7. Slot – Het ongeestelijk Israël

Iemand vroeg ons in verband met de terugkeer van het natuurlijke volk Israël naar Palestina: ‘Vindt u dit geen wonder en heeft het u niets te zeggen?’ Ons antwoord is, dat de Bijbel ook spreekt over ‘bedrieglijke wonderen’ (2 Thess.2:9). Wij denken bijvoorbeeld aan een telefoongesprek met een magnetiseur in Noord-Brabant. Deze probeerde ons te overtuigen van zijn ‘goddelijke gave’ door een aantal frappante genezingen op te sommen. Ook in Lourdes en andere ‘heilige’ plaatsen gebeuren veel wonderlijke zaken, maar zij bewijzen nog niet dat God daar op bijzondere wijze door zijn Geest werkt. Van de antichrist wordt vermeld dat hij allerlei grote tekens en krachten zal doen, zodat velen verleid zullen worden.

Zo manipuleert de overste van deze wereld ook op een bijzondere wijze met het geestelijk dode volk Israël om het denken van veel kinderen van God op geraffineerde wijze af te leiden van de hemelse werkelijkheden om ze bezig te houden met het zogenaamde herstel van het oude volk. Maar de Bijbel spreekt nergens over een terugkeer of zegen voor een volk dat God niet dient en Jezus Christus verwerpt. Nog steeds verwerpen de Joden als natie Jezus Christus en daarmee God zelf, want wie de Zoon loochent, wijst ook de Vader af. Men schrijft wel dat Israël ‘de oorlogen van de Heer’ voert, maar in het Oude Testament wordt Gods zegen verbonden aan de voorwaarde dat men Hem dan ook in waarheid moet dienen. Overal klinkt het daar:

  • ‘Als u zich met uw hele hart tot de Heer bekeert, doe dan de vreemde goden uit uw midden weg, ook de Astartes, richt uw hart op de Heer en dien Hem alleen. Dan zal Hij u uit de hand van de Filistijnen redden’ (1 Sam.7:3). Dit betekent voor onze tijd dat het joodse volk Jezus moet aannemen; dan zou het een geestelijk Israël worden, zoals de Heer trouwens altijd bedoeld heeft en het zou zijn strijd voeren met wapens van het licht. In Deuteronomium 30:2,3 staat: ‘En u zult zich bekeren tot de Heer, uw God en Zijn stem gehoorzaam zijn, u en uw kinderen, met heel uw hart en met heel uw ziel, overeenkomstig alles wat ik u heden gebied. Dan zal de Heer, uw God, een omkeer brengen in uw gevangenschap en Zich over u ontfermen. Hij zal u weer bij elkaar brengen uit al de volken waarheen de Heer, uw God, u verspreid had.’

Zo ging de terugkeer uit Babel gepaard met bekering en met het aanroepen van de naam van de Heer tot herstel. Wij denken daarbij aan mannen als Ezra, Nehemia en Zerubbabel. Nu blijkt toch wel duidelijk dat wat vandaag in het Midden-Oosten gebeurt en is gebeurd, geen vervulling van Bijbelse profetieën kan zijn. Daarom is de Israëlleer zoals deze vooral in evangelische kringen en in de pinksterbeweging is doorgedrongen, een gruwelijke dwaling. Ze is een ‘stunt’ van de satan om de aandacht van christenen af te leiden van de wandel en van de strijd in de hemelse gewesten en het bezig laten zijn met allerlei Amerikaanse en Nederlandse ’eindtijd’-sites en aardse oorlogen in Arabische woestijnen.

Maar is het dan niet opvallend dat het volk Israël nog steeds bestaat, nadat het bijna tweeduizend jaar onder de volken verstrooid is geweest? Om deze gang van zaken te verstaan, dient het volgende voorbeeld. Er is een president die jarenlang zijn volk leidt en bestuurt. Plotseling breekt een revolutie uit en komt er een einde aan zijn presidentiële macht. Het gevolg kan zijn dat de man met zijn hele gezin geliquideerd wordt, maar ook dat hij nog als ambteloos burger onder zijn landgenoten mag verder leven. Wat is er nu met het joodse volk gebeurd? Onze Heer zei niet dat de naam van Israël van onder de hemel zou worden uitgewist, zoals bij Sodom en Gomorra het geval was (2 Kon.14:27). God heeft dit volk ook niet verstoten, zoals Hij dit met de duivel en zijn legers deed (Rom.11:1). Het Koninkrijk van God werd echter van hen weggenomen en aan een ander volk geschonken, dat de vruchten van dit Koninkrijk zou opbrengen (Matth.21:43). Het huis van God, de tempel, zou prijsgegeven worden (Matth.23:38). Het volk verloor dus zijn leidinggevende, geestelijke positie en zijn geestelijke status. God zei al tot Abraham:

  • ‘Dat zijn zonen en zijn huis na hem de weg van de Heer zouden bewaren door gerechtigheid en recht te doen, opdat de Heer aan hem zou vervullen wat Hij over hem had gesproken’ (Gen.18:19).

