
Jesaja 54:15-17
‘Kijk, zij zullen zeker samenscholen, maar niet door Mijn toedoen. Wie tegen u ten strijde trekt zal om u omkomen’ 15.
In deze tekst wordt onverwacht een waarheid geopenbaard die in het Oude Testament (maar ook vandaag!) vrijwel onbekend was. Er staat dat de vijandige aanvallen op de mens (dus het kwaad) niet van God uitgaat.
De eeuwige waarheid: God is enkel goed!
Uit God komt geen enkele vorm van wetteloosheid en niets dat verkeerd is. Op dit axioma heeft Jezus zijn leer gebouwd. De apostel Johannes schreef daarom: ‘En dit is de boodschap die wij van Hem gehoord hebben en aan u vertellen, dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is’ (1 Joh.1:5). Deze gedachte had een diepe indruk op de apostel gemaakt, want zij week af van de oudtestamentische visie.
Het wezen van God is leven en het leven is het licht van de mensen. Dit eeuwige en onvergankelijke leven dat bij God was, is geopenbaard en daarin is geen enkele destructie, vernietiging, wetteloosheid of angst voor de dood. Wanneer God spreekt, zijn Zijn woorden ‘geest en leven’. Jezus zei: ‘De Vader heeft Mij een gebod gegeven wat Ik zeggen en spreken moet. En Ik weet dat zijn gebod eeuwig leven is’ (Joh.12:49,50).
Jezus Christus, het vleesgeworden Woord van God

Het vleesgeworden Woord van God (Gods Logos, Joh.1:1, Jezus Christus) is ook niet gekomen om te vernietigen, maar alleen om te herstellen. Door Zijn woorden die de dragers waren van de gedachten van God, hoorden de doven, zagen de blinden, werden de melaatsen genezen en de bezetenen bevrijd. God heeft niets te maken met ongerechtigheid, wetteloosheid, leugen, ziekte, rampen of geweld die het leven aantasten. Wanneer wij Zijn woorden vasthouden en realiseren, zijn wij met Hem verbonden en hebben leven en vrede.
Jesaja heiligt de naam van God. Dit betekent dat hij Hem in zijn denken afzondert van het kwaad, van de duisternis en van het verderf. Jacobus schreef dat God één is, dus onverdeeld (Jac.2:19). God is alleen rechtvaardig en wijs, rein en heilig, alleen barmhartigheid en geduldig, enkel leven en licht. In Hem zijn geen tegenstrijdige eigenschappen. Hij valt nooit op de mens aan om deze te vernederen of te beschadigen en uit Hem komen geen dodelijke plagen.
Verschrikkelijke uitspraken tóch vasthouden én belijden
De aanvallen gaan nooit van God uit, maar van de satan en zijn demonen. Het is daarom verschrikkelijk dat de Heidelbergse Catechismus vandaag nog Oudtestamentische uitspraken hanteert en leert dat uit Gods handen ook:
- ‘Armoede, dood, droogte, kanker en onvruchtbaarheid komen.
- Daarin staat dan ook nog dat dit niet bij toeval, maar bewust(!) door Hem geënsceneerd zou zijn’.
Een werkelijk rampzalige leer, die tot aan vandaag zelfs door de Nationale Synode openlijk wordt onderschreven. Zij leven liever in het Grote Babylon voor hun macht en aanzien. Dit geschrift belijdt na duizenden jaren, samen met Job: ‘Zouden wij het goede van God aannemen en het kwade niet?’ (Job 2:10). In het Godsbegrip van Job werd de naam van God dus niet afgezonderd van het kwaad, dus geheiligd. Dit hing samen met de gebrekkige kennis van de onzienlijke wereld in die dagen. Vandaag gebeurt het zelfde, maar dan vanuit een grote weerspannigheid. Het Bijbels Fundament wordt nog steeds afgewezen door vrijwel alle kerken omdat zij het béter weten dan God en Jezus Christus. Wee hen.
Met het toenemen van onze kennis over de onzienlijke wereld, zal ons profeteren ook toenemen: de profetie groeit met de kennis. Dit kan men ook merken in de gemeente. De godsspraken die eerst op evangelisatieniveau lagen, gaan zich steeds meer ontwikkelen en zij zullen uiteindelijk de diepste gedachten van God openbaren. Zo wisten bijvoorbeeld de rechtvaardigen van het oude verbond niet dat zij maar één vrouw mochten hebben, hoewel ze met God leefden. Maar als wij vandaag zó leven, zullen wij het Koninkrijk van God niet binnengaan.
