte Verklaring’ interpreteert dit vers met de woorden: ‘Ook wanneer Sion nog door vijanden wordt aangevallen, dan mag ze verzekerd zijn, dat dit niet van de Heer uitgaat’. Daarbij weerspreekt zij – zoals zo vaak – haar eigen opvattingen uit de belijdenisgeschriften, maar dit is ook hier weer geraffineerd weggewerkt. Uit God is nooit een enkele vorm van wetteloosheid. Uit Hem komt nooit iets dat verkeerd is. Op dit axioma heeft Jezus zijn leer gebouwd. De apostel schreef daarom: ‘En dit is de boodschap die wij van Hem gehoord hebben en aan u verkondigen, dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is’ (1 Joh.1:5). Deze gedachte had een diepe indruk op de apostel Johannes gemaakt, want zij week af van de oudtestamentische visie. Het wezen van God is leven en het leven is het licht van de mensen. Dit eeuwige en onvergankelijke leven dat bij God was, is geopenbaard en daarin is geen enkele destructie, vernietiging, wetteloosheid of vrees voor de dood. Wanneer God spreekt, zijn Zijn woorden ‘geest en leven’. Jezus zei: ‘De Vader heeft Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen en spreken moet. En Ik weet, dat zijn gebod eeuwig leven is’ (Joh.12:49,50).

Het Woord van God, Gods Logos

Het vleesgeworden Woord van God (Gods Logos Joh.1:1), Jezus Christus, is ook niet gekomen om te vernietigen, maar alleen om te behouden, dat is om te herstellen. Zijn werken brachten enkel heerlijkheid voort. Door zijn woorden, die de dragers waren van de gedachten van God, hoorden de doven, zagen de blinden, werden de melaatsen gereinigd en de bezetenen bevrijd. God heeft niets te maken met ongerechtigheid, wetteloosheid, leugen, ziekte, rampen of gewelddadigheden die het leven aantasten. Wanneer wij in het geloof zijn woorden vasthouden en realiseren, zijn wij met Hem verbonden en hebben leven en vrede. In onze tekst heiligt de profeet de naam van God. Dit betekent dat hij Hem in zijn denken afzondert van het kwaad, van de duisternis en van het verderf. Jacobus schreef dat God één is, dus onverdeeld (Jac.2:19). God is alleen rechtvaardig, alleen wijs, alleen rein, alleen heilig, enkel barmhartigheid en geduldig, enkel leven en licht. In Hem zijn geen tegenstrijdige eigenschappen. Hij valt nooit op de mens aan om deze te vernederen of te beschadigen en uit Hem komen geen dodelijke plagen.

De aanvallen gaan nooit van Hem uit, maar van de duivel. Het is daarom verschrikkelijk dat de Heidelbergse Catechismus vandaag nog Oudtestamentische uitspraken hanteert en leert dat uit Gods handen ook armoede, dood, droogte, kanker en onvruchtbaarheid komen. Daarin staat dan ook nog dat dit niet bij toeval, maar bewust door Hem geënsceneerd zou zijn. Een werkelijk afschuwelijk en rampzalige leer! Dit geschrift belijdt nog steeds na duizenden jaren samen met Job: ‘Zouden wij het goede van God aannemen en het kwade niet?’ (Job 2:10). In het Godsbegrip van Job werd de naam van God dus niet afgezonderd van het kwaad, dus geheiligd. Dit hing samen met de gebrekkige kennis van de onzienlijke wereld. Voor de oudtestamentische gelovigen gold in bijzondere mate wat Paulus schreef: ‘Want onvolkomen is ons kennen en onvolkomen ons profeteren’ (1 Cor.13:9).