Deze wezenskenmerken van het volk van God zijn verdwenen. De volken konden niet langer naar de tempel reizen om daar te leren wat gerechtigheid en recht was. Deze eigenschappen zouden voortaan alleen in de gemeente van Jezus Christus gevonden worden. Niet een gerechtigheid door de werken, maar door het geloof, want gerechtvaardigd door het bloed van Jezus Christus, zou het kind van God door het geloof leven. Van de gemeente werd geschreven wat oorspronkelijk voor Israël gold: ‘U bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, dat God Zich tot Zijn eigendom maakte’ (1 Petr.2:9 en Ex.19:6). In de gemeente zouden er rechtvaardigen zijn, maar wat Israël betrof, zou de massa met haar leiders bestaan uit hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, die zich altijd bleven verzetten tegen de Heilige Geest (Hand.7:51). God zou slechts met een fractie van dit volk gemeenschap kunnen hebben en dit overblijfsel zou met de gemeente uit de heidenen de één kudde vormen onder één Herder. Simson zei tot Delila:

  • ‘Als ik geschoren werd, zou mijn kracht van mij wijken en ik zou machteloos zijn en gelijk aan ieder ander mens’ (Richt.16:17).

Zo verging het ook het volk van Israël. De tegenwoordigheid van de Heer week van de Joden en zij werden gelijk aan de andere volken. Daarom heeft het huidige Israël zijn vertrouwen ook gesteld op de wijsheid van deze wereld en op aardse machtsmiddelen. Het is nu precies als alle andere naties en wordt dus geleid door de arme, zwakke wereldgeesten en door de overste van deze wereld. Het zal zich moeten meten met zijn vijanden die onder dezelfde heerschappijen staan, net als ook alle andere volken van de wereld, wanneer dezen oorlog met elkaar voeren. Onder wereldgeesten verstaan wij de bundeling van menselijke geesten die nodig is om iets samen te presteren. Toen Israël in de tijd van Samuël God verwierp en voor zich een koning wenste ‘als bij alle andere volken’, was dit een beeld van wat gebeuren zou toen het Jezus als geestelijke koning verwierp. Door deze handeling werd het op één lijn geplaatst met de heidense volken. Daarom moeten wij de Joden niet verachten, ook niet verafgoden, maar hen als onze gelijken beschouwen.

Op de vraag waarom het Joodse volk nog steeds bestaat, is ons antwoord: God redt uit de volken altijd een overblijfsel. Van de gemeente geldt dat zij voortkomt ‘uit alle volk en stammen en natiën en talen’. Er wordt geen volk in zijn geheel behouden, ook Israël niet, maar Nederlanders, Duitsers, Amerikanen, Arabieren of Chinezen hebben geen Bijbelse beloften dat zij er tot het einde zullen zijn. Dezen kunnen ondergaan of opgaan in andere rassen. Alleen de Joden hebben de stellige toezegging dat uit hen altijd een rest behouden zal worden. Vanwege dit overschot zullen zij dus blijven bestaan, zoals er staat:

  • ‘Als de almachtige Heer ons geen kinderen had gelaten, dan was het met ons net zo gegaan als met Sodom en Gomorra’ (Rom.9:29).

Dit is dus een van de reden dat de joden zo gehaat worden door satan, zijn demonen en alle volken die de satan aanbidden. En dat zijn er inmiddels heel wat. Er is dus niet een totale verharding bij Israël, maar een gedeeltelijke en dit blijft zo totdat de ‘volheid van de heidenen’ zal binnengaan (Rom.11:25). De ‘volheid van de heidenen’ ziet natuurlijk niet op een kwantiteit en kan niet betekenen: alle heidenen. Deze uitdrukking heeft echter betrekking op ‘de laatste dagen’, wanneer een volwaardige, volgroeide vrucht van het evangelie van het Koninkrijk van God, binnengaat. Deze volheid bestaat uit Gods zonen die het beeld van Jezus gelijkvormig geworden zijn. Onder hen bevindt zich dan ook het overblijfsel uit de Joodse zonen.