Jacobus schreef: ‘Elke goede gave en elk volmaakt geschenk is van boven en daalt neer van de Vader van de lichten, bij Wie er geen verandering is, of schaduw van omkeer’ (Jac.1:17). God verandert niet in zijn houding. Hij is niet geduldig én tegelijkertijd wraakgierig, zijn geduld raakt niet op. Er is maar één eeuwig evangelie, één blijde boodschap die van God komt. Wie Gods liefde en zijn belofte van herstel van de mens naar Geest ziel en lichaam niet serieus neemt (dus in feite afwijst) komt terecht in het rijk van de duisternis, omdat hij zich van dit redding brengende licht heeft afgekeerd.
De openbaring van nieuwe dingen

- Ik zal mijn mond openen in gelijkenissen, Ik zal uitspreken wat verborgen was vanaf de grondvesting van de wereld’ (Mattheüs 13:35).
Wat moeten wij nu verder aan met teksten uit het Oude Testament waar men nog geen volledig zicht had op het wezen van God? Het antwoord is: Jezus was de eerste die met zijn boodschap over het Koninkrijk van de hemelen, dus over de geestelijke en onzienlijke wereld, dingen vertelde, die sinds de grondvesting van de wereld verborgen waren gebleven (Matth.13:35). Wanneer God zegt: ‘Ik maak stom of doof, ziende of blind’, blijkt daaruit alleen dat de oorzaak van de ziekte gezocht moet worden in de onzienlijke wereld. God die geest is, sprak met de geest van Mozes, zoals een man met zijn vriend, rekening houdende met de kennis die deze oudtestamentische gelovige bezat.
Jezus bracht geen voortzetting van het oude verbond, maar openbaarde nieuwe dingen. Hij ontsluierde door zijn evangelie een voor de luisteraars volkomen nieuwe wereld. Hij verklaarde de mysteries waarvan de oudtestamentische rechtvaardigen nog geen notie hadden: Zij wisten wel vaag van een bestaan van satan en van boze geesten, maar de felle tegenstellingen tussen ‘licht en duisternis’ en hun absolute scheiding ontging hun. Zij zagen nog ‘door een spiegel, in raadsels’. Zij zeiden: ‘De hemel, de hemel is van de Heer, maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven’ (Ps.115:16). Vanuit deze zelfde onwetendheid schreef de Prediker: ‘Maar de doden weten niets; zij hebben geen loon meer te verwachten’ (Pred.9:5).
De oudtestamentische rechtvaardigen konden dus niet wandelen, leven, strijden en overwinnen in de hemelse gewesten. Het volk van God, het natuurlijke Israël, leefde op de aarde. Het had geen kennis van het geestelijke Israël, dat het hemelse Jeruzalem bewoont. Daarom kon de apostel, die zo vaak de uitleg van Jezus gehoord had, schrijven: ‘Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons doen kennen’ (Joh.1:18). Mozes zag God alleen van achteren, maar diens aangezicht bleef voor hem verborgen (Ex.33:23). Niemand van de profeten heeft ooit God kunnen zien, maar Jezus zei tegen Filippus: ‘Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’ (Joh.14:9).
Het gééstelijk Israël

Het is daarom heel bijzonder dat Jesaja (geleid door Gods Geest) de woorden ‘niet door Mijn toedoen’ heeft uitgesproken. Deze profeet van God uit het oude verbond bedreigt hier niet de aanvallers van het natuurlijke volk Israël, want dit ongelovige geslacht is niet ‘in gerechtigheid bevestigd’. Jesaja spreekt over de aanvallers van het gééstelijk Israël. De lastige steen voor de volken, waarmee alle volken in aanraking zullen komen, is het Israël van God, het hemelse Jeruzalem, dat verzameld wordt uit alle volken, talen en natiën (Zach.12:2,3).
‘Zie, Ík heb de smid geschapen, die het kolenvuur aanblaast en wapentuig vervaardigt, geschikt voor zijn doel; en Ík heb de verwoester geschapen om alles te vernietigen’ 16.
De satan valt met felle wapens het geestelijk Israël aan. De duivel heeft een ‘instrument’ (St. Vert.) ontwikkeld, waarmee hij ‘de knechten van God’ (vers 17) belaagt. Wij zouden dat ‘het zwaard van de vijand’ kunnen noemen. ‘Het zwaard van de Geest’ is het Woord van God of het ‘woord van de waarheid’. Het zwaard van de vijand is de leugen. Met dit geestelijke wapen wil hij de kinderen van God misleiden, bedreigen, bang maken en ten val brengen. God echter zegt: ‘De voortbrenger van dit zwaard, de vader van de leugen (Joh.8:44), heb Ik geschapen. In zijn verdorven toestand ben Ik zijn meerdere, zoals de maker meerder is dan het maaksel.’