Wanneer een vader een topfunctie heeft in een laboratorium, zal hij gemakkelijker zijn zoon, die scheikunde studeert op een universiteit, kunnen vertellen wat zijn bezigheden zijn, dan zijn kind in de eerste klas van de basisschool. Met het toenemen van onze kennis over de onzienlijke wereld, zal ons profeteren ook toenemen: de profetie groeit met de kennis. Dit verschijnsel kan men ook waarnemen in de gemeente. De godsspraken die eerst op evangelisatieniveau lagen, gaan zich steeds meer ontwikkelen en zij zullen uiteindelijk de diepste gedachten van God openbaren. Zo wisten bijvoorbeeld de rechtvaardigen van het oude verbond niet, dat zij maar één vrouw mochten hebben, hoewel ze met God leefden. Als wij zo leefden, zouden wij het Koninkrijk van God niet binnengaan. Jacobus schreef: ‘Elke goede gave en elk volmaakt geschenk is van boven en daalt neer van de Vader der lichten, bij Wie er geen verandering is, of schaduw van omkeer’ (Jac.1:17).

God verandert nooit van gezindheid. Hij is niet geduldig én tegelijkertijd wraakgierig, zijn geduld loopt nooit ten einde. Er is slechts één eeuwig evangelie, één blijde boodschap die van God komt. Wie Gods liefde echter versmaadt, dit wil zeggen zijn belofte van herstel van de mens naar Geest ziel en lichaam niet serieus neemt – dus in feite afwijst – komt terecht in het rijk van de duisternis, omdat hij zich van dit reddingbrengende licht heeft afgewend. Wat moeten wij nu verder aan met teksten als Exodus 4:11 waar staat: ‘Wie maakt stom of doof, ziende of blind; ben Ik het niet, de Heer?’ Zo lezen wij ook dat de Heer David aanporde om het volk te tellen, maar in het parallelverhaal is satan de verleider (vergelijk 2 Sam.24:1 en 1 Kron.21:1). Het antwoord is: Jezus was de eerste die door zijn prediking over het Koninkrijk der hemelen, dus over de geestelijke en onzienlijke wereld, dingen verkondigde, die sinds de grondvesting van de wereld verborgen waren gebleven (Matth.13:35). Wanneer God zegt: ‘Ik maak stom of doof, ziende of blind’, blijkt daaruit alleen dat de oorzaak van de ziekte gezocht moet worden in de onzienlijke wereld. God die geest is, converseerde met de geest van Mozes, zoals een man met zijn vriend, rekening houdende met de kennis die deze oudtestamentische gelovige bezat.

Wanneer Simeï David vervloekt, ziet de koning deze Benjaminiet als een geïnspireerde vanuit de onzienlijke wereld; voor David betekende dit dat God Simeï deed vloeken; maar de koning hield er toch rekening mee dat de Heer hem ook het goede zou willen schenken in plaats van deze vloek (2 Sam.16:11,12). Jezus bracht geen voortzetting van het oude verbond, maar openbaarde nieuwe dingen. Hij ontsluierde door zijn prediking een voor de luisteraars volkomen nieuwe wereld. Hij verklaarde de mysteries waarvan de oudtestamentische rechtvaardigen nog geen notie hadden: alles wat uit de geestelijke wereld tot hen kwam, schreven dezen immers aan God toe. Zij wisten wel vaag van een bestaan van satan en van boze geesten, maar de felle tegenstellingen tussen ‘licht en duisternis’ en hun absolute scheiding ontging hun. Zij zagen nog ‘door een spiegel, in raadsels’. God woonde voor hen in het ontoegankelijke licht en zij konden dus het hemelse heiligdom niet binnengaan: ‘Laten wij tot Hem naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons hart gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is met rein water’ (Hebr.10:22). Zij spraken: ‘De hemel, de hemel is van de Heer, maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven’  (Ps.115:16). Vanuit deze zelfde onwetendheid schreef de Prediker: ‘Maar de doden weten niets; zij hebben geen loon meer te verwachten’ (Pred.9:5).