Het is geen wonder dat de satan deze gedachte van God m.b.t. het oude verbondsvolk heeft geprobeerd te verijdelen en daarom zijn er zulke massale slachtpartijen onder de Joden gehouden. Deze gruwelen werden goedgekeurd en gestimuleerd door de afvallige kerk en door mannen als Luther, Augustinus, Bernard van Clairveaux, Thomas van Aquino en andere ‘heilige verklaarde’ antisemieten. Hoewel we in de geschiedenis nergens lezen dat deze schanddaden op een bijzondere wijze gestraft werden, omdat men ‘Gods oogappel’ aanraakte, of dat deze belagers van de Joden onder een bijzonder oordeel kwamen, toch heeft God zijn woord gestand gedaan en Israël bestaat nog.

In Jesaja 11:1 staat de Messiaanse profetie:

  • ‘En er zal een rijsje voortkomen uit de tronk van Isaï en een scheut uit zijn wortelen zal vrucht dragen’.

Van de ware olijfboom, die het geestelijke Israël voorstelt, was in de dagen van onze Heer niet veel meer over. De profeet zag echter hoe een twijg uit de afgehouwen stam van Jesse ontsproot en dat een scheut uit zijn wortelen ontkiemde. Er kwam een nieuwe, edele olijfboom. Paulus schreef dat iedere Jood die niet bij zijn ongeloof blijft, in deze olijfboom geënt zal worden. Duidelijk wordt dus geconstateerd dat het natuurlijke volk zich geheel buiten deze ware olijfboom bevindt en daarmee buiten de beloften van God staat, die in Christus ja en amen zijn. Het klinkt in vele oren aanstotelijk, dat Paulus in Galaten 4:21-31 Israël in zijn huidige positie op één lijn stelt met de Arabieren. Hij trekt daar enkele parallellen: de gemeente van Jezus Christus wordt vergeleken met Izaäk, de zoon van Sara, en ‘het tegenwoordige Jeruzalem’ met de zoon van de slavin Hagar. In de geestelijke wereld staan dus de Arabieren en de Joden voor God gelijk en naast deze twee volken staan de andere natiën op de wereld. Daarom moeten wij ook in onze tijd kiezen voor het hemelse Jeruzalem of het geestelijke Israël en de dwaling verwerpen dat het natuurlijke volk Israël nog van enige speciale betekenis zou zijn voor het rijk van God. Let ook op de haat tegen christenen in het land Israël. Het kruis is tot aan vandaag een aanstoot en evangeliseren een gevaarlijke bezigheid, waarbij men zelfs door de overheid opgepakt kan worden voor ‘staatsbedreiging’.

Het is opmerkelijk dat de wijd verbreide Israëlleer haar ontstaan vond in die kringen, die vijandig staan tegenover de doop in Heilige Geest en de charismatische gaven, dus onder hen die geen inzicht hebben in een wandel en strijd in de hemelse gewesten (‘Het domein van de slang’). Juist voordat de late regen begon te vallen die een geestelijk volk zou toerusten, heeft de geest van de dwaling bijna twee eeuw geleden de aandacht gevestigd op het herstel van het óngeestelijke Israël. De Israëlleer houdt in, dat grote gedeelten van het Woord van God aan de gemeente ontnomen worden en toegepast worden op de toekomst van de Joden. Zo staat in het begin en in het einde van het boek Openbaring dat de inhoud ervan bedoeld is voor de gemeenten (Openb.1:4 en 21:16). Toch loochenen bijvoorbeeld de Bedelingenleer en de Maranathabeweging deze waarheid en beweren zij dat na het vierde hoofdstuk, de Openbaring geen betekenis voor de gemeente heeft, want deze zou dan immers al ‘opgenomen’ zijn. Zo hebben de aanhangers van de Israëlleer het Woord van God, dat als de rok zonder naad is, verknipt en uit elkaar gescheurd. Wat het modernisme bij veel kerkmensen niet bereikt heeft, deed de Israëlleer, want beide ontnemen aan de gelovigen grote gedeelten van de Schrift.

In Romeinen 11:24 staat uitdrukkelijk dat de christenen uit de heidenen en die uit de Joden op de edele olijfboom worden geënt. Beiden vergroeien dus met deze boom en hebben deel aan de saprijke wortel, dat betekent dus dat zij als volk van het nieuwe verbond, hun bestaan ontlenen aan de kracht van het woord van God en aan alle beloften. Gods liefde gaat uit naar de geestelijke mens met wie Hij alleen gemeenschap kan hebben. Wij lezen m.b.t. het geestelijke Israël, dat het geworteld en gegrond is in de liefde van God. Deze liefde is de bodem waaraan het sap onttrokken wordt. In Romeinen 11:25 schrijft de apostel:

  • ‘En zo zal heel Israël zalig worden’ (Herz. Stat. Vert.).