Orthodoxen zullen nu zeggen: ‘Zie je wel: God veroorzaakt ook het kwaad, Hij heeft zelfs de satan geschapen zodat deze alles kon vernietigen’. Maar deze interpretatie is godslasterlijk. God heeft namelijk alleen goede engelen geschapen, inclusief de troonengel. De troonengel is echter tegen God ingegaan, daarom is hij als de satan, de verwoester verstoten. God kent (als Schepper en de meerdere van de satan) de werkwijze van zijn tegenstander, zijn kracht en zijn mogelijkheden. De wijsheid en de macht van God zijn oneindig veel groter.
De satan aan het werk

Om aan te tonen dat Hij de manier van werken van de duivel kent, vergelijkt de Heer hem met een smid die een kolenvuur opjaagt, dan het ijzer erin brengt en op deze manier een wapen, een zwaard vormt, dat moet dienen om te doden. Zo jaagt de duivel zijn dienaars op (zijn demonen en mensen die hem graag aanbidden op aarde). Hij inspireert deze mensen die zich graag aan hem onderwerpen om de leugen en de verleiding te verspreiden. Dit is zijn kunst en daarin is de satan een vakman. Een moordenaar van miljarden mensen.
De macht en de wijsheid van God hebben echter geen enkele beperking en daarom mag het Israël van God zeggen: ‘Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?’ (Rom.8:31). Wij weten dat alles wat God geschapen had, ‘zeer goed was’. Er was niets bij dat het leven en de vrede verstoorde. De satan is uit zichzelf gevallen en wilde bóven God staan. Hij was volmaakt, want er staat: ‘Volmaakt was u in uw wegen, vanaf de dag dat u geschapen werd, totdat er ongerechtigheid in u gevonden werd’ (Ez.28:15). Toen werd hij van een ‘beschuttende cherub’, de aanvoerder van een God vijandig leger van engelen die zijn kant kozen. Dat er in Gods raadsplan al sprake was van een Lam, dat geslacht zou worden om de zonde van de wereld weg te nemen, bewijst alleen dat de Schepper de zonde en de wetteloosheid had voorzien en in zijn plan verwerkt.
Hoe moeilijk het is om een juiste verklaring van deze tekst te geven, blijkt wel uit de talrijke en verschillende vertalingen die ervan zijn. Zo luidt de versie van de Septuagint, de oudste overzetting van het Oude Testament:
- ‘Zie, Ik heb u geschapen, niet zoals de koperslager die de kolen aanblaast en die een vat tevoorschijn brengt dat voor het werk geschikt is, maar Ik heb u geschapen, niet om onder te gaan dat Ik u zou verderven’.
Deze overzetting concludeert: God is geen smid die langs de weg van het vuur iets goeds tot stand moet brengen. Hij is een God van redding en Hij brengt zijn kinderen niet in het vuur van de verdrukking, dus in aanraking met demonen: ‘Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking’ (Jac.1:13). Ook wil God niet dat sommigen verloren gaan (2 Petr.3:9). Het is juist Zijn bedoeling dat ieder mens zal opgroeien tot een volmaakt, geestelijk wezen.
God is enkel goed
God was het namelijk Die door Jezus Christus de wereld met Zichzelf verzoende en aan hen hun overtredingen niet toerekende. Hij heeft het woord van de verzoening in ons gelegd’ (2 Cor.5:19). God is onveranderlijk en altijd dezelfde. Hij is morgen zoals Hij vandaag is. Maar is er dan geen oordeelsdag, geen dag van wraak? Staat er dan niet: ‘Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden’ (Rom.12:19)? Ja, maar God wreekt Zich niet op de mens, maar op de bewerkers van alle onheil, namelijk op de satan en zijn demonen. Het eeuwige vuur is voor de duivel, zijn engelen én mensen die hen aanbidden (zij maken dit zelf) maar niet voor de mens (Matth.25:41). Alleen wanneer iemand zich solidair verklaart met de duivel, wanneer hij de duisternis liever heeft dan het licht, valt hij onder het oordeel en eindigt zijn weg in de vuurpoel:
- ‘En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen hebben de duisternis liefgehad, meer dan het licht, want hun werken waren slecht. Want ieder die kwaad doet, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet ontmaskerd worden’ (Joh.3:19,20).