De oudtestamentische rechtvaardigen konden dus niet wandelen, leven, strijden en overwinnen in de hemelse gewesten. Het volk van God, het natuurlijke Israël, leefde op de aarde. Het had geen kennis van het geestelijke Israël, dat het hemelse Jeruzalem bewoont. Daarom kon de apostel, die zo vaak de uiteenzettingen van Jezus gehoord had, schrijven: ‘Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons doen kennen’ (Joh.1:18). Mozes zag God alleen van achteren, maar diens aangezicht bleef voor hem verborgen (Ex.33:23). Niemand van de profeten heeft ooit God kunnen zien, maar tot Filippus zei de Heer: ‘Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’ (Joh.14:9). Jezus zelf was de uitdrukking van het goddelijke wezen. Hij openbaarde wie de Vader is. Hij deed dit door zijn prediking en door zijn leven. Zoals Hij Zich openbaarde, zo is God. Jezus kende geen wraakgevoelens. Hij maakte geen mensen ziek, maar genas hen. De apostel Petrus merkte op dat Christus ons een voorbeeld nagelaten heeft, zodat wij in zijn voetsporen zouden wandelen (1 Petr.2:21). Dan zijn wij ‘kinderen van de Allerhoogste, want Hij is goed t.o.v. de ondankbaren en bozen’ (Luc.6:35). God is enkel goed: ‘God was het namelijk Die door Christus de wereld met Zichzelf verzoende en aan hen hun overtredingen niet toerekende; en Hij heeft het woord van de verzoening in ons gelegd’ (2 Cor.5:19).

God is onveranderlijk en altijd dezelfde. Hij is morgen zoals Hij vandaag is. Maar is er dan geen oordeelsdag, geen dag van wraak? Staat er dan niet: ‘Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden’ (Rom.12:19)? Ja, maar God wreekt Zich niet op de mens, maar op de bewerkers van alle onheil, namelijk op de boze geesten, zijn vijanden. Het eeuwige vuur is bereid voor de duivel en zijn engelen, maar niet voor de mens (Matth.25:41). Alleen wanneer iemand zich solidair verklaart met de duivel, wanneer hij de duisternis liever heeft dan het licht, valt hij onder het oordeel en eindigt zijn weg in de vuurpoel: ‘En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liefgehad, meer dan het licht, want hun werken waren slecht. Want ieder die kwaad doet, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet ontmaskerd worden.’ ‘Er bestaat ook zonde die wél tot de dood leidt. In dat geval geldt mijn aansporing om te bidden niet. Alle kwaad is zonde, maar niet elke zonde leidt tot de dood’ (Joh.3:19,20; 1 Joh.5:16,17).

Veronderstel dat in een donker vertrek veel ratten zijn. Plotseling laat men dan een fel licht schijnen. Het gevolg is dat het ongedierte naar alle donkere gaten en hoeken vlucht. Zo staat er, dat wanneer op de oordeelsdag de heerlijkheid van de grote witte troon geopenbaard wordt, ‘de aarde en de hemel vluchtten’ (Op.20:11). Satans demonen, de hemel of onzienlijke wereld, wijken in grote angst voor de openbaring van Gods heiligheid en zuiverheid. De mens van de aarde, die met hen verbonden is, zal dan met hen wegvluchten van de grote witte troon. Voor Gods volk is de dag van wraak altijd een feestdag, want dan worden alle treurenden vertroost. Zij ontvangen hoofdsieraad in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lofgewaad in plaats van een kwijnende geest (Jes.61:2,3). Niet de gelovigen, maar de demonen die hen aanvallen en de mensen die dit doen door boze geesten gedreven, zullen ten val komen.

Het zal nu wel duidelijk zijn dat de profeet van de Heer hier geen bedreigingen uit tegen de aanvallers van het natuurlijke volk Israël, want dit ongelovige geslacht is niet ‘in gerechtigheid bevestigd’. De lastige steen voor de volken, waarmee alle volken in aanraking zullen komen, is het Israël van God, het hemelse Jeruzalem, dat verzameld wordt uit alle volken, talen en natiën (Zach.12:2,3).

De vijand overwonnen

Zie, Ík heb de smid geschapen, die het kolenvuur aanblaast en wapentuig vervaardigt, geschikt voor zijn doel; en Ík heb de verwoester geschapen om te gronde te richten (16).

In het vorige vers zagen wij dat het kwade niet van God uitgaat, maar dat de satan met felle wapens op het geestelijke Israël aanvalt. De duivel heeft een ‘instrument’ (St. Vert.) ontwikkeld, waarmee hij ‘de knechten van de Heer’ (vers 17) belaagt en dat wij ‘het zwaard van de vijand’ zouden kunnen noemen. Zoals ‘het zwaard van de Geest’ Gods woord of het woord van de waarheid is, zo is het zwaard van de vijand, de leugen. Met dit geestelijke wapen wil hij de kinderen van God misleiden, bedreigen, bang maken en ten val brengen, maar de Heer zegt: de voortbrenger van dit zwaard, ‘de vader van de leugen’ (Joh.8:44), heb Ik geschapen en ook in zijn verdorven toestand ben Ik zijn meerdere, zoals de maker meerder is dan het maaksel. God kent de wijze van doen van zijn tegenstander, zijn kracht en zijn mogelijkheden, maar de wijsheid en de macht van de Heer zijn oneindig veel groter. Om aan te tonen dat Hij de manier van werken van de duivel kent, vergelijkt de Heer hem met een smid die een kolenvuur opjaagt, dan het ijzer erin brengt en op deze wijze een wapen, een zwaard vormt, dat moet dienen om te doden. Zo jaagt de duivel zijn dienaars, de demonen en hen die hen aanbidden, op en inspireert de mensen die zich aan hem onderwerpen, om de leugen en de verleiding tot aanzijn te brengen. Dit is zijn kunst en daarin is hij een vakman.

De Heer zegt dan: ‘Ik ben het ook die de verderver geschapen heb, ‘Apóllyon’, zoals de Septuagint zegt, ‘de koning van het dodenrijk’ (Op.9:11), ‘de laatste vijand’ (1 Cor.15:26) of vernieler, die de buit van de duivel binnenhaalt’. Maar als God, de schepper van het leven, de maker van deze mensvijandige geest was, is Hij ontegenzeglijk eindeloos groter dan deze afgevallen en occulte engel. De macht en de wijsheid van Jahweh hebben geen beperking en daarom mag het Israël van God zeggen: ‘Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?’ (Rom.8:31). Wanneer er staat dat God de verderver geschapen heeft om te vernielen, wordt door velen geconcludeerd dat het kwade ook Gods bedoeling geweest zou zijn, te meer omdat er staat, dat het Lam geslacht is, sinds de grondvesting van de wereld (Op.13:8). Wij weten echter dat alles wat God geschapen had, ‘zeer goed was’. Er was niets bij dat het leven en de vrede verstoorde.

De val van een troonengel

Ook de satan was een volmaakte troonengel, zoals er staat: ‘Volmaakt was u in uw wegen, vanaf de dag dat u geschapen werd, totdat er ongerechtigheid in u gevonden werd’ (Ez.28:15). Toen werd hij van een ‘beschuttende cherub’, de aanvoerder van een God vijandig leger van engelen die zijn kant kozen. Een andere grootvorst (een gevallen seraf) onder hen, stelde hij aan als wachter en heerser over het dodenrijk, die alle mensen moest bewaren die als gevolg van hun zonde, de dood zouden sterven. Dood hemzelf. Dat er in Gods raadsplan al sprake was van een Lam, dat geslacht zou worden om de zonde van de wereld weg te nemen, bewijst alleen dat de Schepper de zonde en de wetteloosheid had voorzien en in zijn plan verdisconteerd, maar ook geëlimineerd.

Hoe moeilijk het is om een juiste verklaring van deze tekst te geven, blijkt wel uit de talrijke en verschillende vertalingen die ervan zijn. Zo luidt de versie van de Septuagint, de oudste overzetting van het Oude Testament:  ‘Zie, Ik heb u geschapen, niet zoals de koperslager die de kolen aanblaast en die een vat tevoorschijn brengt dat voor het werk geschikt is, maar Ik heb u geschapen, niet om onder te gaan dat Ik u zou verderven’. Deze overzetting concludeert: God is geen smid die langs de weg van het vuur iets goeds tot stand moet brengen. Hij is een God van redding en Hij brengt zijn kinderen niet in het vuur van de verdrukking, dus in aanraking met de boze geesten: ‘Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking’ (Jac.1:13). Ook is het de wil van God niet dat sommigen verloren gaan (2 Petr.3:9). Het is echter zijn bedoeling dat ieder mens zal opgroeien tot een volmaakt, geestelijk wezen:

Elk wapentuig dat tegen u wordt vervaardigd, zal niets uitrichten en elke tong die in het gericht tegen u opstaat, zult u schuldig verklaren. Dit is het erfelijk bezit van de dienaars van de Heer en hun gerechtigheid is uit Mij, zegt de Heer (17).