Veronderstel dat in een donker vertrek veel ratten zijn. Plotseling laat men dan een fel licht schijnen. Het gevolg is dat het ongedierte naar alle donkere gaten en hoeken vlucht. Zo staat er, dat wanneer op de oordeelsdag de heerlijkheid van de grote witte troon geopenbaard wordt, ‘de aarde en de hemel vluchtten’ (Op.20:11). Satans demonen, de hemel of onzienlijke wereld, wijken in grote angst voor de openbaring van Gods heiligheid en zuiverheid.
Het is nu wel duidelijk dat de profeet van God hier geen bedreigingen uit tegen de aanvallers van het natuurlijke volk Israël, want dit ongelovige geslacht is niet ‘in gerechtigheid bevestigd’. De lastige steen voor de volken, waarmee alle volken in aanraking zullen komen, is het Israël van God, het hemelse Jeruzalem, dat verzameld wordt uit alle volken, talen en natiën (Zach.12:2,3).
‘Elk wapentuig dat tegen u wordt gemaakt, zal niets uitrichten en elke tong die in het oordeel tegen u opstaat, zult u schuldig verklaren. Dit is het erfelijk bezit van de dienaars van God en hun gerechtigheid is uit Mij, zegt God’ 17.
God verzekert zijn knechten, die ‘in gerechtigheid bevestigd zijn’ (vers 14) en de waarheid van zijn woord stellen tegenover de leugen van de vijand, dat dit wapen tegen hen niets zal uitrichten en dat zij, integendeel, als overwinnaars uit deze geestelijke strijd tevoorschijn zullen komen. Ook de brandende pijlen van de duivel kunnen hen niet treffen, maar worden gedoofd door het opgeheven schild van het geloof. Voor hen heeft de Heer de hoge weg gebaand, waarop geen leeuw en geen verscheurend dier zal komen; deze worden daar niet gevonden (Jes.35:9). Ook al zou de duivel zijn leugens brengen in de vorm van een aanklacht of beschuldiging en zich zo voor Gods rechterstoel tegen diens knechten keren, dan nog zullen zij, door het Woord van God te hanteren, de vijand in het ongelijk stellen. Zij gaan in het oordeel vrijuit, maar de veroordeling rust op de demonen en op diegenen van de mensen die hun lichaam in dienst van de ongerechtigheid stellen. In het oordeel zal, ten aanhoren van de engelen en de mensen, klinken:
- ‘Het zal in de laatste dagen gebeuren dat de berg van het huis van de Heer vast zal staan als de hoogste van de bergen en dat hij verheven zal worden boven de heuvels en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen’ (Jes.2:2).
- ‘Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt God. Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol’ (Jes.1:18).
In deze rechtspraak wordt de aanklager, die hen dag en nacht aanklaagde, in het ongelijk gesteld. De knechten van Jahweh hebben immers een bijzonder erfdeel ontvangen in de hemelse gewesten. Zij zijn gewassen in het bloed van het Lam en daardoor volmaakt rechtvaardigen. ‘Hun gerechtigheid is uit Mij’, luidt de Statenvertaling. Waar het natuurlijke Israël een eigen gerechtigheid blijft nastreven en juist daardoor ten val komt, bezit het geestelijke Israël de gerechtigheid in Christus. Hieraan ontleent het zijn recht of aanspraak, zodat het in het gericht vrijuit mag gaan. Het mag: ‘Tot Hem naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons hart gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is met rein water’ (Hebr.10:22).
Het geestelijke Israël wordt ‘knecht van God’ genoemd, een naam die in hoofdstuk 42:1 op de Messias werd toegepast. Jezus Christus is gekomen om veel zonen tot heerlijkheid te brengen en Hij is de eerste van veel broers en zusters. Voor hen geldt:
- ‘Maar u (gééstelijk) Israël Mijn dienaar, u, Jakob, die Ik heb verkozen, het nageslacht van Abraham, die Mij liefhad, u, die Ik gegrepen heb van de uiteinden der aarde, geroepen uit haar uithoeken en tegen wie Ik zei: U bent Mijn dienaar, Ik heb u verkozen, Ik heb u niet verworpen. Wees niet bang, want Ik ben met u, schrik niet, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met Mijn rechterhand, die gerechtigheid werkt’ (Jes.41:8-10).
- Daarom: ‘Zing vrolijk, onvruchtbare, u die niet gebaard hebt, breek uit in gejuich en jubel het uit, u die geen weeën gekend hebt, want de kinderen van de eenzame zijn talrijker dan de kinderen van de getrouwde, zegt de Heer’ (Jes.54:1).
- ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand Mijn woord in acht genomen heeft, zal hij beslist de dood niet zien tot in eeuwigheid!’ (Joh.8:51).