Nu verzekert de Heer zijn knechten, die ‘in gerechtigheid bevestigd zijn’ (vers 14) en de waarheid van zijn woord stellen tegenover de leugen van de vijand, dat dit wapen tegen hen niets zal uitrichten en dat zij, integendeel, als overwinnaars uit deze geestelijke strijd tevoorschijn zullen komen. Ook de brandende pijlen van de duivel kunnen hen niet treffen, maar worden gedoofd door het opgeheven schild van het geloof. Voor hen heeft de Heer de hoge weg gebaand, waarop geen leeuw en geen verscheurend dier zal komen; deze worden daar niet gevonden (Jes.35:9). Ook niet in Israël. Ook al zou de duivel zijn leugens brengen in de vorm van een aanklacht of beschuldiging en zich zo voor Gods rechterstoel tegen diens knechten keren, dan nog zullen zij, door het woord van de Heer te hanteren, de vijand in het ongelijk stellen. Zij gaan in het gericht vrijuit, maar de veroordeling rust op de demonen en op diegenen van de mensen die hun lichaam in dienst van de ongerechtigheid stellen. In het gericht zal ten aanhoren van de engelen en de mensen klinken:

  • ‘Het zal in de laatste dagen gebeuren dat de berg van het huis van de Heer vast zal staan als de hoogste van de bergen en dat hij verheven zal worden boven de heuvels, en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen’ (Jes.2:2). ‘Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de Heer. Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol’ (Jes.1:18).

In deze rechtspraak wordt de aanklager, die hen dag en nacht aanklaagde, in het ongelijk gesteld. De knechten van Jahweh hebben immers een bijzonder erfdeel ontvangen in de hemelse gewesten. Zij zijn gewassen in het bloed van het Lam en daardoor volmaakt rechtvaardigen. ‘Hun gerechtigheid is uit Mij’, luidt de Statenvertaling. Waar het natuurlijke Israël een eigen gerechtigheid bleef najagen en juist daardoor ten val kwam, bezit het geestelijke Israël de gerechtigheid in Christus. Hieraan ontleent het zijn recht of aanspraak, zodat het in het gericht vrijuit mag gaan. Het mag: ‘Tot Hem naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons hart gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is met rein water’ (Hebr.10:22). Het geestelijke Israël wordt ‘knecht van de Heer’ genoemd, een naam die in hoofdstuk 42:1 op de Messias werd toegepast. Jezus Christus is gekomen om vele zonen tot heerlijkheid te brengen en Hij is de eerste van veel broers en zusters. Voor hen geldt:

  • ‘Maar u, Israël, Mijn dienaar, u, Jakob, die Ik heb verkozen, het nageslacht van Abraham, die Mij liefhad, u, die Ik gegrepen heb van de uiteinden der aarde, geroepen uit haar uithoeken en tegen wie Ik zei: U bent Mijn dienaar, Ik heb u verkozen, Ik heb u niet verworpen. Wees niet bang, want Ik ben met u, schrik niet, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met Mijn rechterhand, die gerechtigheid werkt’ (Jes.41:8-10). Daarom: ‘Zing vrolijk, onvruchtbare, u die niet gebaard hebt, breek uit in gejuich en jubel het uit, u die geen weeën gekend hebt, want de kinderen van de eenzame zijn talrijker dan de kinderen van de getrouwde, zegt de Heer’ (Jes.54:1).

En wat Apollyon, de koning van de afgrond in het dodenrijk, betreft belooft Jezus: ‘Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk’ (Op.1:18) en Hij beloofde: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand Mijn woord in acht genomen heeft, zal hij beslist de dood niet zien tot in eeuwigheid’ (Joh.8:51).